"Derailleur"
De uitvinding heeft betrekking op een derailleur voor een fiets en betreft vooral een derailleur die zodanig kan worden bediend dat naar keuze een aandrijfketting kan vorden aangebracht op
één van een aantal kettingwielen, waarbij elk van deze kettingwielen
is uitgevoerd met een verschillend aantal tanden en deel uitmaakt van het voor meerdere versnellingen bestemde en voor de overbrenging dienende vrijwiel dat is gemonteerd op de naaf van het achterwiel van de fiets, zodat het vrijwiel in samenwerking met de derailleur kan worden gebruikt.
Bij conventionele uitvoeringsvormen van dit soort derailleur is deze, zoals is beschreven en afgebeeld in de Britse <EMI ID=1.1> waarmee de derailleur aan een fiets kan worden bevestigd, twee evenwijdige verbindingsorganen die scharnierend aan het bevestigingaorgaan zijn gemonteerd, een beweegbaar orgaan dat ia uitgevoerd met
<EMI ID=2.1>
in één richting kan drukken. Het door middel van de derailleur overschakelen op een andere versnelling kan op zodanige manier worden uitgevoerd dat met behulp van een bedieningshefboom bedieningskabels kunnen worden aangetrokken zodat het beweegbare orgaan een zwaaiende beweging kan uitvoeren tegen de werking van de door de terugbrengveer uitgeoefende kracht in of zodat het beweegbare orgaan door de kracht van de terugbrengveer in een reeds eerder ingenomen positie kan worden teruggebracht, waardoor de aandrijfketting naar keuze zodanig kan worden aangebracht dat deze zich vanaf de kettingleischijven uitstrekt naar één van de kettingwielen van het voor meerdere versnellingen bestemde en voor de overbrenging dienende vrijwiel.
Bij de conventionele derailleur waarbij gebruik
<EMI ID=3.1>
is niet alleen een grote kracht vereist voor het overschakelen op een andere versnelling door de bedieningskabels tegen de werking van de terugbrengveer in aan te trekken, maar tevens dient de wrijvingsweerstand ook sterker te zijn dan de door de terugbrengveer uitgeoefende kracht teneinde de kettingleischijven in de juiste positie te kunnen houden nadat op een andere versnelling is overgeschakeld. Ter be-
<EMI ID=4.1>
uitgeoefend, zowel in de richting van de door de terugbrengveer uitgeoefende kracht als tegen die richting in.
Aangezien de hierboven genoemde wrijvingsweerstand, zoals is beschreven en afgebeeld in het Franse octrooischrift no.
<EMI ID=5.1>
derailleur en geen mechanisme voor het in de juiste positie brengen van de kettingleischijven is aangebracht, is de fietser, wanneer hij op een andere versnelling wil overschakelen, verplicht de juiste positie van de kettingleischijven alleen op het gevoel te kiezen en daardoor doet zich bij de conventionele derailleur het probleem voor dat de aandrijfketting niet nauwkeurig in de voor het overschakelen
op een andere versnelling vereiste juiste positie kan worden gebracht.
In de Amerikaanse octrooischriften no. 3 362 238 en no. 3 394 604 is echter een constructie beschreven en afgebeeld die
is voorzien van een bedieningshefboom of een hefboomhouder welke is uitgevoerd met ingrijpopeningen waarvan de onderlinge afstanden overeenkomen met de gekozen versnellingsstanden terwijl de bedieningshefboom of de hefboomhouder is voorzien van een kogel die tot ingrijping kan worden gebracht met de ingrijpopeningen zodat de kettingleischijven na het overschakelen op een andere versnelling weer in de juiste positie kunnen worden gehouden. In dit geval kan de kogel op zodanige wijze met de betreffende gekozen ingrijpopening in ingrijping worden gehouden dat de derailleur mechanisch in de voor een bepaalde versnelling vereiste juiste positie kan worden vastgehouden, hetgeen inhoudt dat het overschakelen op een andere versnelling theoretisch nauwkeurig kan plaats hebben, maar aangezien de derailleur door middel van
de bedieningshefboom en de bedieningkabels moet worden bediend, kan het voorkomen dat te grote uitrekking van de bedieningskabel of samentrekking van de buitenkabel er de oorzaak van is dat het beweegbaar orgaan als gevolg van onjuiste bediening niet goed werkt, hetgeen er aanleiding toe kan geven dat het overschakelen op een andere versnelling niet nauwkeurig kan worden uitgevoerd.
Vooral bij deze constructie is het voor een fietser niet goed mogelijk door middel van de bedieningshefboom de derailleur op de juiste wijze in te stellen, met als gevolg dat het niet goed mogelijk is de derailleur meteen in de voor de gewenste versnelling juiste positie te brengen doordat het in de gewenste positie aanbrengen van de aandrijfketting niet goed kan worden uitgevoerd en omgekeerd, als deze gewenste positie wordt bereikt is het moeilijk de derailleur in de voor een bepaalde versnelling vereiste positie in te stellen en in die positie te houden.
De uitvinding heeft ten doel de hierboven genoemde problemen op te lossen.
Een voornaam doel van de uitvinding is het verschaffen van een derailleur waarmee de aandrijfketting ten allen tijde nauw- <EMI ID=6.1>
wielen kan worden overgebracht wanneer op een andere versnelling wordt overgeschakeld.
Een ander doel van de uitvinding is het verschaffen van een derailleur waarmee de aandrijfketting ten allen tijde nauwkeurig van het ene op het andere kettingwiel kan worden overgebracht, ondanks te grote uitrekking van een bedieningskabel of samentrekking van een buitenkabel waarin de betreffende bedieningskabel is opgenomen.
Een ander doel van de uitvinding is het verschaffen van een derailleur die door middel van een bedieningshefboom kan worden bediend ter overbrenging van de aandrijfketting van het ene kettingwiel op een ander, waarbij ter bediening van de bedieningshefboom door de fietser maar een lichte druk behoeft te worden uitgeoefend.
Nog een ander doel van de uitvinding is het verschaffen van een derailleur die door middel van een bedieningshefboom kan worden bediend ter overbrenging van de aandrijfketting van het ene kettingwiel op een ander, zonder dat daarvoor een terugbrengveer aanwezig is.
Nog weer een ander doel van de uitvinding is het verschaffen van een derailleur die na het overschakelen op een andere versnelling nauwkeurig in de voor die versnelling vereiste positie kan worden gehouden, zonder dat daarvoor wrijvingsweerstand behoeft te worden uitgeoefend op een bedieningshefboom.
De uitvinding heeft verder ten doe-1 het verschaffen van een derailleur die zodanig is geconstrueerd dat een instelmechanisme is verschaft tussen twee ten opzichte van elkaar beweegbare organen die behoren tot de vier elementaire organen waaruit de derailleur bestaat, namelijk een bevestigingsorgaan, twee verbindingsorganen en een beweegbaar orgaan dat is voorzien van kettingleischijven, waarbij deze twee organen bijvoorbeeld kunnen bestaan uit het
<EMI ID=7.1>
dingsorganen, het beweegbaar orgaan en één van de twee verbindingsorganen, of het ene verbindingsorgaan en het-andere dat evenwijdig aan het eerste is aangebracht. Het instelmechanisme bestaat uit een houder die is voorzien van een aantal ingrijpgedeelten en een vasthoudorgaan dat daarmee tot ingrijping kan worden gebracht.
De uitvinding zal thans worden beschreven, onder verwijzing naar de tekening, waarin:
Fig. 1 een vooraanzicht is van een derailleur volgens de uitvinding die zodanig is geconstrueerd dat de houder i3 gemonteerd aan het bevestigingsorgaan en het vasthoudorgaan aan het beweegbaar orgaan; fig. 2 is een bovenaanzicht van de in fig. 1 afgebeelde derailleur; fig. 3 is een onderaanzicht van de in fig. 1 en 2 afgebeelde derailleur, in combinatie met een dieningsmechanisme omvettende een bedieningshefboom, waarbij delen zijn weggenomen; fig. 4 is een dwarsdoorsnede van een gedeelte, waarin is te zien op welke manier het vasthoudorgaan en de houder van de in fig. 1 - afgebeelde derailleur met elkaar in ingrijping kunnen zijn; fig. 5 is een bovenaanzicht van alleen de houder daarvan;
fig. 6 is een vooraanzicht van een derailleur waarvan de houder is gemonteerd aan het beweegbaar orgaan en het vasthoudorgaan aan één van de twee verbindingsorganen; fig. 7 is een bovenaanzicht van de in fig. 6 afgebeelde derailleur; fig. 8 is een aanzicht in perspectief van één van de verbindingsorganen van de in fig. 6 en 7 afgebeelde derailleur; fig. 9 is een dwarsdoorsnede van deze derailleur volgens lijn IX-IX in fig. 7; fig. 10 is een vooraanzicht van een derailleur waarvan de houder is gemonteerd aan het ene verbindingsorgaan terwijl het vasthoudorgaan is gemonteerd aan het andere verbindingsorgaan dat tegenover het eerste is gelegen; fig. 11 is een bovenaanzicht van de in fig. 10 afgebeelde derailleur; <EMI ID=8.1>
verbindingsorganen van de in fig. 10 en 11 afgebeelde derailleur; fig. 13 is een doorsnede waarin is te zien op welke manier het vasthoudorgaan in ingrijping kan zijn met de ingrijpgedeelten van de in fig. 10 en 11 afgebeelde derailleur; en fig. 14 is een dwarsdoorsnede van een gedeelte van een gewijzigde uitvoeringsvorm waarin is te zien op welke manier het vasthoudorgaan ook in ingrijping kan zijn met de ingrijpgedeelten die zijn aangebracht aan de houder.
Een derailleur volgens de uitvinding, zoals is afgebeeld in fig. 1 - 3, 6 - 7 en 10 - 11, bestaat in principe uit vier organen, namelijk een bevestigingsorgaan dat is aangegeven met het verwijzingscijfer 1, twee evenwijdige verbindingsorganen 5 en 6, en een beweegbaar orgaan 9. Het bevestigingsorgaan 1 omvat een steun 1a die kan worden bevestigd aan het einde van de achtervork van een fietsfreem, niet afgebeeld, in combinatie met een naafas, eveneens niet afgebeeld, en een orgaan 1b dat door middel van een scharnieras
2 aan de steun 1a is gemonteerd zodat het orgaan 1b een zwaaiende
<EMI ID=9.1>
kan dus wel een beperkte scharnierende beweging uitvoeren ten opzichte van de steun 1a, maar is onbeweegbaar gemonteerd wat betreft de bewegingsrichting van het beweegbare orgaan 9.
Het orgaan 1b is aan de ene zijde voorzien van tegenover elkaar gelegen neusgedeelten waaraan twee verbindingsorganen 5 en 6 met het ene einde scharnierend zijn verbonden door middel van twee pennen 3 en 4.
De verbindingsorganen 5 en 6, die van gelijke lengte zijn en beide een C-vormige dwarsdoorsnedevorm hebben zijn met de open zijden naar elkaar toegekeerd en tegenover elkaar gemonteerd aan het orgaan 1b van het bevestigingsorgaan. Aan de andere einden van de verbindingsorganen is het beweegbare orgaan 9 scharnierend bevestigd door middel van pennen 7 en 8.
Het beweegbare orgaan 9 vertoont veel overeenkomst
<EMI ID=10.1>
tegenover elkaar gelegen neusgedeelten waartussen de verbindingsorga-nen 5 en 6 scharnierend zijn aangebracht door middel van de pennen 7 en 8 zodat het geheel van het beweegbaar orgaan en de twee verbin-
<EMI ID=11.1>
de van het beweegbaar orgaan 9 is gemonteerd kooi 11 waarin twee kettingleischijven 11a zijn aangebracht door middel van een scharnieras
10 die zich evenwijdig aan de scharnieras 2 uitstrekt zodat de kooien
11 een zwaaiende beweging om de scharnieras 10 kunnen uitvoeren, maar slechts in een bepaald bereik.
De kettingleischijven 11a dienen ter ondersteuning van een daar overheen lopende aandrijfketting, niet afgebeeld, en kunnen in axiale richting worden bewogen ten opzichte van het voor meerdere versnellingen bestemde en voor de overbrenging dienende vrijwiel, niet afgebeeld, zodat de aandrijfketting kan worden verplaatst en zich dan gaat uitstrekken vanaf de kettingleischijven naar een gekozen kettingwiel van het vrijwiel, waardoor de aandrijfketting met dat bepaalde kettingwiel tot ingrijping kan worden gebracht teneinde op een andere versnelling over te kunnen schakelen.
De basisconstructie van de derailleur volgens de uitvinding is uitgevoerd zoals hierboven is beschreven en deze verschilt in het geheel niet van reeds bestaande constructies en daarom kan bij de beschrijving van de derailleur volgens de uitvinding worden uitgegaan van hetgeen hierboven is beschreven.
De uitvinding heeft ten doel de derailleur die is uitgevoerd zoals hierboven is beschreven te voorzien van een instelmechanisme dat verderop zal worden beschreven en dat is aangebracht tussen twee organen die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen wanneer wordt overgeschakeld op een andere versnelling, namelijk tussen het bevestigingsorgaan 1 en het beweegbaar orgaan 9 of één van de verbindingsorganen 5 en 6, het beweegbaar orgaan 9 en één van de ver-
<EMI ID=12.1>
onderling. Het instelmechanisme dient voor het naar keuze instellen van een juiste positie waarin de kettingleischijven 11a moeten worden gehouden wanneer op een andere versnelling wordt overgeschakeld, waarbij het instelmechanisme is voorzien van een houder die is uitgevoerd met ingrijpgedeelten 13 waarvan het aantal gelijk is aan het aantal versnellingen en een vasthoudorgaan 15 dat met elk van de ingrijpgedeelten 13 tot ingrijping kan worden gebracht.
Thans zal onder verwijzing naar fig. 1 - 5 een beschrijving worden gegeven van een derailleur waarbij de houder 12 is gemonteerd aan het-orgaan 1b van het bevestigingsorgaan 1 en het vasthoudorgaan 15 aan het beweegbaar orgaan 9.
Bij deze uitvoeringsvorm is de houder 12 vervaardigd van een stuk metaalplaat dat aan de basis is voorzien van een rond gat
12a en een langwerpig gebogen gat 12b. Door het gat 12a is de pen 3 aangebracht waardoor het verbindingsorgaan 5 scharnierend is verbonden aan orgaan 1b en een zwaaiende beweging om de pen 3 kan uitvoeren, terwijl een met schroefdraad uitgevoerd verlengstuk van de pen 4 zich uitstrekt door het gat 12b waarbij een borgmoer 14 op het verlengstuk is geschroefd teneinde de houder 12 te bevgstigen aan het orgaan 1b van het bevestigingsorgaan 9. De houder 12 strekt zich met het voorste einde naar het beweegbaar orgaan 9 uit tot aan het ene einde van de verbindingsorganen 5 en 6, waarbij de ingrijpgedeelten 13 zich bevinden in het voorste einde van de houder 12.
De ingrijpgedeelten bestaan, zoals is te zien in fig. 4, voornamelijk uit een aantal doorgaande openingen die zijn aangebracht op onderlinge afstanden die overeenkomen met de grootte van de beweging van het vasthoudorgaan 15 dat aan het beweegbaar orgaan 9 is verbonden en die door het vasthoudorgaan 15 in de bewegingsbaan die het vasthoudorgaan 15 kan volgen moet worden uitgevoerd wanneer op een andere versnelling wordt overgeschakeld. In dit geval zijn de openingen aan één zijde van een schotelvormige uitsparing voorzien zodat elk gedeelte tussen twee naast elkaar gel�gen openingen in chevronvorm is uitgevoerd waardoor dus wanneer het vasthoudorgaan 15 zich op een hellend gedeelte bevindt het vasthoudorgaan 15 in een ingrijpgedeelte 13 kan schuiven teneinde daarmee tot een goede ingrijping te komen.
Het vasthoudorgaan 15, dat tot ingrijping kan komen met de ingrijpgedeelten 13, is zoals in fig. 1 is te zien, gemonteerd aan het beweegbaar orgaan 9 en omvat een cilindrische houder 15a en een kogel 15c die is opgenomen in en gedeeltelijk uitsteekt buiten
de cilindrische houder 15a door de werking van een schroefveer 15b die in de cilindrische houder is aangebracht zodat de kogel 15c tot ingrijping kan worden gebracht met elk van de ingrijpgedeelten 13 en waarbij dus de ingrijping van de kogel 15c met de ingrijpgedeelten 13 in stand kan worden gehouden door de werking van de schroefveer 15b, zodat het beweegbaar orgaan 9 niet gemakkelijk uit zichzelf kan gaan bewegen.
Wanneer de kogel 15c in ingrijping is met elk van de ingrijpgedeelten 13 is het noodzakelijk dat de positie van de kettingleischijven 11a overeenkomt met de positie van elk kettingwiel van het voor meerdere snelheden bestemde en voor de overbrenging dienende vrijwiel.
Daarom moet de houder 12, wanneer deze is bevestigd aan het orgaan 1b van het bevestigingsorgaan, eerst een zwaaiende be-
<EMI ID=13.1>
worden ingesteld en dan worden vastgezet door de moer 14 aan te draaien.
Het beweegbaar orgaan 9 zoals hierboven is beschreven kan door middel van twee bedieningskabels a en b zwaaiend worden bewogen teneinde over te schakelen op een andere versnelling. Deze bediening zal verderop gedetailleerd worden beschreven. In fig. 3 is te zien dat het orgaan 1b van het bevestigingsorgaan is verbonden aan een ongeveer driehoekige plaat 16 die aan de top is voorzien van een vaste pen 17 en aan de basis van een omgezet einde 23 waarin twee gaten 23a en 23b zijn aangebracht waar doorheen de twee bedieningskabels zich uitstrekken.
Een andere plaat 21 is scharnierend aan het beweegbaar orgaan 9 verbonden door middel van een pen 22 terwijl de plaat 21 is uitgevoerd met een uitsparing 18a die is aangebracht in een vorkeinde 18 dut zich aan het voorste einde van de plaat bevindt, terwijl twee armen 19 en 20 zich ongeveer onder een rechte hoek uitstrekken ten opzichte van het vorkeinde en waarbij de armen zijn voorzien van twee omgezette einden 19a en 20a ter vasthouding van respectievelijk de einden van de bedieningskabels. Daartoe zijn de twee bedieningskabels aangebracht door de gaten 23a en 23b terwijl de einden daarvan worden vastgehouden door de omgezette einden 19a en 20a, waardoor de beweegbare plaat 21 kan worden gedraaid in de in fig. 3 <EMI ID=14.1>
te trekken zodat het verbindingsorgaan 5 kan worden gebracht in de positie die in fig. 3 met getrokken lijnen is aangegeven, terwijl de= ze beweging kan worden geregeld door de samenwerking van de uitsparing 18a en de daarmee in ingrijping zijnde pen 17.
Het in fig. 3 afgebeelde middel ter bediening van twee bedieningskabele a en b is zodanig uitgevoerd dat een opwindorgaan 30, waar de bedieningskabels vanaf tegengestelde zijden op zijn gewonden, door beweging van een bedieningshefboom kan worden gedraaid, hetzij in de normale of de omgekeerde richting, teneinde één van de bedieningskabels a en b aan te trekken.
Thans zal het opwindorgaan 30, dat is voorzien van een bedienbaar gedeelte teneinde de bedieningskabels te kunnen aantrekken, onder verwijzing naar fig. 3 worden beschreven.
Het in fig. 3 afgebeelde opwindorgaan 30 is vrij draaibaar gemonteerd op een vaste as 32 die uitsteekt vanaf een klemband 31 die is vastgezet op het stuur A van een fiets, terwijl zich aan de ene zijde een bedieningshefboom 33 van gegeven lengte radiaal uitstrekt.
Het opwindorgaan 30 is voorzien van een kabelleigroef
30a die het grootste deel van de buitenomtrek van het opwindorgaan 30 omsluit, waarbij de kabelleigroef 30a aan beide einden is voorzien
<EMI ID=15.1>
uitgevoerde gedeelten die respectievelijk zijn aangebracht aan de einden van de bedieningskabels a en b.
In fig. 3 is te zien dat bovendien een vaste plaat
34 onbeweegbaar is verbonden aan de klemband 31 ter vasthouding van een buitenkabel C aan deze plaat terwijl een bus 35 is aangebracht in het centrale gat van het opwindorgaan 30. De bus 35 is iets langer uitgevoerd dan de axiale lengte van het opwindorgaan 30 zodat het opwindorgaan 30 vrij en gemakkelijk om deze bus draaibaar is. De bus
35 en onderlegringen, niet afgebeeld, die tegen elkaar aansluiten, zijn stijf op de vaste as 31 gemonteerd door middel van een opsluitmoer, niet afgebeeld.
Het opwindorgaan 30 is dus zonder enige onderbreking <EMI ID=16.1>
waarbij slechts een zeer geringe kracht op de bedieningshefboom 33 behoeft te worden uitgeoefend, terwijl door draaiing van de bedieningshefboom 33 de ene bedieningskabel zal worden aangetrokken en de andere zal worden gevierd.
Naast de hierboven beschreven uitvoeringsvorm is het ook mogelijk eenvoudig gebruik te maken van-een als opwindorgaan 30 fungerend kogelleger door toepassing van een buitenloopvlak daarvan. Tevens kan in plaats van twee bedieningskabels gebruik worden gemaakt van slechts één bedieningskabel die om he' opwindorgaan 30 kan zijn
<EMI ID=17.1>
stelschroef of iets dergelijks.
Met de hierboven beschreven constructie kan het overschakelen op een andere versnelling zodanig worden uitgevoerd dat één bedieningskabel a of b wordt aangetrokken teneinde het beweegbaar orgaan 9 te bewegen waardoor de aandrijfketting op één van de kettingwielen kan worden gebracht teneinde de gewenste versnelling in
te schakelen, waarbij het vasthoudorgaan 15 tegelijkertijd wordt bewogen zodat dit wordt opgenomen in één van de ingrijpgedeelten 13 overeenkomende met de gewenste versnellingsstand, zodat het beweegbaar orgaan 9, en dus ook de kettingleischijven 11a, in de juiste positie kunnen worden gebracht ten opzichte van een gekozen kettingwiel van het voor meerdere snelheden bestemde en voor de overbrenging dienende vrijwiel.
Bij deze uitvoeringsvorm is het instelmechanisme zodanig aangebracht dat de houder 12 is gemonteerd aan het orgaan 1b van het bevestigingsorgaan en het vasthoudorgaan 15 aan het beweegbaar orgaan 9, maar het is ook mogelijk dat de houder 12, zoals is
te zien in fig. 6 en 7, is gemonteerd aan het beweegbaar orgaan 9 terwijl het vasthoudorgaan 15 is gemonteerd aan een instelorgaan 40 dat zwaaiend kan bewegen in combinatie met de verbindingsorganen 5 en
6.
In fig. 6 en 7 is te zien dat de houder 12 één geheel vormt met het beweegbaar orgaan 9 en bestaat uit een plaatorgaan dat zich met het voorste einde uitstrekt naar het orgaan 1b van het bevestigingsorgaan en de basis van de verbindingsorganen 5 en 6 bereikt. Aan het voorste einde van de houder 12 zijn een aantal ingrijpgedeelten 13 aangebracht die op onderlinge afstanden zijn gelegen overeenkomende met de grootte van de beweging die het eindgedeelte moet uit-
<EMI ID=18.1>
eindgedeelte dus in een bepaalde baan kan bewegen wanneer het beweegbaar orgaan 9 een zwaaiende beweging uitvoert. Zowel de ingrijpgedeelten 13 en het vasthoudorgaan 15 zijn op dezelfde manier uitgevoerd als bij de hierboven beschreven uitvoeringsvorm, maar nu is het vasthoudorgaan 15, zoals in fig. 8 en 9 is te zien, gemonteerd aan het bovenoppervlak van het instelorgaan 40.
Het instelorgaan 40 is aan de basis scharnierend gemonteerd aan het ene einde van het verbindingsorgaan 5, langs het binnenoppervlak daarvan, door de pen 7 en wordt met het voorste einde ten allen tijde naar het vertikale binnenoppervlak van het verbindingsorgaan 5 gedrukt door middel van een schroefveer 41. Het voorste einde van het instelorgaan 40 bevindt zich bij het orgaan 1b van het bevestigingsorgaan zodat de positie van het vasthoudorgaan 15 overeenkomt met die van de ingrijpgedeelten 13.
Tevens is in het midden van het instelorgaan 40 een van schroefdraad voorziene boring aangebracht waarin een instelbout
42 is geschroefd zodat de punt hiervan aansluit tegen het vertikale binnenoppervlak van het verbindingsorgaan 5.
Met het instelorgaan 40 kan het vasthoudorgaan 15 in de juiste positie worden ingesteld waarbij eerst de kettingleischijven 11a, net als bij de hierboven beschreven uitvoeringsvorm, kunnen worden ingesteld in een positie overeenkomende met de positie van
<EMI ID=19.1> door het mogelijk wordt gemaakt dat de ingrijpgedeelten 13 worden ingesteld in de voor elke versnelling vereiste positie. Wanneer de instelbout 42 aan het instelorgaan 40 is gemonteerd, zoals is te zien in fig. 6, bevindt de kop van de instelbout 42 zich voor een langwerpige opening 6a die is aangebracht in de vertikale wand van het verbindingsorgaan 6 zodat de instelbout 42 vanaf de buitenkant kan worden ingesteld en bovendien kan de instelbout 42 zijn bevestigd aan het verbindingsorgaan 5 in plaats van aan het instelorgaan 40.
Bij de hierboven beschreven constructie is het mogelijk het vasthoudorgaan 15 aan te brengen aan het orgaan 1b van het bevestigingsorgaan en ook is het mogelijk, zoals is te zien in fig.
10 - 12, de houder 12 te monteren aan het ene verbindingsorgaan 5 en het vasthoudorgaan 15 aan het andere verbindingsorgaan 6.
Deze laatste constructie zal verderop worden beschreven. De houder 12 is, zoals is te zien in fig. 11 en 12, zodanig uitgevoerd dat de horizontale bovenwand 5a van het met C-vormige dwarsdoorsnedevorm uitgevoerde verbindingsorgaan 5 zich gedeeltelijk uitstrekt naar het er tegenover gelegen verbindingsorgaan 6, en is voor-
<EMI ID=20.1>
hierboven beschreven uitvoeringsvorm, waarbij deze ingrijpgedeelten zijn aangebracht in het verlengstuk van de bovenwand van verbindingsorgaan 5, terwijl indien de bovenwand 5a breed genoeg zou zijn deze zelf als houder 12 zou kunnen fungeren. Het vasthoudorgaan 15 omvat, net als bij de hierboven beschreven uitvoeringsvorm, een cilindrische houder 15a en een daarin opgenomen kogel 15c die naar buiten wordt gedrukt door middel van een schroefveer 15b. Het vasthoudorgaan 15 is, zoals is te zien in fig. 11 en 12, bevestigd aan een horizontaal gelegen L-vormig orgaan 50 dat door middel van een pen 51 scharnierend is verbonden aan het verbindingsorgaan 6 dat is gelegen tegenover het verbindingsorgaan 5 dat als houder 12 dienst kan doen.
Het orgaan 50 omvat een hoofddeel en een arm die zich ongeveer onder een rechte hoek uitstrekt vanaf de bovenkant van het hoofddeel, waarbij deze arm, zoals is te zien in fig. 12 en 13, is vervaardigd van betrekkelijk dun plaat en halverwege tweemaal is omgezet zodat het vasthoudorgaan 15 kan worden gebracht boven het bovenoppervlak van de wand 5a van het verbindingsorgaan 5. Het vasthoudorgaan 15 is dus onderste boven op het voorste einde van de arm bevestigd zodat de kegel
15c, zoals is te zien in fig. 13, tot ingrijping kan komen met elk van de ingrijpgedeelten 13 doordat de kogel 15c aan de onderkant van de arm uitsteekt.
Naast de hierboven beschreven wijze van bevestiging van het vasthoudorgaan 15 aan het verbindingsorgaan 6 kan het vasthoudorgaan 15 ook worden gemonteerd aan een arm die aan het verbindingsorgaan 6 is bevestigd of aan een arm die zich vanaf het beweegbaar orgaan 9 uitstrekt.
Ingeval het vasthoudorgaan rechtstreeks aan het verbindingsorgaan 6 is gemonteerd of door middel van een daarvoor bestemd orgaan 50, is het door de relatieve beweging die tussen de verbindingsorganen 5 en 6 kan plaats hebben mogelijk dat het vasthoudorgaan 15 naar keuze wordt ingesteld en ook dat elke onderlinge afstand tussen de ingrijpgedeelten 13 kleiner wordt gemaakt in verband met een kleine relatieve beweging van de verbindingsorganen 5 en 6. Wanneer het vasthoudorgaan 15 dus een bepaalde positie inneemt, dat wil zeggen geldend voor elke versnellingsstand, kan de kogel 15c soepel in ingrijping zijn met één van de ingrijpgedeelten 13.
Wanneer het orgaan 50 dat het vasthoudorgaan draagt, zoals is afgebeeld in fig. 11 en 12, scharnierend is verbonden aan het verbindingsorgaan 6 door middel van de pen 51, is een schroef veer, zie fig. 11, aangebracht rond de pen 51 zodat het hoofddeel van het orgaan 50 ten allen tijde onder druk zal aansluiten tegen het binnenoppervlak van de vertikale wand van het verbindingsorgaan 6 waarbij tevens een instelbout 52 is gemonteerd in de vertikale wand van het verbindingsorgaan 6 die voor- of achterwaarts kan worden geschroefd teneinde het orgaan 50 zodanig te kunnen bewegen dat het vasthoudorgaan 15 vrij en naar keuze kan worden gebracht in een positie waarbij de kogel 15c tot ingrijping kan komen met elk van de ingrijpgedeelten
13,
waardoor de kettingleischijven 11a zodanig kunnen worden ingesteld dat de positie ervan overeenkomt met de positie van een gekozen kettingwiel van het voor meerdere snelheden bestemde en voor de overbrenging dienende vrijwiel, niet afgebeeld.
Voor het in de juiste positie instellen van het orgaan 50 en dus ook het vasthoudorgaan 15 worden eerst de kettingleischijven 11a ingesteld, op dezelfde manier als bij de hierboven beschreven uitvoeringsvorm is uiteengezet, in de positie die overeenkomt met elk kettingwiel van het voor meerdere snelheden en voor de overbrenging bedoelde vrijwiel en vervolgens kan de instelbout 52 voor- of achterwaarts worden geschroefd teneinde het orgaan 50 een zwaaiende beweging om de pen 51 te laten maken zodat het vasthoudorgaan 15 kan worden gebracht in een gewenste positie waarbij de kogel
15c tot ingrijping kan komen met elk van de ingrijpgedeelten 13 bij de ingestelde positie, bijvcorbeeld.de lage versnelling.
Uit bovenstaande beschrijving zal duidelijk zijn dat de uitvinding ten doel heeft twee bedieningskabels toe te passen voor het overschakelen op een andere versnelling en de derailleur in een gekozen ver�nellingsstand te houden door middel van het daarin aangebrachte instelmechanisme. Bij een dergelijke derailleur is het dus niet nodig gebruik te maken van een terugbrengveer zoals bij een conventionele derailleur en evenmin behoeft wrijvingsweerstand te worden opgewekt op bijvoorbeeld de zijkant van het bedieningsorgaan, zodat bij de derailleur volgens de uitvinding de bedieningskabels gemakkelijk kunnen worden aangetrokken door het opwindorgaan te draaien, dat wil zeggen de bedieningshefboom kan al worden bewogen door uitoefening van een slechts geringe kracht.
Bovendien maakt het instelmechanisme het mogelijk
dat de derailleur nauwkeurig in de gewenste versnellingsstand wordt gehouden terwijl het zodanig tussen de statische en de beweegbare organen is aangebracht dat het overschakelen op een andere versnelling ten allen tijde nauwkeurig kan worden uitgevoerd, ongeacht het optreden van een al te grote verlenging van de bedieningskabels, met als gevolg dat geen storingen zullen optreden doordat bijvoorbeeld
de aandrijfketting niet goed tot ingrijping wordt gebracht met een gekozen kettingwiel, zodat dus het gewenste overschakelen op een andere versnelling ten allen tijde nauwkeurig kan plaats hebben door middel van de derailleur volgens de uitvinding.
Bovendien kunnen onder de term "ingrijpgedeelten" zo-als die in bovenstaande beschrijving wordt gebruikt. ook groeven worden verstaan in plaats van doorgaande gaten zoals in fig. 4 en 13 zijn afgebeeld, waarbij het voldoende is dat deze ingrijpgedeelten tot ingrijping kunnen komen met het vasthoudorgaan, zodat de ingrijporganen kunnen worden vervangen door permanente magneetorganen zoals is te zien in fig. 14.
In dit geval is de kogel 15c van het vasthoudorgaan 15 vervangen door een permanent magneetorgaan 15d, waarbij een cilindrische houder 15a dient ter ondersteuning van een kolomvormige permanente magneet 15d die met de N- of de Z-pool uit de houder 15a steekt terwijl de houder 12 is voorzien van een aantal kolomvormige permanente magneten 131 die zijn aangebracht op onderlinge afstanden overeenkomende met die tussen de ingrijpgedeelten 13 en waarbij elk einde van deze magneten 131 dat naar de magneet 15d is gekeerd een pool bevat die tegengesteld is aan de er tegenover gelegen pool van de magneet 15d, dat wil zeggen de N- of de Z-pool van elk van de magneten 131 is gekeerd naar de Z- of N-pool van de magneet 15d.
Wanneer dus de houder 12 en het vasthoudorgaan ten opzichte van elkaar worden bewogen kunnen deze in een bepaalde positie magnetisch met elkaar tot ingrijping komen als gevolg van de aantrekkingskracht tussen de tegengestelde magneetpolen van de twee organen, waardoor het mogelijk wordt gemaakt de kettingleischijven
<EMI ID=21.1>
den.
Het is ook mogelijk dat een aantal permanente magneten 131 op onderlinge afstanden in de houdor 12 is aangebracht terwijl in elke tussenruimte een permanente magneet is gemonteerd die is gekeerd naar de in het vasthoudorgaan 15 opgenomen magneet 15d op een manier dat de. tegenover elkaar gelegen einde van beide magneten van dezelfde polariteit zijn, dat wil zeggen de N- of Z-pool van een tussengeplaatste permanente magneet is gekeerd naar de N- of Z-pool van de magneet 15d waardoor het vasthoudorgaan 15 ten opzichte van de houder 12 soepel kan worden verplaatst en daarmee tot ingrijping kan worden gebracht, zelfs al is de houder 12 vervaardigd van magnetisch materiaal van gering magnetisme. Ook in dit geval kunnen de houder 12 en het vasthoudorgaan 15 zijn aangebracht aan elk van de vier orga-nen: het bevestigingsorgaan 1, de verbindingsorganen 5 en 6 en het beweegbaar orgaan 9.
De houder 12 kan bijvoorbeeld zijn gemonteerd aan het bevestigingsorgaan 1 en het vasthoudorgaan 15 aan het beweeg-
<EMI ID=22.1>
baar orgaan 9 en het vasthoudorgaan 15 aan het bevestigingsorgaan 1
<EMI ID=23.1>
het beweegbaar orgaan 9 of het bevestigingsorgaan 1. Het komt dus hierop neer dat het voldoende is wanneer de houder 12 en het vasthoudorgaan 15 zijn gemonteerd aan twee ten opzichte van elkaar beweegbare organen zoals hierboven is beschreven.
"Derailleur"
The invention relates to a derailleur for a bicycle and relates in particular to a derailleur which can be operated in such a way that a drive chain can optionally be mounted on
one of a number of sprockets, each of these sprockets
has a different number of teeth and is part of the multi-speed transmission freewheel mounted on the hub of the bicycle's rear wheel so that the freewheel can be used in conjunction with the derailleur.
In conventional embodiments of this type of derailleur, as described and illustrated in British <EMI ID = 1.1>, which allows the derailleur to be attached to a bicycle, it is two parallel connecting members pivotally mounted to the mounting member, a movable member which ia performed with
<EMI ID = 2.1>
can press in one direction. The gear shifting by means of the derailleur can be carried out in such a way that control cables can be pulled by means of a control lever so that the movable member can make a swinging movement against the action of the force exerted by the return spring in or so that the movable member can be returned to an already occupied position by the force of the return spring, whereby the drive chain can be optionally arranged so that it extends from the chain guide pulleys to one of the sprockets of the multi-speed transmission serving freewheel.
With the conventional derailleur where use
<EMI ID = 3.1>
Not only is a large force required to change gears by pulling the control cables against the action of the return spring, but also the frictional resistance must be greater than the force applied by the return spring in order to keep the chain guide pulleys in the correct position. position after changing gear. In order to
<EMI ID = 4.1>
applied both in the direction of the force applied by the return spring and in the opposite direction.
Since the frictional resistance mentioned above, as described and illustrated in French Pat.
<EMI ID = 5.1>
derailleur and no mechanism for adjusting the chain guide discs is provided, the cyclist is obliged to select the correct position of the chain guide discs only by feeling when changing gears, and therefore occurs with the conventional derailleur problem for the drive chain not accurately in the shifting position
can be moved to another gear as required.
However, in U.S. Pat. Nos. 3,362 238 and No. 3 394 604, a structure is described and illustrated which
is provided with an operating lever or a lever holder which is designed with engagement openings the mutual distances of which correspond to the selected gear positions, while the control lever or the lever holder is provided with a ball that can be engaged with the engagement openings so that the chain guide discs after switching to a another gear can be held in the correct position again. In this case, the ball can be held in engagement with the respective selected mating hole in such a way that the derailleur can be mechanically held in the correct position required for a particular gear, which means that shifting to another gear can theoretically be done accurately. but since the derailleur through
control lever and control cables need to be operated, there may be times when excessive stretching of the control cable or contraction of the outer casing may cause the movable member to malfunction due to improper operation, which may cause the gear shifting cannot be performed accurately.
Particularly with this construction, it is not quite possible for a cyclist to adjust the derailleur correctly by means of the operating lever, with the result that it is not possible to bring the derailleur immediately into the correct position for the desired gear because fitting the drive chain in the desired position cannot be performed properly and vice versa, when this desired position is reached, it is difficult to adjust and maintain the derailleur in the position required for a particular gear.
The object of the invention is to solve the above-mentioned problems.
A primary object of the invention is to provide a derailleur that allows the drive chain to be kept tight at all times. <EMI ID = 6.1>
wheels can be transferred when changing gear.
Another object of the invention is to provide a derailleur with which the drive chain can be accurately transferred from one sprocket to the other at all times, despite overextension of a control cable or contraction of an outer casing in which the relevant control cable is received.
Another object of the invention is to provide a derailleur that can be operated by means of an operating lever to transfer the drive chain from one sprocket to another, whereby only a light pressure is required by the cyclist to operate the operating lever. exerted.
Yet another object of the invention is to provide a derailleur operable by means of an operating lever to transfer the drive chain from one sprocket to another without the need for a return spring.
Yet another object of the invention is to provide a derailleur which, after shifting to another gear, can be kept accurately in the position required for that gear, without having to exert frictional resistance on an operating lever.
The invention further has for the purpose of providing a derailleur constructed to provide an adjustment mechanism between two mutually movable members belonging to the four elementary members that make up the derailleur, namely a mounting member, two connecting members, and a movable member provided with chain guide discs, these two members being for example the
<EMI ID = 7.1>
the movable member and one of the two connecting members, or the one connecting member and the other disposed parallel to the first. The adjustment mechanism consists of a container having a plurality of engagement portions and a retaining member engageable therewith.
The invention will now be described with reference to the drawings, in which:
FIG. 1 is a front view of a derailleur according to the invention constructed so that the holder i3 is mounted to the mounting member and the retaining member to the movable member; Fig. 2 is a top view of the derailleur shown in Fig. 1; Fig. 3 is a bottom view of the derailleur shown in Figs. 1 and 2, in combination with a service mechanism comprising an operating lever, with parts cut away; FIG. 4 is a sectional view of a portion showing how the retainer and holder of the derailleur shown in FIG. 1 may be engaged with each other; Fig. 5 is a top view of the container thereof only;
FIG. 6 is a front view of a derailleur with the holder mounted to the movable member and the holding member to one of the two connecting members; FIG. 7 is a top view of the derailleur shown in FIG. 6; FIG. 8 is a perspective view of one of the connecting members of the derailleur shown in FIGS. 6 and 7; Fig. 9 is a cross-sectional view of this derailleur taken on line IX-IX in Fig. 7; Fig. 10 is a front view of a derailleur with the holder mounted on one link while the holder is mounted on the other link opposite the first; Fig. 11 is a top view of the derailleur shown in Fig. 10; <EMI ID = 8.1>
connecting members of the derailleur shown in Figures 10 and 11; FIG. 13 is a sectional view showing how the retainer member may engage the engagement portions of the derailleur shown in FIGS. 10 and 11; and Fig. 14 is a cross-sectional view of a portion of a modified embodiment showing how the retaining member may also engage the engagement portions provided on the container.
A derailleur according to the invention, as shown in Figs. 1 - 3, 6 - 7 and 10 - 11, basically consists of four members, namely a fastening member indicated by the reference numeral 1, two parallel connecting members 5 and 6, and a movable member 9. The fixing member 1 comprises a bracket 1a which can be attached to the end of the rear fork of a bicycle frame, not shown, in combination with a hub axle, also not shown, and a member 1b which can be attached by means of a pivot shaft
2 is mounted on the support 1a so that the member 1b is swinging
<EMI ID = 9.1>
can thus perform a limited pivotal movement with respect to the support 1a, but is mounted immovably with respect to the direction of movement of the movable member 9.
The member 1b is provided on one side with opposed nose portions to which two connecting members 5 and 6 are hingedly connected at one end by means of two pins 3 and 4.
The connectors 5 and 6, which are of equal length and both of C-shaped cross-sectional shape, are facing each other with their open sides and mounted opposite each other on the fastener member 1b. At the other ends of the connecting members, the movable member 9 is hingedly attached by means of pins 7 and 8.
The movable member 9 is very similar
<EMI ID = 10.1>
opposed nose portions between which the connecting members 5 and 6 are pivotally mounted by means of the pins 7 and 8 so that the assembly of the movable member and the two
<EMI ID = 11.1>
The cage 11 is mounted on the movable member 9, in which two chain guide discs 11a are arranged by means of a pivot shaft
10 which extends parallel to the pivot axis 2 so that the cages
11 can perform a swinging movement about the pivot axis 10, but only in a certain range.
The chain guide pulleys 11a serve to support a drive chain running over them, not shown, and can be moved in an axial direction relative to the multi-speed transmission freewheel, not shown, so that the drive chain can be moved and then moved. extends from the chain guide pulleys to a selected sprocket of the freewheel, whereby the drive chain can be engaged with that particular sprocket in order to shift to another gear.
The basic construction of the derailleur according to the invention is made as described above and it does not differ at all from existing constructions and therefore the description of the derailleur according to the invention can be based on what has been described above.
The object of the invention is to provide the derailleur constructed as described above with an adjustment mechanism, which will be described below, and which is arranged between two members which can move relative to each other when changing to another gear, namely between the fastening member. 1 and the movable member 9 or one of the connecting members 5 and 6, the movable member 9 and one of the connecting members
<EMI ID = 12.1>
between themselves. The adjusting mechanism is for selectively adjusting a correct position in which the chain guide discs 11a are to be held when changing gears, the adjusting mechanism being provided with a holder arranged with engagement portions 13 the number of which is equal to the number of gears. and a retainer 15 engageable with each of the engagement portions 13.
Now, with reference to FIGS. 1-5, a description will be given of a derailleur in which the holder 12 is mounted on the member 1b of the mounting member 1 and the retaining member 15 on the movable member 9.
In this embodiment, the container 12 is made of a piece of metal sheet which has a round hole at the base
12a and an elongated curved hole 12b. Through the hole 12a the pin 3 is arranged whereby the connector 5 is hingedly connected to the member 1b and can perform a swinging movement about the pin 3, while a threaded extension of the pin 4 extends through the hole 12b with a locknut 14 is screwed onto the extension in order to secure the container 12 to the member 1b of the fastener 9. The container 12 extends with the front end towards the movable member 9 to one end of the connecting members 5 and 6, the engagement portions 13 are located in the front end of the container 12.
The engagement portions, as can be seen in Fig. 4, mainly consist of a plurality of through-openings arranged at mutual distances corresponding to the magnitude of the movement of the retaining member 15 connected to the movable member 9 and passing through the retaining member. 15 in the path of movement which the retaining member 15 can follow must be carried out when changing gear. In this case, the openings are provided on one side with a dish-shaped recess so that each portion between two adjacent gelled openings is made in a chevron shape, so that when the retaining member 15 is on an inclined portion, the retaining member 15 is in an engagement portion 13. can slide in order to achieve a good engagement therewith.
The retaining member 15 engageable with the engagement portions 13, as seen in Fig. 1, is mounted on the movable member 9 and comprises a cylindrical holder 15a and a ball 15c received in and partially protruding outward.
the cylindrical holder 15a by the action of a coil spring 15b arranged in the cylindrical holder so that the ball 15c can be engaged with each of the engaging portions 13 and thus the engagement of the ball 15c with the engaging portions 13 can be maintained held by the action of the coil spring 15b, so that the movable member 9 cannot move easily on its own.
When the ball 15c is engaged with each of the engagement portions 13, it is necessary that the position of the chain guide pulleys 11a match the position of each sprocket of the multi-speed transmission freewheel.
Therefore, when the holder 12 is attached to the fastener member 1b, it must first make a swinging action.
<EMI ID = 13.1>
adjusted and then secured by tightening the nut 14.
The movable member 9 as described above can be pivoted by means of two control cables a and b in order to change to another gear. This operation will be described in detail below. In Fig. 3 it can be seen that the fastener member 1b is connected to an approximately triangular plate 16 which is provided at the top with a fixed pin 17 and at the base of a bent end 23 in which two holes 23a and 23b are provided. through which the two control cables extend.
Another plate 21 is hingedly connected to the movable member 9 by means of a pin 22 while the plate 21 is formed with a recess 18a provided in a fork end 18 which is located at the forward end of the plate, while two arms 19 and 20 extend approximately at right angles to the fork end and the arms having two flanged ends 19a and 20a for holding the ends of the control cables, respectively. To this end, the two control cables are arranged through the holes 23a and 23b while their ends are held by the folded ends 19a and 20a, allowing the movable plate 21 to be rotated in the position shown in Fig. 3 <EMI ID = 14.1>
so that the connector 5 can be brought into the position indicated in solid lines in FIG. 3, while its movement can be controlled by the cooperation of the recess 18a and the engaged pin 17.
The means for operating two operating cables a and b shown in Fig. 3 is arranged such that a winding member 30, where the operating cables are wound from opposite sides, can be turned by movement of an operating lever, either in the normal or the reverse direction. , in order to tighten one of the control cables a and b.
Now, the winding member 30, which has an operable portion for tightening the operating cables, will be described with reference to FIG.
The winding member 30 shown in Fig. 3 is freely rotatably mounted on a fixed shaft 32 protruding from a clamp band 31 fixed to the handlebars A of a bicycle, while on one side an operating lever 33 of given length extends radially.
The winding member 30 is provided with a cable guide groove
30a enclosing most of the outer circumference of the winding member 30, the cable guide groove 30a being provided at both ends
<EMI ID = 15.1>
executed parts which are respectively arranged at the ends of the control cables a and b.
Fig. 3 shows that, moreover, a fixed plate
34 is immovably connected to the clamping band 31 to hold an outer cable C to this plate while a sleeve 35 is disposed in the central hole of the winding member 30. The sleeve 35 is slightly longer than the axial length of the winding member 30 so that the winding member 30 is freely and easily rotatable around this bush. The bus
35 and washers, not shown, which butt together, are rigidly mounted to the fixed shaft 31 by means of a locking nut, not shown.
Thus, the winding member 30 is <EMI ID = 16.1> without any interruption
wherein only a very small force has to be exerted on the operating lever 33, while rotation of the operating lever 33 will pull one operating cable and release the other.
In addition to the embodiment described above, it is also possible to make simple use of a ball bearing functioning as a winding member 30 by using an outer race thereof. Also, instead of two operating cables, use can be made of only one operating cable which may be wrapped around the winding member.
<EMI ID = 17.1>
adjusting screw or the like.
With the construction described above, the gear shifting can be carried out such that one control cable a or b is pulled in order to move the movable member 9 whereby the drive chain can be brought onto one of the sprockets to enter the desired gear.
the retaining member 15 is simultaneously moved so that it is received in one of the engagement portions 13 corresponding to the desired gear position, so that the movable member 9, and thus also the chain guide discs 11a, can be brought into the correct position relative to a gear position. Selected sprocket of the multi-speed freewheel serving the transmission.
In this embodiment, the adjustment mechanism is arranged such that the holder 12 is mounted to the fastener member 1b and the retainer 15 to the movable member 9, but it is also possible for the holder 12 to be mounted as is.
as shown in FIGS. 6 and 7, is mounted on the movable member 9 while the retaining member 15 is mounted on an adjustment member 40 which can swing in conjunction with the connecting members 5 and
6.
In FIGS. 6 and 7 it can be seen that the holder 12 is integral with the movable member 9 and consists of a plate member extending with the front end towards the member 1b of the fastener and reaching the base of the connecting members 5 and 6. . At the front end of the container 12, a plurality of engagement portions 13 are provided which are spaced apart corresponding to the magnitude of the movement that the end portion must execute.
<EMI ID = 18.1>
thus, the end portion can move in a predetermined path when the movable member 9 performs a swinging movement. Both the engagement portions 13 and the retainer 15 are constructed in the same manner as in the above-described embodiment, but now the retainer 15, as seen in FIGS. 8 and 9, is mounted on the top surface of the adjuster 40.
The adjuster 40 is pivotally mounted at the base at one end of the connector 5, along its inner surface, by the pin 7 and is pushed with the forward end toward the vertical inner surface of the connector 5 at all times by means of a coil spring. 41. The front end of the adjusting member 40 is located at the fastener member 1b so that the position of the retaining member 15 corresponds to that of the engagement portions 13.
Also provided in the center of the adjusting member 40 is a threaded bore in which an adjusting bolt
42 is screwed so that its tip abuts against the vertical inner surface of the connector 5.
With the adjusting member 40, the retaining member 15 can be set in the correct position, whereby first the chain guide discs 11a, as in the embodiment described above, can be adjusted in a position corresponding to the position of
<EMI ID = 19.1> by allowing the engagement portions 13 to be set in the position required for each gear. When the adjusting bolt 42 is mounted on the adjusting member 40, as shown in Fig. 6, the head of the adjusting bolt 42 is in front of an elongated opening 6a provided in the vertical wall of the connecting member 6 so that the adjusting bolt 42 is The outside can be adjusted and, in addition, the adjustment bolt 42 may be attached to the connecting member 5 instead of the adjustment member 40.
In the construction described above, it is possible to mount the retaining member 15 on the member 1b of the fastening member and it is also possible, as shown in FIG.
10-12, mount the container 12 on the one connecting member 5 and the retaining member 15 on the other connecting member 6.
This latter construction will be described below. The container 12 is, as can be seen in FIGS. 11 and 12, such that the horizontal top wall 5a of the C-shaped cross-sectional shape connector 5 extends partially towards the opposite connector 6, and is front
<EMI ID = 20.1>
The embodiment described above, wherein these engagement portions are arranged in the extension of the top wall of connector 5, while if the top wall 5a were wide enough it could function as a container 12 itself. The retaining member 15, as in the embodiment described above, comprises a cylindrical container 15a and a ball 15c received therein which is pushed outward by means of a coil spring 15b. The retaining member 15, as seen in FIGS. 11 and 12, is attached to a horizontally located L-shaped member 50 which is hingedly connected by means of a pin 51 to the connecting member 6 which is opposite the connecting member 5 used as a container. 12 can serve.
The member 50 comprises a main body and an arm extending approximately at right angles from the top of the main body, this arm, as seen in FIGS. 12 and 13, being made of relatively thin sheet and being bent twice halfway. so that the retainer 15 can be brought above the top surface of the wall 5a of the connector 5. The retainer 15 is thus mounted upside down on the front end of the arm so that the cone
15c, as seen in FIG. 13, may engage with any of the engagement portions 13 by the ball 15c extending from the bottom of the arm.
In addition to the above-described manner of attaching the retaining member 15 to the connecting member 6, the retaining member 15 may also be mounted on an arm attached to the connecting member 6 or on an arm extending from the movable member 9.
In case the retaining member is mounted directly to the connecting member 6 or by means of a dedicated member 50, the relative movement that may take place between the connecting members 5 and 6 allows the retaining member 15 to be adjusted at will and also that any mutual distance between the engaging portions 13 is made smaller due to a small relative movement of the connecting members 5 and 6. Thus, when the retaining member 15 assumes a particular position, i.e., valid for each gear position, the ball 15c may be smoothly engaged with one of the engagement parts 13.
When the member 50 carrying the retaining member, as shown in Figs. 11 and 12, is hingedly connected to the connecting member 6 by means of the pin 51, a screw spring, see Fig. 11, is provided around the pin 51 so that the The main portion of the member 50 will at all times under pressure abut against the inner surface of the vertical wall of the connector 6 and an adjustment bolt 52 is also mounted in the vertical wall of the connector 6 which can be screwed forward or backward to secure the member 50 movable such that the retainer 15 can be freely and selectively brought into a position where the ball 15c can engage with each of the engagement portions
13,
whereby the chain guide pulleys 11a can be adjusted so that their position corresponds to the position of a selected sprocket of the multi-speed transmission freewheel, not shown.
To adjust the member 50 and thus the retaining member 15 to the correct position, first the chain guide discs 11a are adjusted, in the same manner as explained in the above-described embodiment, in the position corresponding to each sprocket of the multi-speed and for the transmission and then the adjustment bolt 52 can be screwed forward or backward to make the member 50 swing about the pin 51 so that the retaining member 15 can be brought into a desired position with the ball
15c can engage with any of the engagement portions 13 at the set position, e.g., the low gear.
It will be clear from the above description that the object of the invention is to use two control cables for shifting to another gear and to maintain the derailleur in a selected gear position by means of the adjusting mechanism provided therein. With such a derailleur it is therefore not necessary to use a return spring as with a conventional derailleur, nor does frictional resistance need to be generated on, for example, the side of the control member, so that with the derailleur according to the invention the control cables can be easily pulled by the derailleur. the winding member, that is to say the operating lever can be moved by applying only a small force.
In addition, the adjustment mechanism makes it possible
that the derailleur is accurately maintained in the desired gear position while being arranged between the static and the movable members in such a way that gear shifting can be performed accurately at all times, regardless of the occurrence of excessive extension of the control cables, with the result that no disturbances will occur because, for example
the drive chain is not properly engaged with a selected sprocket, so that the desired gear shifting can take place accurately at all times by means of the derailleur according to the invention.
In addition, the term "engagement portions" can be used as used in the above description. also means grooves instead of through holes as shown in FIGS. 4 and 13, it being sufficient that these engagement portions can engage the retaining member so that the engagement members can be replaced by permanent magnet members as shown in FIG. 14.
In this case, the ball 15c of the retaining member 15 has been replaced by a permanent magnet member 15d, a cylindrical holder 15a serving to support a columnar permanent magnet 15d protruding from the holder 15a with the N- or Z-pole while the holder 12 is provided with a plurality of columnar permanent magnets 131 arranged at mutual distances corresponding to those between the engagement portions 13 and each end of these magnets 131 facing the magnet 15d having a pole opposite to the opposite pole. of the magnet 15d, i.e. the N or the Z pole of each of the magnets 131 faces the Z or N pole of the magnet 15d.
Thus, when the holder 12 and the retaining member are moved relative to each other, they may magnetically engage each other in a certain position due to the attractive force between the opposite magnetic poles of the two members, thereby enabling the chain guide discs.
<EMI ID = 21.1>
Pine tree.
It is also possible for a plurality of permanent magnets 131 to be spaced apart in the retainer 12 with a permanent magnet mounted in each interspace which faces the magnet 15d received in the retainer 15 in a manner that the. opposite ends of both magnets are of the same polarity, i.e. the N or Z pole of an interposed permanent magnet faces the N or Z pole of the magnet 15d causing the retaining member 15 with respect to the container 12 can be moved smoothly and engaged therewith, even though the container 12 is made of magnetic material of low magnetism. Also in this case, the holder 12 and the retaining member 15 may be provided on each of the four members: the fastening member 1, the connecting members 5 and 6 and the movable member 9.
For example, the holder 12 may be mounted on the fastening member 1 and the holding member 15 on the moving
<EMI ID = 22.1>
member 9 and the retaining member 15 to the fastening member 1
<EMI ID = 23.1>
the movable member 9 or the fastening member 1. Thus, it comes down to the fact that it is sufficient for the holder 12 and the retaining member 15 to be mounted on two mutually movable members as described above.