BE832014A - Derailleur - Google Patents
DerailleurInfo
- Publication number
- BE832014A BE832014A BE7000684A BE7000684A BE832014A BE 832014 A BE832014 A BE 832014A BE 7000684 A BE7000684 A BE 7000684A BE 7000684 A BE7000684 A BE 7000684A BE 832014 A BE832014 A BE 832014A
- Authority
- BE
- Belgium
- Prior art keywords
- holder
- movable
- members
- retaining member
- derailleur according
- Prior art date
Links
- 238000004804 winding Methods 0.000 claims description 14
- 238000010516 chain-walking reaction Methods 0.000 claims description 3
- 210000000056 organ Anatomy 0.000 claims 1
- 230000005540 biological transmission Effects 0.000 description 7
- 238000010276 construction Methods 0.000 description 6
- 230000008602 contraction Effects 0.000 description 2
- 235000008331 Pinus X rigitaeda Nutrition 0.000 description 1
- 235000011613 Pinus brutia Nutrition 0.000 description 1
- 241000018646 Pinus brutia Species 0.000 description 1
- 230000004323 axial length Effects 0.000 description 1
- 239000000696 magnetic material Substances 0.000 description 1
- 230000005389 magnetism Effects 0.000 description 1
- 230000007257 malfunction Effects 0.000 description 1
- 230000013011 mating Effects 0.000 description 1
- 239000002184 metal Substances 0.000 description 1
- 230000003068 static effect Effects 0.000 description 1
Classifications
-
- B—PERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
- B62—LAND VEHICLES FOR TRAVELLING OTHERWISE THAN ON RAILS
- B62M—RIDER PROPULSION OF WHEELED VEHICLES OR SLEDGES; POWERED PROPULSION OF SLEDGES OR SINGLE-TRACK CYCLES; TRANSMISSIONS SPECIALLY ADAPTED FOR SUCH VEHICLES
- B62M25/00—Actuators for gearing speed-change mechanisms specially adapted for cycles
- B62M25/02—Actuators for gearing speed-change mechanisms specially adapted for cycles with mechanical transmitting systems, e.g. cables, levers
- B62M25/04—Actuators for gearing speed-change mechanisms specially adapted for cycles with mechanical transmitting systems, e.g. cables, levers hand actuated
-
- B—PERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
- B62—LAND VEHICLES FOR TRAVELLING OTHERWISE THAN ON RAILS
- B62M—RIDER PROPULSION OF WHEELED VEHICLES OR SLEDGES; POWERED PROPULSION OF SLEDGES OR SINGLE-TRACK CYCLES; TRANSMISSIONS SPECIALLY ADAPTED FOR SUCH VEHICLES
- B62M9/00—Transmissions characterised by use of an endless chain, belt, or the like
- B62M9/04—Transmissions characterised by use of an endless chain, belt, or the like of changeable ratio
- B62M9/06—Transmissions characterised by use of an endless chain, belt, or the like of changeable ratio using a single chain, belt, or the like
- B62M9/10—Transmissions characterised by use of an endless chain, belt, or the like of changeable ratio using a single chain, belt, or the like involving different-sized wheels, e.g. rear sprocket chain wheels selectively engaged by the chain, belt, or the like
- B62M9/12—Transmissions characterised by use of an endless chain, belt, or the like of changeable ratio using a single chain, belt, or the like involving different-sized wheels, e.g. rear sprocket chain wheels selectively engaged by the chain, belt, or the like the chain, belt, or the like being laterally shiftable, e.g. using a rear derailleur
- B62M9/121—Rear derailleurs
- B62M9/124—Mechanisms for shifting laterally
- B62M9/1244—Mechanisms for shifting laterally limiting or positioning the movement
Landscapes
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Chemical & Material Sciences (AREA)
- Combustion & Propulsion (AREA)
- Transportation (AREA)
- Mechanical Engineering (AREA)
- Transmission Devices (AREA)
Description
"Derailleur" De uitvinding heeft betrekking op een derailleur voor een fiets en betreft vooral een derailleur die zodanig kan worden bediend dat naar keuze een aandrijfketting kan vorden aangebracht op één van een aantal kettingwielen, waarbij elk van deze kettingwielen is uitgevoerd met een verschillend aantal tanden en deel uitmaakt van het voor meerdere versnellingen bestemde en voor de overbrenging dienende vrijwiel dat is gemonteerd op de naaf van het achterwiel van de fiets, zodat het vrijwiel in samenwerking met de derailleur kan worden gebruikt. Bij conventionele uitvoeringsvormen van dit soort derailleur is deze, zoals is beschreven en afgebeeld in de Britse <EMI ID=1.1> waarmee de derailleur aan een fiets kan worden bevestigd, twee evenwijdige verbindingsorganen die scharnierend aan het bevestigingaorgaan zijn gemonteerd, een beweegbaar orgaan dat ia uitgevoerd met <EMI ID=2.1> in één richting kan drukken. Het door middel van de derailleur overschakelen op een andere versnelling kan op zodanige manier worden uitgevoerd dat met behulp van een bedieningshefboom bedieningskabels kunnen worden aangetrokken zodat het beweegbare orgaan een zwaaiende beweging kan uitvoeren tegen de werking van de door de terugbrengveer uitgeoefende kracht in of zodat het beweegbare orgaan door de kracht van de terugbrengveer in een reeds eerder ingenomen positie kan worden teruggebracht, waardoor de aandrijfketting naar keuze zodanig kan worden aangebracht dat deze zich vanaf de kettingleischijven uitstrekt naar één van de kettingwielen van het voor meerdere versnellingen bestemde en voor de overbrenging dienende vrijwiel. Bij de conventionele derailleur waarbij gebruik <EMI ID=3.1> is niet alleen een grote kracht vereist voor het overschakelen op een andere versnelling door de bedieningskabels tegen de werking van de terugbrengveer in aan te trekken, maar tevens dient de wrijvingsweerstand ook sterker te zijn dan de door de terugbrengveer uitgeoefende kracht teneinde de kettingleischijven in de juiste positie te kunnen houden nadat op een andere versnelling is overgeschakeld. Ter be- <EMI ID=4.1> uitgeoefend, zowel in de richting van de door de terugbrengveer uitgeoefende kracht als tegen die richting in. Aangezien de hierboven genoemde wrijvingsweerstand, zoals is beschreven en afgebeeld in het Franse octrooischrift no. <EMI ID=5.1> derailleur en geen mechanisme voor het in de juiste positie brengen van de kettingleischijven is aangebracht, is de fietser, wanneer hij op een andere versnelling wil overschakelen, verplicht de juiste positie van de kettingleischijven alleen op het gevoel te kiezen en daardoor doet zich bij de conventionele derailleur het probleem voor dat de aandrijfketting niet nauwkeurig in de voor het overschakelen op een andere versnelling vereiste juiste positie kan worden gebracht. In de Amerikaanse octrooischriften no. 3 362 238 en no. 3 394 604 is echter een constructie beschreven en afgebeeld die is voorzien van een bedieningshefboom of een hefboomhouder welke is uitgevoerd met ingrijpopeningen waarvan de onderlinge afstanden overeenkomen met de gekozen versnellingsstanden terwijl de bedieningshefboom of de hefboomhouder is voorzien van een kogel die tot ingrijping kan worden gebracht met de ingrijpopeningen zodat de kettingleischijven na het overschakelen op een andere versnelling weer in de juiste positie kunnen worden gehouden. In dit geval kan de kogel op zodanige wijze met de betreffende gekozen ingrijpopening in ingrijping worden gehouden dat de derailleur mechanisch in de voor een bepaalde versnelling vereiste juiste positie kan worden vastgehouden, hetgeen inhoudt dat het overschakelen op een andere versnelling theoretisch nauwkeurig kan plaats hebben, maar aangezien de derailleur door middel van de bedieningshefboom en de bedieningkabels moet worden bediend, kan het voorkomen dat te grote uitrekking van de bedieningskabel of samentrekking van de buitenkabel er de oorzaak van is dat het beweegbaar orgaan als gevolg van onjuiste bediening niet goed werkt, hetgeen er aanleiding toe kan geven dat het overschakelen op een andere versnelling niet nauwkeurig kan worden uitgevoerd. Vooral bij deze constructie is het voor een fietser niet goed mogelijk door middel van de bedieningshefboom de derailleur op de juiste wijze in te stellen, met als gevolg dat het niet goed mogelijk is de derailleur meteen in de voor de gewenste versnelling juiste positie te brengen doordat het in de gewenste positie aanbrengen van de aandrijfketting niet goed kan worden uitgevoerd en omgekeerd, als deze gewenste positie wordt bereikt is het moeilijk de derailleur in de voor een bepaalde versnelling vereiste positie in te stellen en in die positie te houden. De uitvinding heeft ten doel de hierboven genoemde problemen op te lossen. Een voornaam doel van de uitvinding is het verschaffen van een derailleur waarmee de aandrijfketting ten allen tijde nauw- <EMI ID=6.1> wielen kan worden overgebracht wanneer op een andere versnelling wordt overgeschakeld. Een ander doel van de uitvinding is het verschaffen van een derailleur waarmee de aandrijfketting ten allen tijde nauwkeurig van het ene op het andere kettingwiel kan worden overgebracht, ondanks te grote uitrekking van een bedieningskabel of samentrekking van een buitenkabel waarin de betreffende bedieningskabel is opgenomen. Een ander doel van de uitvinding is het verschaffen van een derailleur die door middel van een bedieningshefboom kan worden bediend ter overbrenging van de aandrijfketting van het ene kettingwiel op een ander, waarbij ter bediening van de bedieningshefboom door de fietser maar een lichte druk behoeft te worden uitgeoefend. Nog een ander doel van de uitvinding is het verschaffen van een derailleur die door middel van een bedieningshefboom kan worden bediend ter overbrenging van de aandrijfketting van het ene kettingwiel op een ander, zonder dat daarvoor een terugbrengveer aanwezig is. Nog weer een ander doel van de uitvinding is het verschaffen van een derailleur die na het overschakelen op een andere versnelling nauwkeurig in de voor die versnelling vereiste positie kan worden gehouden, zonder dat daarvoor wrijvingsweerstand behoeft te worden uitgeoefend op een bedieningshefboom. De uitvinding heeft verder ten doe-1 het verschaffen van een derailleur die zodanig is geconstrueerd dat een instelmechanisme is verschaft tussen twee ten opzichte van elkaar beweegbare organen die behoren tot de vier elementaire organen waaruit de derailleur bestaat, namelijk een bevestigingsorgaan, twee verbindingsorganen en een beweegbaar orgaan dat is voorzien van kettingleischijven, waarbij deze twee organen bijvoorbeeld kunnen bestaan uit het <EMI ID=7.1> dingsorganen, het beweegbaar orgaan en één van de twee verbindingsorganen, of het ene verbindingsorgaan en het-andere dat evenwijdig aan het eerste is aangebracht. Het instelmechanisme bestaat uit een houder die is voorzien van een aantal ingrijpgedeelten en een vasthoudorgaan dat daarmee tot ingrijping kan worden gebracht. De uitvinding zal thans worden beschreven, onder verwijzing naar de tekening, waarin: Fig. 1 een vooraanzicht is van een derailleur volgens de uitvinding die zodanig is geconstrueerd dat de houder i3 gemonteerd aan het bevestigingsorgaan en het vasthoudorgaan aan het beweegbaar orgaan; fig. 2 is een bovenaanzicht van de in fig. 1 afgebeelde derailleur; fig. 3 is een onderaanzicht van de in fig. 1 en 2 afgebeelde derailleur, in combinatie met een dieningsmechanisme omvettende een bedieningshefboom, waarbij delen zijn weggenomen; fig. 4 is een dwarsdoorsnede van een gedeelte, waarin is te zien op welke manier het vasthoudorgaan en de houder van de in fig. 1 - afgebeelde derailleur met elkaar in ingrijping kunnen zijn; fig. 5 is een bovenaanzicht van alleen de houder daarvan; fig. 6 is een vooraanzicht van een derailleur waarvan de houder is gemonteerd aan het beweegbaar orgaan en het vasthoudorgaan aan één van de twee verbindingsorganen; fig. 7 is een bovenaanzicht van de in fig. 6 afgebeelde derailleur; fig. 8 is een aanzicht in perspectief van één van de verbindingsorganen van de in fig. 6 en 7 afgebeelde derailleur; fig. 9 is een dwarsdoorsnede van deze derailleur volgens lijn IX-IX in fig. 7; fig. 10 is een vooraanzicht van een derailleur waarvan de houder is gemonteerd aan het ene verbindingsorgaan terwijl het vasthoudorgaan is gemonteerd aan het andere verbindingsorgaan dat tegenover het eerste is gelegen; fig. 11 is een bovenaanzicht van de in fig. 10 afgebeelde derailleur; <EMI ID=8.1> verbindingsorganen van de in fig. 10 en 11 afgebeelde derailleur; fig. 13 is een doorsnede waarin is te zien op welke manier het vasthoudorgaan in ingrijping kan zijn met de ingrijpgedeelten van de in fig. 10 en 11 afgebeelde derailleur; en fig. 14 is een dwarsdoorsnede van een gedeelte van een gewijzigde uitvoeringsvorm waarin is te zien op welke manier het vasthoudorgaan ook in ingrijping kan zijn met de ingrijpgedeelten die zijn aangebracht aan de houder. Een derailleur volgens de uitvinding, zoals is afgebeeld in fig. 1 - 3, 6 - 7 en 10 - 11, bestaat in principe uit vier organen, namelijk een bevestigingsorgaan dat is aangegeven met het verwijzingscijfer 1, twee evenwijdige verbindingsorganen 5 en 6, en een beweegbaar orgaan 9. Het bevestigingsorgaan 1 omvat een steun 1a die kan worden bevestigd aan het einde van de achtervork van een fietsfreem, niet afgebeeld, in combinatie met een naafas, eveneens niet afgebeeld, en een orgaan 1b dat door middel van een scharnieras 2 aan de steun 1a is gemonteerd zodat het orgaan 1b een zwaaiende <EMI ID=9.1> kan dus wel een beperkte scharnierende beweging uitvoeren ten opzichte van de steun 1a, maar is onbeweegbaar gemonteerd wat betreft de bewegingsrichting van het beweegbare orgaan 9. Het orgaan 1b is aan de ene zijde voorzien van tegenover elkaar gelegen neusgedeelten waaraan twee verbindingsorganen 5 en 6 met het ene einde scharnierend zijn verbonden door middel van twee pennen 3 en 4. De verbindingsorganen 5 en 6, die van gelijke lengte zijn en beide een C-vormige dwarsdoorsnedevorm hebben zijn met de open zijden naar elkaar toegekeerd en tegenover elkaar gemonteerd aan het orgaan 1b van het bevestigingsorgaan. Aan de andere einden van de verbindingsorganen is het beweegbare orgaan 9 scharnierend bevestigd door middel van pennen 7 en 8. Het beweegbare orgaan 9 vertoont veel overeenkomst <EMI ID=10.1> tegenover elkaar gelegen neusgedeelten waartussen de verbindingsorga-nen 5 en 6 scharnierend zijn aangebracht door middel van de pennen 7 en 8 zodat het geheel van het beweegbaar orgaan en de twee verbin- <EMI ID=11.1> de van het beweegbaar orgaan 9 is gemonteerd kooi 11 waarin twee kettingleischijven 11a zijn aangebracht door middel van een scharnieras 10 die zich evenwijdig aan de scharnieras 2 uitstrekt zodat de kooien 11 een zwaaiende beweging om de scharnieras 10 kunnen uitvoeren, maar slechts in een bepaald bereik. De kettingleischijven 11a dienen ter ondersteuning van een daar overheen lopende aandrijfketting, niet afgebeeld, en kunnen in axiale richting worden bewogen ten opzichte van het voor meerdere versnellingen bestemde en voor de overbrenging dienende vrijwiel, niet afgebeeld, zodat de aandrijfketting kan worden verplaatst en zich dan gaat uitstrekken vanaf de kettingleischijven naar een gekozen kettingwiel van het vrijwiel, waardoor de aandrijfketting met dat bepaalde kettingwiel tot ingrijping kan worden gebracht teneinde op een andere versnelling over te kunnen schakelen. De basisconstructie van de derailleur volgens de uitvinding is uitgevoerd zoals hierboven is beschreven en deze verschilt in het geheel niet van reeds bestaande constructies en daarom kan bij de beschrijving van de derailleur volgens de uitvinding worden uitgegaan van hetgeen hierboven is beschreven. De uitvinding heeft ten doel de derailleur die is uitgevoerd zoals hierboven is beschreven te voorzien van een instelmechanisme dat verderop zal worden beschreven en dat is aangebracht tussen twee organen die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen wanneer wordt overgeschakeld op een andere versnelling, namelijk tussen het bevestigingsorgaan 1 en het beweegbaar orgaan 9 of één van de verbindingsorganen 5 en 6, het beweegbaar orgaan 9 en één van de ver- <EMI ID=12.1> onderling. Het instelmechanisme dient voor het naar keuze instellen van een juiste positie waarin de kettingleischijven 11a moeten worden gehouden wanneer op een andere versnelling wordt overgeschakeld, waarbij het instelmechanisme is voorzien van een houder die is uitgevoerd met ingrijpgedeelten 13 waarvan het aantal gelijk is aan het aantal versnellingen en een vasthoudorgaan 15 dat met elk van de ingrijpgedeelten 13 tot ingrijping kan worden gebracht. Thans zal onder verwijzing naar fig. 1 - 5 een beschrijving worden gegeven van een derailleur waarbij de houder 12 is gemonteerd aan het-orgaan 1b van het bevestigingsorgaan 1 en het vasthoudorgaan 15 aan het beweegbaar orgaan 9. Bij deze uitvoeringsvorm is de houder 12 vervaardigd van een stuk metaalplaat dat aan de basis is voorzien van een rond gat 12a en een langwerpig gebogen gat 12b. Door het gat 12a is de pen 3 aangebracht waardoor het verbindingsorgaan 5 scharnierend is verbonden aan orgaan 1b en een zwaaiende beweging om de pen 3 kan uitvoeren, terwijl een met schroefdraad uitgevoerd verlengstuk van de pen 4 zich uitstrekt door het gat 12b waarbij een borgmoer 14 op het verlengstuk is geschroefd teneinde de houder 12 te bevgstigen aan het orgaan 1b van het bevestigingsorgaan 9. De houder 12 strekt zich met het voorste einde naar het beweegbaar orgaan 9 uit tot aan het ene einde van de verbindingsorganen 5 en 6, waarbij de ingrijpgedeelten 13 zich bevinden in het voorste einde van de houder 12. De ingrijpgedeelten bestaan, zoals is te zien in fig. 4, voornamelijk uit een aantal doorgaande openingen die zijn aangebracht op onderlinge afstanden die overeenkomen met de grootte van de beweging van het vasthoudorgaan 15 dat aan het beweegbaar orgaan 9 is verbonden en die door het vasthoudorgaan 15 in de bewegingsbaan die het vasthoudorgaan 15 kan volgen moet worden uitgevoerd wanneer op een andere versnelling wordt overgeschakeld. In dit geval zijn de openingen aan één zijde van een schotelvormige uitsparing voorzien zodat elk gedeelte tussen twee naast elkaar gel�gen openingen in chevronvorm is uitgevoerd waardoor dus wanneer het vasthoudorgaan 15 zich op een hellend gedeelte bevindt het vasthoudorgaan 15 in een ingrijpgedeelte 13 kan schuiven teneinde daarmee tot een goede ingrijping te komen. Het vasthoudorgaan 15, dat tot ingrijping kan komen met de ingrijpgedeelten 13, is zoals in fig. 1 is te zien, gemonteerd aan het beweegbaar orgaan 9 en omvat een cilindrische houder 15a en een kogel 15c die is opgenomen in en gedeeltelijk uitsteekt buiten de cilindrische houder 15a door de werking van een schroefveer 15b die in de cilindrische houder is aangebracht zodat de kogel 15c tot ingrijping kan worden gebracht met elk van de ingrijpgedeelten 13 en waarbij dus de ingrijping van de kogel 15c met de ingrijpgedeelten 13 in stand kan worden gehouden door de werking van de schroefveer 15b, zodat het beweegbaar orgaan 9 niet gemakkelijk uit zichzelf kan gaan bewegen. Wanneer de kogel 15c in ingrijping is met elk van de ingrijpgedeelten 13 is het noodzakelijk dat de positie van de kettingleischijven 11a overeenkomt met de positie van elk kettingwiel van het voor meerdere snelheden bestemde en voor de overbrenging dienende vrijwiel. Daarom moet de houder 12, wanneer deze is bevestigd aan het orgaan 1b van het bevestigingsorgaan, eerst een zwaaiende be- <EMI ID=13.1> worden ingesteld en dan worden vastgezet door de moer 14 aan te draaien. Het beweegbaar orgaan 9 zoals hierboven is beschreven kan door middel van twee bedieningskabels a en b zwaaiend worden bewogen teneinde over te schakelen op een andere versnelling. Deze bediening zal verderop gedetailleerd worden beschreven. In fig. 3 is te zien dat het orgaan 1b van het bevestigingsorgaan is verbonden aan een ongeveer driehoekige plaat 16 die aan de top is voorzien van een vaste pen 17 en aan de basis van een omgezet einde 23 waarin twee gaten 23a en 23b zijn aangebracht waar doorheen de twee bedieningskabels zich uitstrekken. Een andere plaat 21 is scharnierend aan het beweegbaar orgaan 9 verbonden door middel van een pen 22 terwijl de plaat 21 is uitgevoerd met een uitsparing 18a die is aangebracht in een vorkeinde 18 dut zich aan het voorste einde van de plaat bevindt, terwijl twee armen 19 en 20 zich ongeveer onder een rechte hoek uitstrekken ten opzichte van het vorkeinde en waarbij de armen zijn voorzien van twee omgezette einden 19a en 20a ter vasthouding van respectievelijk de einden van de bedieningskabels. Daartoe zijn de twee bedieningskabels aangebracht door de gaten 23a en 23b terwijl de einden daarvan worden vastgehouden door de omgezette einden 19a en 20a, waardoor de beweegbare plaat 21 kan worden gedraaid in de in fig. 3 <EMI ID=14.1> te trekken zodat het verbindingsorgaan 5 kan worden gebracht in de positie die in fig. 3 met getrokken lijnen is aangegeven, terwijl de= ze beweging kan worden geregeld door de samenwerking van de uitsparing 18a en de daarmee in ingrijping zijnde pen 17. Het in fig. 3 afgebeelde middel ter bediening van twee bedieningskabele a en b is zodanig uitgevoerd dat een opwindorgaan 30, waar de bedieningskabels vanaf tegengestelde zijden op zijn gewonden, door beweging van een bedieningshefboom kan worden gedraaid, hetzij in de normale of de omgekeerde richting, teneinde één van de bedieningskabels a en b aan te trekken. Thans zal het opwindorgaan 30, dat is voorzien van een bedienbaar gedeelte teneinde de bedieningskabels te kunnen aantrekken, onder verwijzing naar fig. 3 worden beschreven. Het in fig. 3 afgebeelde opwindorgaan 30 is vrij draaibaar gemonteerd op een vaste as 32 die uitsteekt vanaf een klemband 31 die is vastgezet op het stuur A van een fiets, terwijl zich aan de ene zijde een bedieningshefboom 33 van gegeven lengte radiaal uitstrekt. Het opwindorgaan 30 is voorzien van een kabelleigroef 30a die het grootste deel van de buitenomtrek van het opwindorgaan 30 omsluit, waarbij de kabelleigroef 30a aan beide einden is voorzien <EMI ID=15.1> uitgevoerde gedeelten die respectievelijk zijn aangebracht aan de einden van de bedieningskabels a en b. In fig. 3 is te zien dat bovendien een vaste plaat 34 onbeweegbaar is verbonden aan de klemband 31 ter vasthouding van een buitenkabel C aan deze plaat terwijl een bus 35 is aangebracht in het centrale gat van het opwindorgaan 30. De bus 35 is iets langer uitgevoerd dan de axiale lengte van het opwindorgaan 30 zodat het opwindorgaan 30 vrij en gemakkelijk om deze bus draaibaar is. De bus 35 en onderlegringen, niet afgebeeld, die tegen elkaar aansluiten, zijn stijf op de vaste as 31 gemonteerd door middel van een opsluitmoer, niet afgebeeld. Het opwindorgaan 30 is dus zonder enige onderbreking <EMI ID=16.1> waarbij slechts een zeer geringe kracht op de bedieningshefboom 33 behoeft te worden uitgeoefend, terwijl door draaiing van de bedieningshefboom 33 de ene bedieningskabel zal worden aangetrokken en de andere zal worden gevierd. Naast de hierboven beschreven uitvoeringsvorm is het ook mogelijk eenvoudig gebruik te maken van-een als opwindorgaan 30 fungerend kogelleger door toepassing van een buitenloopvlak daarvan. Tevens kan in plaats van twee bedieningskabels gebruik worden gemaakt van slechts één bedieningskabel die om he' opwindorgaan 30 kan zijn <EMI ID=17.1> stelschroef of iets dergelijks. Met de hierboven beschreven constructie kan het overschakelen op een andere versnelling zodanig worden uitgevoerd dat één bedieningskabel a of b wordt aangetrokken teneinde het beweegbaar orgaan 9 te bewegen waardoor de aandrijfketting op één van de kettingwielen kan worden gebracht teneinde de gewenste versnelling in te schakelen, waarbij het vasthoudorgaan 15 tegelijkertijd wordt bewogen zodat dit wordt opgenomen in één van de ingrijpgedeelten 13 overeenkomende met de gewenste versnellingsstand, zodat het beweegbaar orgaan 9, en dus ook de kettingleischijven 11a, in de juiste positie kunnen worden gebracht ten opzichte van een gekozen kettingwiel van het voor meerdere snelheden bestemde en voor de overbrenging dienende vrijwiel. Bij deze uitvoeringsvorm is het instelmechanisme zodanig aangebracht dat de houder 12 is gemonteerd aan het orgaan 1b van het bevestigingsorgaan en het vasthoudorgaan 15 aan het beweegbaar orgaan 9, maar het is ook mogelijk dat de houder 12, zoals is te zien in fig. 6 en 7, is gemonteerd aan het beweegbaar orgaan 9 terwijl het vasthoudorgaan 15 is gemonteerd aan een instelorgaan 40 dat zwaaiend kan bewegen in combinatie met de verbindingsorganen 5 en 6. In fig. 6 en 7 is te zien dat de houder 12 één geheel vormt met het beweegbaar orgaan 9 en bestaat uit een plaatorgaan dat zich met het voorste einde uitstrekt naar het orgaan 1b van het bevestigingsorgaan en de basis van de verbindingsorganen 5 en 6 bereikt. Aan het voorste einde van de houder 12 zijn een aantal ingrijpgedeelten 13 aangebracht die op onderlinge afstanden zijn gelegen overeenkomende met de grootte van de beweging die het eindgedeelte moet uit- <EMI ID=18.1> eindgedeelte dus in een bepaalde baan kan bewegen wanneer het beweegbaar orgaan 9 een zwaaiende beweging uitvoert. Zowel de ingrijpgedeelten 13 en het vasthoudorgaan 15 zijn op dezelfde manier uitgevoerd als bij de hierboven beschreven uitvoeringsvorm, maar nu is het vasthoudorgaan 15, zoals in fig. 8 en 9 is te zien, gemonteerd aan het bovenoppervlak van het instelorgaan 40. Het instelorgaan 40 is aan de basis scharnierend gemonteerd aan het ene einde van het verbindingsorgaan 5, langs het binnenoppervlak daarvan, door de pen 7 en wordt met het voorste einde ten allen tijde naar het vertikale binnenoppervlak van het verbindingsorgaan 5 gedrukt door middel van een schroefveer 41. Het voorste einde van het instelorgaan 40 bevindt zich bij het orgaan 1b van het bevestigingsorgaan zodat de positie van het vasthoudorgaan 15 overeenkomt met die van de ingrijpgedeelten 13. Tevens is in het midden van het instelorgaan 40 een van schroefdraad voorziene boring aangebracht waarin een instelbout 42 is geschroefd zodat de punt hiervan aansluit tegen het vertikale binnenoppervlak van het verbindingsorgaan 5. Met het instelorgaan 40 kan het vasthoudorgaan 15 in de juiste positie worden ingesteld waarbij eerst de kettingleischijven 11a, net als bij de hierboven beschreven uitvoeringsvorm, kunnen worden ingesteld in een positie overeenkomende met de positie van <EMI ID=19.1> door het mogelijk wordt gemaakt dat de ingrijpgedeelten 13 worden ingesteld in de voor elke versnelling vereiste positie. Wanneer de instelbout 42 aan het instelorgaan 40 is gemonteerd, zoals is te zien in fig. 6, bevindt de kop van de instelbout 42 zich voor een langwerpige opening 6a die is aangebracht in de vertikale wand van het verbindingsorgaan 6 zodat de instelbout 42 vanaf de buitenkant kan worden ingesteld en bovendien kan de instelbout 42 zijn bevestigd aan het verbindingsorgaan 5 in plaats van aan het instelorgaan 40. Bij de hierboven beschreven constructie is het mogelijk het vasthoudorgaan 15 aan te brengen aan het orgaan 1b van het bevestigingsorgaan en ook is het mogelijk, zoals is te zien in fig. 10 - 12, de houder 12 te monteren aan het ene verbindingsorgaan 5 en het vasthoudorgaan 15 aan het andere verbindingsorgaan 6. Deze laatste constructie zal verderop worden beschreven. De houder 12 is, zoals is te zien in fig. 11 en 12, zodanig uitgevoerd dat de horizontale bovenwand 5a van het met C-vormige dwarsdoorsnedevorm uitgevoerde verbindingsorgaan 5 zich gedeeltelijk uitstrekt naar het er tegenover gelegen verbindingsorgaan 6, en is voor- <EMI ID=20.1> hierboven beschreven uitvoeringsvorm, waarbij deze ingrijpgedeelten zijn aangebracht in het verlengstuk van de bovenwand van verbindingsorgaan 5, terwijl indien de bovenwand 5a breed genoeg zou zijn deze zelf als houder 12 zou kunnen fungeren. Het vasthoudorgaan 15 omvat, net als bij de hierboven beschreven uitvoeringsvorm, een cilindrische houder 15a en een daarin opgenomen kogel 15c die naar buiten wordt gedrukt door middel van een schroefveer 15b. Het vasthoudorgaan 15 is, zoals is te zien in fig. 11 en 12, bevestigd aan een horizontaal gelegen L-vormig orgaan 50 dat door middel van een pen 51 scharnierend is verbonden aan het verbindingsorgaan 6 dat is gelegen tegenover het verbindingsorgaan 5 dat als houder 12 dienst kan doen. Het orgaan 50 omvat een hoofddeel en een arm die zich ongeveer onder een rechte hoek uitstrekt vanaf de bovenkant van het hoofddeel, waarbij deze arm, zoals is te zien in fig. 12 en 13, is vervaardigd van betrekkelijk dun plaat en halverwege tweemaal is omgezet zodat het vasthoudorgaan 15 kan worden gebracht boven het bovenoppervlak van de wand 5a van het verbindingsorgaan 5. Het vasthoudorgaan 15 is dus onderste boven op het voorste einde van de arm bevestigd zodat de kegel 15c, zoals is te zien in fig. 13, tot ingrijping kan komen met elk van de ingrijpgedeelten 13 doordat de kogel 15c aan de onderkant van de arm uitsteekt. Naast de hierboven beschreven wijze van bevestiging van het vasthoudorgaan 15 aan het verbindingsorgaan 6 kan het vasthoudorgaan 15 ook worden gemonteerd aan een arm die aan het verbindingsorgaan 6 is bevestigd of aan een arm die zich vanaf het beweegbaar orgaan 9 uitstrekt. Ingeval het vasthoudorgaan rechtstreeks aan het verbindingsorgaan 6 is gemonteerd of door middel van een daarvoor bestemd orgaan 50, is het door de relatieve beweging die tussen de verbindingsorganen 5 en 6 kan plaats hebben mogelijk dat het vasthoudorgaan 15 naar keuze wordt ingesteld en ook dat elke onderlinge afstand tussen de ingrijpgedeelten 13 kleiner wordt gemaakt in verband met een kleine relatieve beweging van de verbindingsorganen 5 en 6. Wanneer het vasthoudorgaan 15 dus een bepaalde positie inneemt, dat wil zeggen geldend voor elke versnellingsstand, kan de kogel 15c soepel in ingrijping zijn met één van de ingrijpgedeelten 13. Wanneer het orgaan 50 dat het vasthoudorgaan draagt, zoals is afgebeeld in fig. 11 en 12, scharnierend is verbonden aan het verbindingsorgaan 6 door middel van de pen 51, is een schroef veer, zie fig. 11, aangebracht rond de pen 51 zodat het hoofddeel van het orgaan 50 ten allen tijde onder druk zal aansluiten tegen het binnenoppervlak van de vertikale wand van het verbindingsorgaan 6 waarbij tevens een instelbout 52 is gemonteerd in de vertikale wand van het verbindingsorgaan 6 die voor- of achterwaarts kan worden geschroefd teneinde het orgaan 50 zodanig te kunnen bewegen dat het vasthoudorgaan 15 vrij en naar keuze kan worden gebracht in een positie waarbij de kogel 15c tot ingrijping kan komen met elk van de ingrijpgedeelten 13, waardoor de kettingleischijven 11a zodanig kunnen worden ingesteld dat de positie ervan overeenkomt met de positie van een gekozen kettingwiel van het voor meerdere snelheden bestemde en voor de overbrenging dienende vrijwiel, niet afgebeeld. Voor het in de juiste positie instellen van het orgaan 50 en dus ook het vasthoudorgaan 15 worden eerst de kettingleischijven 11a ingesteld, op dezelfde manier als bij de hierboven beschreven uitvoeringsvorm is uiteengezet, in de positie die overeenkomt met elk kettingwiel van het voor meerdere snelheden en voor de overbrenging bedoelde vrijwiel en vervolgens kan de instelbout 52 voor- of achterwaarts worden geschroefd teneinde het orgaan 50 een zwaaiende beweging om de pen 51 te laten maken zodat het vasthoudorgaan 15 kan worden gebracht in een gewenste positie waarbij de kogel 15c tot ingrijping kan komen met elk van de ingrijpgedeelten 13 bij de ingestelde positie, bijvcorbeeld.de lage versnelling. Uit bovenstaande beschrijving zal duidelijk zijn dat de uitvinding ten doel heeft twee bedieningskabels toe te passen voor het overschakelen op een andere versnelling en de derailleur in een gekozen ver�nellingsstand te houden door middel van het daarin aangebrachte instelmechanisme. Bij een dergelijke derailleur is het dus niet nodig gebruik te maken van een terugbrengveer zoals bij een conventionele derailleur en evenmin behoeft wrijvingsweerstand te worden opgewekt op bijvoorbeeld de zijkant van het bedieningsorgaan, zodat bij de derailleur volgens de uitvinding de bedieningskabels gemakkelijk kunnen worden aangetrokken door het opwindorgaan te draaien, dat wil zeggen de bedieningshefboom kan al worden bewogen door uitoefening van een slechts geringe kracht. Bovendien maakt het instelmechanisme het mogelijk dat de derailleur nauwkeurig in de gewenste versnellingsstand wordt gehouden terwijl het zodanig tussen de statische en de beweegbare organen is aangebracht dat het overschakelen op een andere versnelling ten allen tijde nauwkeurig kan worden uitgevoerd, ongeacht het optreden van een al te grote verlenging van de bedieningskabels, met als gevolg dat geen storingen zullen optreden doordat bijvoorbeeld de aandrijfketting niet goed tot ingrijping wordt gebracht met een gekozen kettingwiel, zodat dus het gewenste overschakelen op een andere versnelling ten allen tijde nauwkeurig kan plaats hebben door middel van de derailleur volgens de uitvinding. Bovendien kunnen onder de term "ingrijpgedeelten" zo-als die in bovenstaande beschrijving wordt gebruikt. ook groeven worden verstaan in plaats van doorgaande gaten zoals in fig. 4 en 13 zijn afgebeeld, waarbij het voldoende is dat deze ingrijpgedeelten tot ingrijping kunnen komen met het vasthoudorgaan, zodat de ingrijporganen kunnen worden vervangen door permanente magneetorganen zoals is te zien in fig. 14. In dit geval is de kogel 15c van het vasthoudorgaan 15 vervangen door een permanent magneetorgaan 15d, waarbij een cilindrische houder 15a dient ter ondersteuning van een kolomvormige permanente magneet 15d die met de N- of de Z-pool uit de houder 15a steekt terwijl de houder 12 is voorzien van een aantal kolomvormige permanente magneten 131 die zijn aangebracht op onderlinge afstanden overeenkomende met die tussen de ingrijpgedeelten 13 en waarbij elk einde van deze magneten 131 dat naar de magneet 15d is gekeerd een pool bevat die tegengesteld is aan de er tegenover gelegen pool van de magneet 15d, dat wil zeggen de N- of de Z-pool van elk van de magneten 131 is gekeerd naar de Z- of N-pool van de magneet 15d. Wanneer dus de houder 12 en het vasthoudorgaan ten opzichte van elkaar worden bewogen kunnen deze in een bepaalde positie magnetisch met elkaar tot ingrijping komen als gevolg van de aantrekkingskracht tussen de tegengestelde magneetpolen van de twee organen, waardoor het mogelijk wordt gemaakt de kettingleischijven <EMI ID=21.1> den. Het is ook mogelijk dat een aantal permanente magneten 131 op onderlinge afstanden in de houdor 12 is aangebracht terwijl in elke tussenruimte een permanente magneet is gemonteerd die is gekeerd naar de in het vasthoudorgaan 15 opgenomen magneet 15d op een manier dat de. tegenover elkaar gelegen einde van beide magneten van dezelfde polariteit zijn, dat wil zeggen de N- of Z-pool van een tussengeplaatste permanente magneet is gekeerd naar de N- of Z-pool van de magneet 15d waardoor het vasthoudorgaan 15 ten opzichte van de houder 12 soepel kan worden verplaatst en daarmee tot ingrijping kan worden gebracht, zelfs al is de houder 12 vervaardigd van magnetisch materiaal van gering magnetisme. Ook in dit geval kunnen de houder 12 en het vasthoudorgaan 15 zijn aangebracht aan elk van de vier orga-nen: het bevestigingsorgaan 1, de verbindingsorganen 5 en 6 en het beweegbaar orgaan 9. De houder 12 kan bijvoorbeeld zijn gemonteerd aan het bevestigingsorgaan 1 en het vasthoudorgaan 15 aan het beweeg- <EMI ID=22.1> baar orgaan 9 en het vasthoudorgaan 15 aan het bevestigingsorgaan 1 <EMI ID=23.1> het beweegbaar orgaan 9 of het bevestigingsorgaan 1. Het komt dus hierop neer dat het voldoende is wanneer de houder 12 en het vasthoudorgaan 15 zijn gemonteerd aan twee ten opzichte van elkaar beweegbare organen zoals hierboven is beschreven.
Claims (1)
- C 0 N C L U S I E <EMI ID=24.1>1. Derailleur voor een fiets waarmee op een andere versnelling kan worden overgeschakeld door het aantrekken van bedieningskabels teneinde daardoor kooien te bewegen en een aandrijfkettingdie over twee kettingleischijven loopt in een gewenste positie te kunnen brengen, gekenmerkt door vier organen, namelijk een bevestigingsorgaan, twee evenwijdige verbindingaorganen die met het ene einde scharnierend aan het bevestigingsorgaan zijn gemonteerd en ten opzichte daarvan een zwaaiende beweging kunnen uitvoeren en een beweegbaar orgaan dat scharnierend aan de vrije einden van de verbin-<EMI ID=25.1>dat is aangebracht tussen twee organen die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen tussen de vier hierboven genoemde organen, waarbij het beweegbaar orgaan een zwaaiende beweging kan uitvoeren ten opzichte van het bevestigingsorgaan door middel van de twee verbindingsorganen en is voorzien van de kooien die zijn uitgevoerd met twee kettingleischijven die vrij draaibaar zijn, terwijl het instelmechanisme bestaat uit een houder die is voorzien van een aantal ingrijpgedeelten en een vasthoudorgaan dat naar keuze tot ingrijping kan worden gebracht met elk van de ingrijpgedeelten.2. Derailleur volgens conclusie 1, gekenmerkt doordat de houder van het instelmechanisme is aangebracht aan het bevestigingsorgaan terwijl het vasthoudorgaan is gemonteerd aan een orgaan dat ten opzichte van het bevestigingsorgaan kan bewegen.3. Derailleur volgens conclusie 2, gekenmerkt doordat het vasthoudorgaan van het instelmechanisme is aangebracht aan het beweegbaar orgaan.4. Derailleur volgens conclusie 2, gekenmerkt doordat het vasthoudorgaan van het instelmechanisme is aangebracht aan één van de verbindingsorganen.5. Derailleur volgens conclusie 2, gekenmerkt doordat de houder is gevormd van een plaat en zich met het voorste einde naar het beweegbaar orgaan uitstrekt, terwijl dit voorste einde van de.houder is voorzien van een aantal ingrijpgedeelten waarmee het vast-houdorgaan respectievelijk tot ingrijping kan worden gebracht, waarbij de ingrijpgedeelten op onderlinge afstanden zijn aangebracht volgens de bewegingsbaan waarin het orgaan waaraan het vasthoudorgaan is gemonteerd kan bewegen, dat wil zeggen een zwaaiende beweging ten opzichte van het bevestigingsorgaan.6. Derailleur volgens conclusie 1, gekenmerkt doordat de houder van het instelmechanisme is aangebracht aan het beweegbaar orgaan terwijl het vasthoudorgaan ie gemonteerd aan een orgaan dat ten opzichte van het beweegbaar orgaan kan bewegen.7. Derailleur volgens conclusie 6, gekenmerkt doordat het vasthoudorgaan van het instelmechanisme is aangebracht aan het bevestigingsorgaan.8. Derailleur volgens conclusie 6, gekenmerkt doordat het vasthoudorgaan van het instelmechanisme is aangebracht aan één van de verbindingsorganen.9. Derailleur volgens conclusie 6, gekenmerkt doordat de houder is gevormd van een plaat en zich met het voorste einde naar het bevestigingsorgaan uitstrekt, terwijl het voorste einde van de houder is voorzien van een aantal ingrijpgedeelten waarmee het vasthoudorgaan respectievelijk tot ingrijping kan worden gebracht, waarbij de ingrijpgedeelten op onderlinge afstanden zijn aangebracht volgens de bewegingsbaan waarin het orgaan waaraan het vasthoudorgaan is gemonteerd kan bewegen, dat wil zeggen een zwaaiende beweging ten opzichte van het beweegbaar orgaan.10. Derailleur volgens conclusie 1, gekenmerkt doordat de houder van het instelmechanisme is aangebracht aan één van de verbindingsorganen terwijl het vasthoudorgaan is gemonteerd aan een orgaan dat kan bewegen ten opzichte van het betreffende verbindingsorgaan waaraan de houder is aangebracht.11. Derailleur volgens conclusie 10, gekenmerkt doordat het vasthoudorgaan van het instelmechanisme is gemonteerd aan het andere verbindingsorgaan dat is gelegen tegenover het verbindingsorgaan waaraan de houder is aangebracht.12. Derailleur'volgens conclusie 10, gekenmerkt doordat het vasthoudorgaan van het instelmechanisme is gemonteerd aan het <EMI ID=26.1>bevestigingsorgaan!13. Derailleur volgens conclusie 10, gekenmerkt doordat het vasthoudorgaan van het instelmechanisme is gemonteerd aan het beweegbaar orgaan.14. Derailleur volgens conclusie 10, gekenmerkt doordat de houder is gevormd van een gedeelte dat horizontaal en rechthoekig ten opzichte van het ene verbindingsorgaan is omgezet terwijl het vasthoudorgaan is gemonteerd aan een draagorgaan dat is aangebracht aan het andere verbindingsorgaan dat is gelegen tegenover het verbin-<EMI ID=27.1>een schroefveer die de kogel naar de houder drukt.16. Derailleur volgens conclusie 1, gekenmerkt doordatde ingrijpgedeelten die in de houder van het instelmechanisme zijn aangebracht zijn uitgevoerd in de vorm van schotelvormige uitsparingen, waarbij deze uitsparingen met elkaar zijn verbonden door chevronhellingen die aflopen naar elke uitsparing.17. Derailleur volgens conclusie 1, gekenmerkt doordatde ingrijpgedeelten die in de houder van het instelmechanisme zijn aangebracht respectievelijk zijn gevormd van een permanent magneetorgaan terwijl het vasthoudorgaan dat met de ingrijpgedeelten tot ingrijping kan worden gebracht is gevormd van een permanent magneetorgaan, waarbij de plaatsing zodanig ia dat tegengestelde polen naar elkaar toe zijn gekeerd.18. Derailleur volgens conclusie 17, gekenmerkt doordat in elke tussenruimte tussen de in de houder aangebrachte permanente magneetorganen een permanent magneetorgaan is aangebracht, waarbij de plaatsing van deze tussenliggende magneetorganen zodanig is, dat,ten opzichte van het in het vasthoudorgaan aange�rachte permanente magneetorgaan, gelijke polen naar elkaar toe zijn gekeerd.19. Derailleur voor een fiets waarmee op een andere versnelling kan worden overgeschakeld door het aantrekken van bedieningskabels teneinde daardoor kooien te bewegen en een aandrijfketting die over twee kettingleischijven loopt in een gewenste positie te kunnen brengen, gekenmerkt door vier organen, namelijk een bevestigingsorgaan, twee evenwijdige verbindingsorganen die met het ene einde scharnierend aan het bevestigingsorgaan zijn gemonteerd en ten opzichte daarvan een zwaaiende beweging kunnen uitvoeren en een beweegbaar orgaan dat scharnierend aan de vrije einden van de verbindingsorganen is gemonteerd, en een instelmechanisme voor de kooien dat is aangebracht tussen twee organen die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen en behoren tot de vier hierboven genoemde organen,waarbij het beweegbaar orgaan een zwaaiende beweging kan uitvoeren ten opzichte van het bevestigingsorgaan door middel van de evenwijdige verbindingsorganen en is voorzien van de kooien die zijn uitgevoerd met twee kettingleischijven, terwijl het instelmechanisme bestaat uiteen houder die is voorzien van een aantal ingrijpgedeelten en een vasthoudorgaan dat naar keuze tot ingrijping kan worden gebracht met elk van de ingrijpgedeelten, terwijl tenminste één van beide, de houder en het vasthoudorgaan, zwaaiend beweegbaar is gemonteerd aan één van de vier organen, zodat de houder in de juiste positie ten opzichte van het vasthoudorgaan kan worden ingesteld.<EMI ID=28.1>de houder van het instelnechanisme scharnierend is gemonteerd aan één van de vier organen en zwaaiend kan bewegen ten opzichte van het vasthoudorgaan zodat de houder in de juiste positie kan worden ingesteld ten opzichte van het vasthoudorgaan en aan dat orgaan in de ingestelde positie kan worden vastgezet door middel van een bevestigingsmiddel.21. Derailleur volgens conclusie 19, gekenmerkt doordat het vasthoudorgaan van het instelmechanisme scharnierend is gemonteerd aan één van de vier organen zodat dit kan bewegen en in de juiste positie ten opzichte van de houder kan worden ingesteld en aan dat orgaan in de ingestelde positie kan worden vastgezet door middel van een bevestigingsmiddel.22. Derailleur volgens conclusie 21, gekenmerkt doordat het vasthoudorgaan is gemonteerd aan een instelorgaan dat tegenover één van de verbindingsorganen is gelegen, waarbij dit instelorgaan scharnierend beweegbaar aan dit verbindingsorgaan is gemonteerd en is voorzien van een instelbout waarmee het instelorgaan in de juiste positie ten opzichte van de houder kan worden ingesteld en in vaste positie ten opzichte van het betreffende verbindingsorgaan kan worden gehouden.23. Derailleur voor een fiets waarmee op een andere versnelling kan worden overgeschakeld door het aantrkken van bedieningskabels teneinde daardoor kooien te bewegen en een aandrijfketting die over twee kettingleischijven loopt in een gewenste positie te kunnen brengen, gekenmerkt door vier organen, namelijk een bev.estigingsorgaan, twee evenwijdige verbindingsorganen die met het ene einde scharnierend aan het bevestigingsorgaan zijn gemonteerd en ten opzichte daarvan een zwaaiende beweging kunnen uitvoeren en een beweegbaar orgaan dat scharnierend aan de vrije einde van de verbindingorganen is gemonteerd, en een instelmechanisme voor kooien en een bedieningsmechanisme, waarbij het instelmechanisme is aangebracht tussen twee organen die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen en behoren tot de vier hierboven genoemde organen,zodat het beweegbaar orgaan een zwaaiende beweging kan uitvoeren ten opzichte van het bevestigingsorgaan door middel van de evenwijdige verbindingsorganen en waarbij de kooien zijn voorzien van twee kettingleischijven, terwijl het bedieningsmechanisme is uitgevoerd met twee bedieningskabels,een beweegbare plaat die is voorzien van twee armen waardoor de einden van de bedieningskabels respectievelijk kunnen worden vastgehouden en een plaat die tegenover de beweegbare plaat aan het bevestigingsorgaan is vastgezet en dient ter geleiding van de bedieningskabels.24. Derailleur volgens conclusie 23, gekenmerkt doordat de plaat ter geleiding van de bedieningskabels is voorzien van een pen terwijl de beweegbare plaat is uitgevoerd met een vorkeinde ter verschaffing van een uitsparing waarin de pen in ingrijping is zodat de beweegbare plaat kan worden gedraaid terwijl deze draaiende beweging kan worden geregeld door de samenwerking van de uitsparing en de pen.25. Derailleur volgens conclusie 23, gekenmerkt doordat<EMI ID=29.1> de bedieningskabels op kunnen worden gewonden en een hoofddeel voor het doen draaien van het opwindorgaan, zodat het opwindorgaan gemakkelijk kan worden gedraaid in zowel de normale richting als in omgekeerde richting.26. Detailleur voor een fiets, voorzien van vier delen, t.w. een bevestigingsorgaan, twee evenwijdige verbindingsorganen zwaaiend beweegbaar en scharnierend bevestigd aan het bevestigingsorgaan en een beweegbaar orgaan scharnierbaar verbonden met elk der vrije einden van de verbindingsorganen en voorzien van kooien met kettingleiwielen daartussen, en geschikt om het beweegbaar orgaanen de kettingleiwielen te laten verplaatsen door het aantrkken van twee bedieningskabels teneinde de fietssnelheid te wijzigen, methet kenmerk, dat een instelmechanisme voor de kettingleiwielen aanwezig is tussen twee organen, welke ten opzichte van elkaar beweegbaar zijn tussen de genoemde vier delen, welk instelmechanisme voorzien is van een houder met een groot aantal ingrijpgedeelten en een vasthoudorgaan dat naar keuze tot ingrijping kan worden gebracht met elk der ingrijpgedeelten.27. Derailleur volgens conclusie 26, met het kenmerk,dat tenminste een van de genoemde houder en vasthoudorgaan zwaaiend beweegbaar bevestigd is aan een van de vier delen, waardoor het mogelijk is de houder en het vasthoudorgaan in hun onderlinge stand ten opzichte van elkaar in te stellen.28. Derailleur volgens conclusie 26, met het kenmerk, dat een bedieningsmechanisme voor het verplaatsen van het beweegbare orgaan aanwezig is tussen dat beweegbare orgaan en het bevestigingsorgaan relatief verplaatsbaar daarmee, welk bedieningsmechanisme is voorzien van twee bedieningskabels, een verschuivingsplaat scharnierbaar bevestigd aan het beweegbare orgaan en een leiplaat met gaten voor het inbrengbaar arreteren van de kabels.
Applications Claiming Priority (1)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| JP8931474A JPS5118045A (ja) | 1974-08-03 | 1974-08-03 | Gaisohensokuki |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| BE832014A true BE832014A (nl) | 1975-11-17 |
Family
ID=13967193
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| BE7000684A BE832014A (nl) | 1974-08-03 | 1975-07-31 | Derailleur |
Country Status (2)
| Country | Link |
|---|---|
| JP (1) | JPS5118045A (nl) |
| BE (1) | BE832014A (nl) |
Families Citing this family (2)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| JPS5332537A (en) * | 1976-09-03 | 1978-03-27 | Shimano Industrial Co | External transmission |
| JPS5811676Y2 (ja) * | 1979-10-31 | 1983-03-04 | 株式会社シマノ | 外装変速機 |
Family Cites Families (1)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| IT965346B (it) * | 1971-09-16 | 1974-01-31 | Mathauser W | Perfezionamento nei cambi di velocita azionati idraulicamente per biciclette e simili |
-
1974
- 1974-08-03 JP JP8931474A patent/JPS5118045A/ja active Pending
-
1975
- 1975-07-31 BE BE7000684A patent/BE832014A/nl not_active IP Right Cessation
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| JPS5118045A (ja) | 1976-02-13 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| US3974707A (en) | Derailleur for a bicycle | |
| US5688200A (en) | Linear bicycle derailleur | |
| US10858067B2 (en) | Bicycle rear derailleur | |
| US4025138A (en) | Progressive slide assemblies | |
| US4127038A (en) | Sprocket shift assembly | |
| CN106741556B (zh) | 一种具有附加旋转阻力功能的后拨链器及阻力施加方法 | |
| JP6351433B2 (ja) | スプール制動装置および魚釣用リール | |
| US4132119A (en) | Derailleur for a bicycle | |
| US5073152A (en) | Bicycle transmission | |
| EP0551412A1 (en) | TRANSMISSION FOR BICYCLE. | |
| US3442148A (en) | Change speed control device | |
| FR2502101A1 (fr) | Changement de vitesse au pedalier des cycles et vehicules similaires | |
| CA1230759A (en) | Derailer mechanism | |
| US4696662A (en) | Variable-speed drive unit | |
| TW201233586A (en) | Low profile rear derailleur | |
| BE832014A (nl) | Derailleur | |
| GB2352644A (en) | Magnetic resistance device for exercise machine | |
| EP0459921B1 (fr) | Dispositif d'affichage | |
| US4343613A (en) | Derailler system | |
| FR2558280A1 (fr) | Dispositif de commande simultanee de deux pieces oscillantes telles que des volets d'un ensemble de climatisation de vehicule automobile | |
| US4283069A (en) | Multiple speed bicycle drive | |
| US4274828A (en) | Derailleur gear-change assembly for a bicycle | |
| US4205558A (en) | Method and means for mounting and controlling change speed gears at the rear wheel and the crank-wheel of a bicycle or similar vehicle | |
| FR2532608A1 (fr) | Derailleur avant de bicyclette a largeur de fourchette variable | |
| JPS6023266Y2 (ja) | 自転車用デイレ−ラ− |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| RE | Patent lapsed |
Owner name: SHIMANO INDUSTRIAL CY LTD Effective date: 19840731 |