NL2005403C2 - Inrichting en werkwijze voor het aanbrengen van een kraakband bij het plaatsen van glas in een kozijn. - Google Patents

Inrichting en werkwijze voor het aanbrengen van een kraakband bij het plaatsen van glas in een kozijn. Download PDF

Info

Publication number
NL2005403C2
NL2005403C2 NL2005403A NL2005403A NL2005403C2 NL 2005403 C2 NL2005403 C2 NL 2005403C2 NL 2005403 A NL2005403 A NL 2005403A NL 2005403 A NL2005403 A NL 2005403A NL 2005403 C2 NL2005403 C2 NL 2005403C2
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
cracking
tape
frame
guide
cracking tape
Prior art date
Application number
NL2005403A
Other languages
English (en)
Inventor
Normen Martin Beek
Original Assignee
Normen Martin Beek
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Normen Martin Beek filed Critical Normen Martin Beek
Priority to NL2005403A priority Critical patent/NL2005403C2/nl
Application granted granted Critical
Publication of NL2005403C2 publication Critical patent/NL2005403C2/nl

Links

Classifications

    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B65CONVEYING; PACKING; STORING; HANDLING THIN OR FILAMENTARY MATERIAL
    • B65HHANDLING THIN OR FILAMENTARY MATERIAL, e.g. SHEETS, WEBS, CABLES
    • B65H37/00Article or web delivery apparatus incorporating devices for performing specified auxiliary operations
    • B65H37/002Web delivery apparatus, the web serving as support for articles, material or another web
    • B65H37/005Hand-held apparatus

Landscapes

  • Adhesive Tape Dispensing Devices (AREA)

Description

Inrichting en werkwijze voor het aanbrengen van een kraakband bij het plaatsen van glas in een kozijn
De uitvinding heeft betrekking op een inrichting voor het aanbrengen van een 5 kraakband bij het plaatsen van glas in een kozijn. De uitvinding betreft tevens een werkwijze daarvoor.
Het is bekend glasplaten in kozijnen te plaatsen. Een kozijn vormt een kader voor een glasplaat. De glasplaat wordt geplaatst in het kozijn. Het kozijn is meestal rechthoekig. De glasplaat wordt van een zijde in het kozijn geplaatst. Daarbij kan 10 tussen de glasplaat en het kozijn een zogenaamde kraakband worden geplaatst, bijvoorbeeld een foamband. Soorten kraakband staan ook bekend als PH band of PD band. De glasplaat kan vervolgens op zijn plaats worden vastgezet met één of een aantal deklatten, welke aan het kozijn worden bevestigd en de glasplaat vastzetten tussen het kozijn en de deklat(ten). Daarbij kan ook tussen de glasplaat en de 15 deklat(ten) een zogenaamde kraakband worden geplaatst, bijvoorbeeld een foamband. Bij het plaatsen van een glasplaat in een houten kozijn legt het Bouwbesluit in Nederland de verplichting op om dergelijke kraakbanden te gebruiken. De kraakbanden zorgen ervoor dat de glasplaat niet vrij kan bewegen tussen het kozijn en de deklatten. De kraakbanden zijn enigszins veerkrachtig, waardoor kleine veranderingen in 20 afmetingen bijv. ten gevolge van temperatuurveranderingen of de werking van het houten kozijn, kunnen worden opgevangen zonder schadelijke spanningen te introduceren in de glasplaat.
Het is bekend om de kraakband met de hand op een betreffend aanbrengvlak van het kozijn of de deklat aan te brengen. Het Bouwbesluit vereist dat de kraakband op een 25 afstand van ten minste 4 millimeter vanaf de rand van het kozijn, danwel de deklat, wordt aangebracht over de volle lengte van het kozijn resp. de deklat. In de praktijk blijkt het lastig om aan deze eis te voldoen tijdens het aanbrengen van de kraakband: typisch varieert de afstand van de kraakband tot de rand tussen de 3 en 5 millimeter wanneer deze met de hand is aangebracht. Hoewel het aanbrengen nauwkeuriger zou 30 kunnen gebeuren, is de daarvoor benodigde langere tijd veelal niet beschikbaar, en wordt daarom de afwijking voor lief genomen. Het is derhalve een wens op de positionering van de kraakband te verbeteren, bijvoorbeeld door nauwkeuriger te positioneren en/of door sneller te kunnen positioneren.
2
Het is een doel van de uitvinding om het aanbrengen van de kraakband te verbeteren, en in het bijzonder om de positionering van de kraakband op het kozijn of op de deklat te verbeteren.
Dit doel wordt bereikt doordat een nieuw element wordt verschaft, namelijk een 5 inrichting voor het aanbrengen van een kraakband op een aanbrengvlak van een kozijn of een deklat, welk kozijn of deklat verder een zijvlak omvat welk zijvlak zich vanaf een rand van het aanbrengvlak in hoofdzaak loodrecht vanaf het aanbrengvlak uitstrekt, waarbij de inrichting omvat: - een opneemelement voor het ontvangen van de kraakband en het toevoeren 10 van de kraakband naar het aanbrengvlak, welk opneemelement is voorzien van een eerste langsgeleiding voor de kraakband; en - een geleidingselement met een geleidingsvlak ingericht om, tijdens gebruik, langs het zijvlak te worden bewogen; waarbij de eerste langsgeleiding evenwijdig aan en op een eerste afstand van het 15 geleidingsvlak is gepositioneerd.
Hiermee kan op eenvoudige wijze een goede positionering van een kraakband op het kozijn en/of op de deklat worden bereikt. Tijdens gebruik kan de kraakband worden ontvangen met een zijkant van de kraakband tegen de eerste langsgeleiding, en aldus naar een goed bepaalde positie op het aanbrengvlak worden gevoerd, wanneer het 20 geleidingselement langs het zijvlak wordt bewogen..
In een uitvoeringsvorm is de eerste langsgeleiding in hoofdzaak van het geleidingsvlak afgekeerd. De eerste langsgeleiding geleidt aldus tijdens gebruik de naar het geleidingsvlak toegekeerde zijkant van de kraakband. Hierdoor wordt tijdens gebruik de positie van de naar het geleidingsvlak toegekeerde zijkant van de kraakband 25 gecontroleerd, en daarmee de afstand tussen de op het aanbrengvlak aangebrachte kraakband en de rand.
Volgens een alternatieve uitvoeringsvorm is de eerste langsgeleiding in hoofdzaak naar het geleidingsvlak toe gekeerd. De eerste langsgeleiding geleidt aldus tijdens gebruik de van het geleidingsvlak afgekeerde zijkant van de kraakband.
30 Hierdoor wordt op alternatieve wijze de positie van de op het aanbrengvlak aangebrachte kraakband gecontroleerd.
Volgens een uitvoeringsvorm is het opneemelement voorzien van een tweede langsgeleiding voor de kraakband, welke tweede langsgeleiding evenwijdig aan de 3 eerste langsgeleiding ligt en naar de eerste langsgeleiding is toegekeerd. Het opneemelement is aldus ingericht voor het ontvangen van de kraakband tussen de eerste en de tweede langsgeleiding, waarmee een nog verdere verbeterde positionering kan worden bereikt. De afstand tussen de eerste en de tweede langsgeleiding is bij 5 voorkeur een fractie groter dan de breedte van de aan te brengen kraakband, zodat de kraakband er precies in past. De eerste langsgeleiding en de tweede langsgeleiding kunnen zijn gevormd door respectievelijke zijwanden van een verdieping.
Volgens een uitvoeringsvorm omvat de inrichting verder een afstandselement welk zich uitstrekt van het geleidingsvlak van het geleidingselement tot de eerste 10 langsgeleiding van het opneemelement over de eerste afstand. Het afstandselement kan aldus de kraakband op een afstand van de rand worden gehouden.
Tijdens gebruik kan met de inrichting volgens bovenstaande uitvoeringsvormen een tweede afstand op het aanbrengvlak worden gedefinieerd tussen de rand en de aangebrachte kraakband. Wanneer de eerste langsgeleiding in hoofdzaak van het 15 geleidingsvlak is afgekeerd correspondeert deze tweede afstand correspondeert in hoofdzaak met de eerste afstand. De eerste afstand is dan bij voorkeur een fractie groter dan de vereiste afstand tussen de rand en de op het aanbrengvlak aangebrachte kraakband. Bijvoorbeeld kan de eerste afstand 4,2 mm zijn, zodat de tweede afstand voldoet aan de eis van het Bouwbesluit dat deze minimaal 4,0 mm bedraagt en daarbij 20 ook nog een kleine marge toelaat voor het opvangen van eventuele verstoringen op het zijvlak tijdens het bewegen van het geleidingselement daarvan. Volgens een uitvoeringsvorm is de eerste afstand ten minste 2,5% groter is dan een door regelgeving bepaalde minimale afstand tussen een op het aanbrengvlak aangebrachte kraakband en de rand van het aanbrengvlak, en waarbij de eerste afstand bij voorkeur ten hoogste 25 10% groter is dan de regelgeving bepaalde minimale afstand. De eerste afstand kan bijvoorbeeld 5% van de door regelgeving bepaalde minimale afstand zijn.. Waar de relevante regelgeving het eerder genoemde Bouwbesluit, ten minste 2,5% groter dan de minimale afstand van 4,0 mm bepaald door het Bouwbesluit, en bij voorkeur tussen 4,1 en 4,5 mm, bijvoorbeeld 4,2 mm.
30 Wanneer de eerste langsgeleiding in hoofdzaak naar het geleidingsvlak is toegekeerd correspondeert deze tweede afstand in hoofdzaak met het verschil van de eerste afstand en de breedte van de kraakband, hierna de verschilafstand genoemd. De eerste afstand is dan bij voorkeur een fractie groter dan de som van de breedte van de 4 kraakband en de vereiste afstand tussen de rand en de op het aanbrengvlak aangebrachte kraakband. Volgens een uitvoeringsvorm is de eerste afstand dan de som van de breedte van de kraakband en een verschilafstand welke ten minste 2,5% groter is dan een door regelgeving bepaalde minimale afstand tussen een op het aanbrengvlak 5 aangebrachte kraakband en de rand van het aanbrengvlak, en welke verschilafstand bij voorkeur ten hoogste 10% groter is dan de regelgeving bepaalde minimale afstand.
Volgens een uitvoeringsvorm omvat de inrichting verder een omwentelingssymmetrisch element met een hartlijn loodrecht op het geleidingsvlak en voorzien van een eerste radiaal vlak langs de buitenomtrek van het 10 omwentelingssymmetrisch element welke de eerste langsgeleiding vormt. Met het omwentelingssymmetrisch element wordt de toevoeren van de in het opneemelement ontvangen kraakband naar het aanbrengvlak op eenvoudige wijze gerealiseerd. Het omwentelingssymmetrisch element wordt hierin verder ook aangeduid met de term wiel. Bijvoorbeeld kan het wiel de kraakband door middel van wrijvingscontact over 15 een deel van een omwenteling van het wiel verplaatsen van een eerste omwentelingspositie waarop de kraakband in het opneemelement is opgenomen tot een tweede omwentelingspositie waar deze naar toe wordt gevoerd om bijvoorbeeld in contact te komen met het aanbrengvlak. Het eerste radiaal vlak kan hierbij op elke omwentelingspositie de kraakband geleiden en aldus naar het aanbrengvlak toevoeren 20 zonder dat de kraakband verschuift in tangentiële richting langs het omwentelingssymmetrisch element
Volgens een uitvoeringsvorm is het omwentelingssymmetrisch element verder voorzien van een tweede radiaal vlak langs de buitenomtrek van het omwentelingssymmetrisch element welke de tweede langsgeleiding vormt. Het eerste 25 en tweede radiale vlak vormen aldus bijvoorbeeld een ringvormige verdieping langs de buitenomtrek van omwentelingssymmetrisch element.
Volgens een uitvoeringsvorm is het omwentelingssymmetrisch element draaibaar rond de hartlijn en is het omwentelingssymmetrisch element ingericht voor het ontvangen van de kraakband op een eerste omwentelingspositie en het toevoeren 30 van de in het opneemelement ontvangen kraakband naar het aanbrengvlak op een tweede omwentelingspositie, verschillend van de eerste omwentelingspositie. Hiermee wordt de kraakband door de inrichting naar het aanbrengvlak gevoerd.
5
Volgens een uitvoeringsvorm is de inrichting ngericht voor het ontvangen van een samenstel van een kraakband voorzien van een plaklaag en een losmaakbaar op de plaklaag aangebrachte beschermfolie, en is de inrichting verder voorzien van een scheidingselement voor het scheiden van een beschermfolie van de kraakband voorzien 5 van de plaklaag. De plaklaag maakt het mogelijk om de kraakband bijvoorbeeld zonder verdere lijm en bijvoorbeeld zonder warmtebehandeling aan te brengen op het aanbrengvlak. De beschermfolie kan zorgen voor afscherming van de plaklaag bijvoorbeeld wanneer de kraakband wordt toegevoerd. De beschermfolie kan het mogelijk maken om de kraakband met plaklaag op een rol aan te leveren. De kraakband 10 is aldus makkelijk hanteerbaar. De plaklaag kan ook worden aangeduid met de term hechtlaag.
Volgens een verdere uitvoeringsvorm is de inrichting ingericht om bij het toevoeren van de in het opneemelement ontvangen kraakband naar het aanbrengvlak tevens de plaklaag van de kraakband in contact te brengen met het aanbrengvlak. Aldus 15 kan de kraakband stevig op eenvoudige wijze stevig op het aanbrengvlak worden aangebracht.
Een uitvoeringsvorm voorziet in een inrichting waarbij het scheidingselement is ingericht om de beschermfolie van de kraakband voorzien van de plaklaag te scheiden wanneer het samenstel in de inrichting is ontvangen. Het scheidingselement zorgt er 20 aldus voor dat de kraakband van de beschermfolie wordt ontdaan, terwijl de beschermfolie de kraakband en de plaklaag beschermt zolang het samenstel zich buiten de inrichting bevindt.
In een verdere uitvoeringsvorm is het scheidingselement ingericht om op een derde omwentelingspositie de beschermfolie van de kraakband voorzien van de 25 plaklaag te scheiden waarbij de derde omwentelingspositie zich tussen de eerste omwentelingspositie en de tweede omwentelingspositie bevindt. Het scheidingselement zorgt er aldus voor dat de kraakband van de beschermfolie wordt ontdaan terwijl de kraakband door het opneemelement is opgenomen, zodat de kraakband vrij is van de beschermfolie wanneer de kraakband naar het aanbrengvlak is toegevoerd.
30 Opneemelement en scheidingselement kunnen hierbij zijn ingericht om in samenwerking de beschermfolie van de kraakband te scheiden. In een alternatieve uitvoeringsvorm is het scheidingselement ingericht om op een derde omwentelingspositie de beschermfolie van de kraakband voorzien van de plaklaag te 6 scheiden waarbij de derde omwentelingspositie in hoofdzaak correspondeert met de eerste omwentelingspositie. Het scheidingselement zorgt er aldus voor dat de kraakband van de beschermfolie wordt ontdaan terwijl de kraakband door het opneemelement wordt opgenomen.
5 Een alternatieve verdere uitvoeringsvorm voorziet in een inrichting waarbij het scheidingselement is ingericht om de beschermfolie van de kraakband voorzien van de plaklaag te scheiden voordat het omwentelingssymmetrisch element de kraakband ontvangt. Het scheidingselement zorgt er aldus voor dat de kraakband van de beschermfolie wordt ontdaan nog voordat de kraakband in het opneemelement is 10 opgenomen, zodat de kraakband daarna vrij is van de beschermfolie.
Volgens een uitvoeringsvorm is de inrichting verder voorzien van een aandrukmiddel voor het aandrukken van de naar het aanbrengvlak toegevoerde kraakband op het aandrukvlak. Met het aandrukmiddel kan aldus de verbinding tussen de kraakband en het aandrukvlak worden verstevigd. Het aandrukmiddel kan een 15 sleepelement zijn welk tijdens gebruik glijdend over de aangebrachte kraakband wordt bewogen.
Volgens een uitvoeringsvorm strekt het geleidingselement zich vrij uit tot voorbij de eerste langsgeleiding, gezien in de richting van het geleidingsvlak. Hiermee kan het geleidingselement ongehinderd langs het zijvlak van het kozijn of van de deklat 20 worden geleid.
Volgens een verdere uitvoeringsvorm is het geleidingselement uitgevoerd als een arm welke zich, tijdens gebruik, tot voorbij het aanbrengvlak en evenwijdig aan het zijvlak uitstrekt.. Volgens een andere uitvoeringsvorm is het geleidingselement uitgevoerd als een in hoofdzaak schijf vormig element, zoals een ronde of ovale schijf, 25 welke zich tijdens gebruik, tot voorbij het aanbrengvlak en evenwijdig aan het zijvlak uitstrekt. De genoemde vormen kunnen relatief eenvoudig te hanteren en/of te vervaardigen zijn.
Volgens een uitvoeringsvorm is de inrichting verder voorzien van een handvat gevormd om met de hand beetgepakt te worden. Een gebruiker kan aldus met de hand, 30 zonder dat het gebruik van verdere gereedschappen noodzakelijk is, de kraakband aanbrengen op het kozijn of op de deklat. Dit kan tevens gebruik op locatie, dat wil zeggen ter plekke van het kozijn waarop de kraakband wordt aangebracht, vergemakkelijken.
7
De uitvinding heeft tevens betrekking op een werkwijze voor het aanbrengen van een kraakband, in het bijzonder bij het plaatsen van glas in een kozijn.
Volgens een uitvoeringsvorm omvat de werkwijze het verschaffen van een kraakband en een kozijn en het daarop aanbrengen van een kraakband met een 5 inrichting volgens de uitvinding. Hierdoor treedt een aanzienlijke besparing op omdat met de inrichting op een eenvoudige wijze een goede positionering wordt bereikt.
Een uitvoeringsvorm voorziet in een werkwijze voor het aanbrengen van een kraakband op een aanbrengvlak van een kozijn of een deklat, welk kozijn of deklat verder een zijvlak omvat welk zijvlak zich vanaf een rand van het aanbrengvlak in 10 hoofdzaak loodrecht vanaf het aanbrengvlak uitstrekt, waarbij de werkwijze omvat: - het verschaffen van een kraakband; - het verschaffen van een kozijn of een deklat met een aanbrengvlak en een zijvlak omvat welk zijvlak zich vanaf een rand van het aanbrengvlak in hoofdzaak loodrecht vanaf het aanbrengvlak uitstrekt; 15 - het bewegen van een inrichting volgens een uitvoeringsvorm met het geleidingsvlak van het geleidingselement van de inrichting langs het zijvlak, en - terwijl de inrichting wordt bewogen: — het ontvangen van de kraakband tegen een eerste langsgeleiding in het opneemelement, waarbij de eerste langsgeleiding evenwijdig aan en op een 20 eerste afstand van het geleidingsvlak is gepositioneerd; — het toevoeren van de in het opneemelement ontvangen kraakband naar het aanbrengvlak.
Aldus wordt met een eenvoudige handeling, namelijk bet bewegen van de inrichting terwijl deze wordt geleid langs het zijvlak en het bewegingsvlak, de kraakband op een 25 goed gedefinieerde tweede afstand van de rand aangebracht. De tweede afstand wordt in hoofdzaak bepaald door de eerste afstand, en correspondeert bij voorkeur in hoofdzaak met de eerste afstand.
Volgens een uitvoeringsvorm van de werkwijze, waarbij de inrichting een scheidingselement omvat, omvat de werkwijze verder, terwijl de inrichting wordt 30 bewogen: - het ontvangen van een samenstel van een kraakband voorzien van een plaklaag en een losmaakbaar op de plaklaag aangebrachte beschermfolie, 8 - het scheiden van een beschermfolie van de kraakband voorzien van de plaklaag middels het scheidingselement.
Een verdere uitvoeringsvorm voorziet in een werkwijze waarbij het toevoeren van de in het opneemelement ontvangen kraakband naar het aanbrengvlak tevens het in 5 contact brengen van de plaklaag van de kraakband met het aanbrengvlak omvat.
Een uitvoeringsvorm voorziet in een werkwijze, waarbij de inrichting een aandrukmiddel omvat en de werkwijze verder het, terwijl de inrichting wordt bewogen, aandrukken van de naar het aanbrengvlak toegevoerde kraakband op het aandrukvlak middels het aandrukmiddel omvat.
10 Volgens een uitvoeringsvorm is de kraakband een foamband. Een foamband heeft een geschikte flexibiliteit voor gebruik met een inrichting volgens de uitvinding. De foamband kan van een bekende soort zijn, zodat deze eenvoudig en/of goedkoop verkrijgbaar is.
De uitvinding heeft tevens betrekking op een werkwijze het plaatsen van glas in 15 een kozijn.
Een uitvoeringsvorm voorziet in een werkwijze voor het plaatsen van een glasplaat in een kozijn, welke werkwijze omvat: - het aanbrengen van een kraakband op een aanbrengvlak van een kozijn, welk kozijn verder een zijvlak omvat welk zijvlak zich vanaf een rand van het aanbrengvlak 20 in hoofdzaak loodrecht vanaf het aanbrengvlak uitstrekt volgens een van de boven beschreven uitvoeringsvormen; - nadat de kraakband is aangebracht op het een aanbrengvlak van het kozijn: het plaatsen van de glasplaat in het kozijn; en - nadat de glasplaat is geplaatst in het kozijn: het vastzetten van de glasplaat in 25 het kozijn door het vastzetten van een deklat aan het kozijn met een bevestigingsmiddel. Aldus de kraakband tussen kozijn en glasplaat op verbeterde wijze aangebracht op een, door de goed gedefinieerde positie, welke in hoofdzaak correspondeert met de eerste afstand tussen het opneemelement en het geleidingselement.
30 Volgens een verdere uitvoeringsvorm omvat de werkwijze verder: - het aanbrengen van een kraakband op een aanbrengvlak van de deklat, welke deklat verder een zijvlak omvat welk zijvlak zich vanaf een rand van het aanbrengvlak 9 in hoofdzaak loodrecht vanaf het aanbrengvlak uitstrekt volgens een van de boven beschreven uitvoeringsvormen; en waarbij het vastzetten van de glasplaat in het kozijn door het vastzetten van de deklat aan het kozijn met het bevestigingsmiddel wordt uitgevoerd nadat de kraakband 5 is aangebracht op het aanbrengvlak van de deklat. Aldus wordt tevens de kraakband tussen glaslat en glasplaat op verbeterde wijze aangebracht.
Alhoewel de uitvinding zal worden beschreven aan de hand van voorkeursuitvoeringsvormen, zal duidelijk zijn dat binnen het kader van de uitvinding diverse uitvoeringsvormen mogelijk zijn. Alhoewel de uitvinding beschreven is aan de 10 hand van de huidige conclusies, zal duidelijk zijn dat het onderwerp van bescherming elke (combinatie van) maatregel(-en) kan zijn die in deze beschrijving wordt aangehaald. De vakman is in staat maatregelen en vermelde voordelen, en zelfs ongenoemde voordelen, te combineren.
In de tekening toont: 15 Figuur 1 een glasplaat in een kozijn;
Figuur 2 schematisch een detail van een inrichting volgens een uitvoeringsvorm;
Figuur 3 schematisch een inrichting volgens een uitvoeringsvorm;
Figuur 4 schematisch een inrichting volgens een uitvoeringsvorm tijdens 20 gebruik;
Figuur 5 schematisch een inrichting en een werkwijze volgens een uitvoeringsvorm tijdens gebruik.
Figuur 1 toont een glasplaat 3 in een kozijn 2, in het bijzonder een houten kozijn. De glasplaat 2 is vastgezet in het kozijn 3 met een deklat 4 welke met een 25 bevestigingsmiddel 16 is vastgezet in het kozijn 3. In het getoonde voorbeeld is het bevestigingsmiddel 16 een spijker, maar evenzo kan een schroef, een lijmverbinding of een ander bevestigingsmiddel worden gebruikt. Tussen de glasplaat 2 en het kozijn 3 bevindt zich een eerste kraakband 10 welke met een plaklaag 11 op een aanbrengvlak 5 van het kozijn 3 is aangebracht voordat de glasplaat 2 in het kozijn 3 is geplaatst.
30 Tussen de glasplaat 2 en de deklat 4 bevindt zich een tweede kraakband 14 welke met een respectievelijke plaklaag 15 op een respectievelijk aanbrengvlak 17 op de deklat 4 is aangebracht voordat de deklat 3 is geplaatst. In het gebied waar kozijn 2, glasplaat 3 en eerste kraakband 10 samenkomen is verder een afdichting 12 aangebracht. Evenzo 10 kan in het gebied waar deklat 4, glasplaat 3 en tweede kraakband 14 samenkomen een afdichting zijn aangebracht (niet getoond).
Figuur 1 toont verder dat het kozijn 2 een zijvlak 6 heeft welke zich in hoofdzaak loodrecht vanaf een rand 7 van het aanbrengvlak 5 van het kozijn 2 uitstrekt.
5 De eerste kraakband 10 bevindt zich op een afstand Dl vanaf de rand 7 van het kozijn 2. Volgens het Bouwbesluit dient de eerste kraakband 10 zich op minstens een afstand van 4 mm van de rand 12 te bevinden. Wanneer de kraakband 10 echter met de hand is aangebracht volgens bekende technieken wordt niet altijd aan deze eis voldaan.
Figuur 1 toont verder dat het de deklat 4 een zijvlak 18 heeft welke zich in 10 hoofdzaak loodrecht vanaf een rand 19 van het aanbrengvlak 17 van de deklat 4 uitstrekt. De tweede kraakband 14 bevindt zich op een afstand D2 vanaf de rand 18 van de deklat 4. Wanneer de tweede kraakband 14 met de hand is aangebracht volgens bekende technieken, wijkt de afstand D2 veelal af van een gewenste afstand en kan de afstand D2 variëren over de lengte van de deklat 4.
15 Volgens een uitvoeringsvorm van de uitvinding zijn de afstanden Dl en D2 goed gedefinieerd doordat bij het aanbrengen van de eerste kraakband 10 en de tweede kraakband 14 een inrichting 1 volgens de uitvinding is gebruikt welke hieronder beschreven wordt.
Aan de hand van de tekeningen zal worden beschreven hoe een kraakband 10 op 20 een aanbrengvlak 5 van een kozijn 2 kan worden aangebracht met een inrichting 1 of een werkwijze volgens de uitvinding. Het zal de vakman duidelijk zijn dat de inrichting 1 en de werkwijze op vergelijkbare wijze kunnen worden gebruikt voor het aanbrengen van een kraakband 14 op een deklat 4. Derhalve zal het aanbrengen van een kraakband 14 op een deklat 4 niet in verder detail worden beschreven.
25 Figuur 2 toont schematisch een detail van een inrichting 1 volgens een uitvoeringsvorm. De inrichting 1 is getoond tijdens gebruik bij het aanbrengen van een kraakband 10 op een aanbrengvlak 5 van een kozijn 2. Het kozijn heeft een zijvlak welk zijvlak 6 zich vanaf een rand 7 van het aanbrengvlak 5 in hoofdzaak loodrecht vanaf het aanbrengvlak 5 uitstrekt. De inrichting 1 heeft een opneemelement 23 30 waarbij de kraakband 10 voorzien van een plaklaag 11 is ontvangen en waarmee de kraakband 10 is toegevoerd naar het aanbrengvlak 5. De kraakband 10 is met de plaklaag 11 in contact gebracht met het aanbrengvlak 5. Het opneemelement 23 wordt gevormd door een verdieping 23 tussen twee naastgelegen delen 21, 24 in een naar het 11 aanbrengvlak 5 gekeerde vlak van de inrichting 1. De wanden 301, 302 van de verdieping vormen een eerste en een tweede langsgeleiding voor de kraagband 10. De eerste langsgeleiding 301 en de tweede langsgeleiding 302 liggen evenwijdig aan elkaar en zijn naar elkaar toegekeerd. De wanden 301 en 302 zijn tijdens gebruik naar 5 de kraakband 10 toegekeerd en geleiden aldus de respectievelijke zijden van de kraakband 10. De naar het aanbrengvlak 5 gekeerde vlakken 22, 25 van de twee naastgelegen delen 21, 24 zijn niet in contact met het aanbrengvlak 5 wanneer de kraakband 10 is opgenomen in het opneemelement 23. Hierdoor kan met de inrichting 1 een lichte druk worden uitgeoefend op de kraakband 10 in de richting van het kozijn 10 2, waardoor de plaklaag 11 zich goed kan hechten. Zolang de lichte druk onder een eerste drempelwaarde ligt blijven de vlakken 22, 25 vrij van het aanbrengvlak 25. De eerste drempelwaarde wordt bijvoorbeeld bepaald door de typische mate van samendrukbaarheid van de kraakband 10. Boven de eerste drempelwaarde worden de vlakken 22, 25 tegen het aanbrengvlak 25 aangedrukt. Hierdoor kan worden 15 voorkomen dat de kraakband 10 te ver wordt samengedrukt. In een verdere uitvoeringsvorm is de inrichting 1 verder uitgerust met een aandrukmiddel voor het aandrukken van de naar het aanbrengvlak 5 toegevoerde kraakband 10 op het aandrukvlak 5. Een dergelijk aandrukmiddel 34 is bijvoorbeeld getoond in de uitvoeringsvorm getoond in Figuur 4. De inrichting 1 heeft verder een 20 geleidingselement 20 op een eerste afstand D3 van het opneemelement 23. In de getoonde uitvoeringsvorm strekt het naastgelegen deel 21 zich uit van het opneemelement 23 tot een geleidingselement 20 over de eerste afstand D3. Het naastgelegen deel 21 vormt aldus een afstandselement 21 tussen het opneemelement 23 en het geleidingselement 20. Het geleidingselement 20 strekt zich, tijdens gebruik, uit 25 tot voorbij het aanbrengvlak 5 en tot naast het zijvlak 6. Het geleidingselement 20 wordt aldus gevormd door bijvoorbeeld een arm van de inrichting 1, of door een ander element van een geschikte vorm. Het geleidingselement 20 heeft een geleidingsvlak 201 welke tijdens gebruik naar het zijvlak 6 is gekeerd om, tijdens gebruik, langs het zijvlak 6 te worden bewogen. Daarbij vormt de van het geleidingsvlak 201 afgekeerde 30 wand 301 van de verdieping 23 een eerste langsgeleiding voor de kraakband 10, en de naar het geleidingsvlak 201 toegekeerde wand 302 van de verdieping 23 een tweede langsgeleiding voor de kraakband 10. Hierdoor beweegt het opneemelement 23 zich op de afstand D3 vanaf het geleidingselement 20, en derhalve op een afstand Dl (zie 12
Figuur 1) die hoofdzakelijk gelijk is aan de eerste afstand D3 vanaf de rand 7 van het kozijn 2. Door het bewegen van de inrichting 1 langs het kozijn 2 kan de kraakband 10 aldus op eenvoudige wijze op een in hoofdzaak constante en goed gedefinieerde afstand Dl worden aangebracht.
5 Figuur 3 toont schematisch een gedeeltelijk opengewerkt bovenaanzicht van een inrichting 1 volgens een uitvoeringsvorm. Onderdelen welke reeds in de uitvoeringsvorm van Figuur 2 aanwezig waren zijn met hetzelfde verwijzingscijfer weergegeven. De in Figuur 3 getoonde uitvoeringsvorm heeft een omwentelingssymmetrisch element 26, hierna verder ook aangeduid als wiel 26. Het 10 omwentelingssymmetrisch element 26 heeft een hartlijn 27, hierna verder ook aangeduid als langsas 27. Het wiel 26 is roteerbaar rond de langsas 27 is aangebracht aan een lichaam 30. Het lichaam 30 omvat een handvat 32 dat is gevormd om met de hand beetgepakt te worden, zodat daarmee bijvoorbeeld de inrichting met de hand kan worden bewogen. Het geleidingselement 20 strekt zich vanaf het lichaam 30 uit tot 15 voorbij het wiel 26. Het wiel 26 heeft een buitenomtrek waarin een verdieping 23 is gevormd die het opneemelement 23 vormt voor de kraakband 10. Het wiel 26 heeft een eerste radiaal vlak 301 en een tweede radiaal vlak 302 langs de buitenomtrek van het wiel 26, welke radiale vlakken 301, 302 de respectievelijke wanden vormen van de verdieping 23. De verdieping 23 is aldus gevormd tussen twee naastgelegen 20 ringvormige delen 21, 24 met naar het aanbrengvlak 5 gekeerde omtreksvlakken 22, 25. Hierbij vormen de wanden 301, 302 van de verdieping 23 een eerste en een tweede langsgeleiding voor de kraagband 10. De eerste langsgeleiding 301 en de tweede langsgeleiding 302 liggen evenwijdig aan elkaar en zijn naar elkaar toegekeerd. De wanden 301 en 302 zijn tijdens gebruik naar de kraakband 10 toegekeerd en geleiden 25 aldus de respectievelijke zijden van de kraakband 10.
Het geleidingselement 20 heeft een geleidingsvlak 201 welke tijdens gebruik naar het zijvlak 6 is gekeerd om, tijdens gebruik, langs het zijvlak 6 te worden bewogen. Het geleidingselement 20 ligt op een eerste afstand D3 van de eerste langsgeleiding 301 van het opneemelement 23, en bepaalt aldus de afstand tussen door 30 de eerste langsgeleiding geleide kraakband 23 en het geleidingsvlak 201. Daardoor wordt de afstand gecontroleerd tussen de kraakband 23 en de rand 5 van het kozijn 2 wanneer de kraakband 23 is aangebracht. De onderdelen van de inrichting tussen het geleidingselement 20 en het opneemelement 23 kunnen tezamen worden aangeduid met 13 de term afstandselement. Tijdens gebruik kan de kraakband 10 tegen het aanbrengvlak 5 worden gebracht en de inrichting langs het aanbrengvlak 5 worden bewogen, terwijl de inrichting 1 met het geleidingsvlak 201 langs het zijvlak 6 wordt geleidt, waarbij de kraakband 10 gecontroleerd door de eerste langsgeleiding 301 en de tweede 5 langsgeleiding 302 door de inrichting 1 naar het aanbrengvlak 5 wordt geleid. In een uitvoeringsvorm kan de wrijving tussen de kraakband en het opneemelement 23 het wiel 26 laten roteren rond de langsas 27. Zolang de lichte druk onder een eerste drempelwaarde ligt blijven de omtreksvlakken 22, 25 vrij van het aanbrengvlak 25. Boven de eerste drempelwaarde worden de omtreksvlakken 22, 25 tegen het 10 aanbrengvlak 25 aangedrukt. Hierdoor kan worden voorkomen dat de kraakband 10 te ver wordt samengedrukt. In een andere uitvoeringsvorm verzorgen, wanneer de omtreksvlakkenvlakken 22, 25 tegen het aanbrengvlak 25 aangedrukt zijn en de inrichting 1 wordt bewogen, de omtreksvlakken 22, 25 naast het opneemelement 23 deze rotatie van het wiel 26. Het wiel 26 wordt aldus als het ware over het 15 aanbrengvlak 25 gerold. Door de rotatie kan het opneemelement 23 een aan de inrichting aangeboden kraakband 10 opnemen en naar zich toe trekken. Aldus kan het wiel 26 bijvoorbeeld de kraakband 10 ontvangen op een eerste omwentelingspositie PI (zie Figuur 4) en de in het opneemelement ontvangen kraakband 10 toevoeren naar het aanbrengvlak 5 op een tweede omwentelingspositie P2, terwijl de kraakband 10 geleid 20 wordt door de eerste langsgeleiding 301 en de tweede langsgeleiding 302.
Figuur 4 toont schematisch een langsdoorsnede door een inrichting 1 volgens een uitvoeringsvorm. De in Figuur 4 getoonde uitvoeringsvorm correspondeert bijvoorbeeld met de uitvoeringsvorm van Figuur 3. Figuur 4 toont een gedeelte van de inrichting 1 met het wiel 26, welke is roteerbaar is verbonden aan het lichaam 30 van 25 de inrichting 1. Het lichaam 30 kan een enkel element zijn, of zijn gevormd uit meerdere delen die tezamen met de term “lichaam” worden aangeduid. In het lichaam 1 bevindt zich een ingangsopening 33 waardoor een samenstel 40 van een kraakband 10 voorzien van een plaklaag 11 en een losmaakbaar op de plaklaag 11 aangebrachte beschermfolie 41 kan worden ingevoerd in de inrichting 1. De beschermfolie 41 staat 30 toe dat de kraakband 10 met de plaklaag 11 afrolbaar kan zijn opgerold en aldus bijvoorbeeld in rol-vorm kan worden aangeboden.. De kraakband 10 wordt in de inrichting 1 opgenomen op een eerste omwentelingspositie PI door het opneemelement 23, dat wordt gevormd door een verdieping 23 in de buitenomtrek van het wiel 26. De 14 inrichting 1 heeft verder een scheidingselement 36 voor het scheiden van een beschermfolie 41 van de kraakband 10 voorzien van de plaklaag 11. Het scheidingselement 36 steekt daartoe op een derde omwentelingspositie P3 de beschermfolie 41 los van de plaklaag 11. In het lichaam 1 bevindt zich een 5 folieuitgangsopening 31. De beschermfolie 41 wordt tijdens gebruik vanaf het scheidingselement 36 via de folieuitgangsopening 31 naar buiten gevoerd, alwaar de beschermfolie 41 verder kan worden afgevoerd, en bijvoorbeeld weggegooid. Tussen de ingangsopening 33 en de folieuitgangsopening 31 bevindt zich een routeringselement 35, welke voorziet in een partiële scheiding van het naar binnen 10 gevoerde samenstel 40 en de afgevoerde beschermfolie 41. Hierdoor kan worden voorkomen dat de afgevoerde beschermfolie 41 verstrikt raakt met het naar binnen gevoerde samenstel 40.
Tijdens gebruik kan de kraakband 10 met de plaklaag 11 tegen het aanbrengvlak 5 worden gebracht terwijl de inrichting langs het aanbrengvlak 5 worden bewogen en 15 de inrichting 1 met het geleidingsvlak 201 van het geleidingselement 20 langs het zijvlak 6 wordt geleidt terwijl de kraakband 10 in het opneemelement 10 geleid wordt door de eerste langsgeleiding 301 en de tweede langsgeleiding 302.. De wrijving tussen de kraakband 10 en het opneemelement 23 laat aldus de ring 26 roteren rond de langsas 27 en trekt zo het samenstel 40 naar binnen. Het wiel 26 voert de in het opneemelement 20 23 ontvangen kraakband 10 met de plaklaag 11 dan toe naar het aanbrengvlak 5 op een tweede omwentelingspositie P2, waar de kraakband 10 met de plaklaag 11 in contact komt met het aanbrengvlak 5. De inrichting 1 heeft verder een aandrukmiddel 34 voor het aandrukken van de naar het aanbrengvlak 5 toegevoerde kraakband 10 met de plaklaag 11 op het aandrukvlak 5, zodat de kraakband 10 na het passeren van de 25 inrichting 1 stevig met de plaklaag 11 aan aanbrengvlak 5 bevestigd is.
In een niet getoonde andere uitvoeringsvorm is het scheidingselement 36 voorzien tussen de ingangsopening 33 en de eerste omwentelingspositie PI. In deze andere uitvoeringsvorm kan het scheidingselement 36 zijn ingericht om de beschermfolie 41 van de kraakband 10 met de plaklaag 11 te scheiden voordat het wiel 30 26 de kraakband 10 ontvangt.
Figuur 5 toont schematisch de inrichting 1 van Figuur 4 tijdens gebruik en toont tevens de op het aanbrengvlak 5 van het kozijn aangebrachte kraakband 10 met plaklaag 11. Verwezen wordt naar Figuur 4 voor de betekenis van de getoonde 15 elementen. Figuur 5 toont tevens dat het geleidingselement 20 langs het zijvlak 6 van het kozijn wordt geleid. Het afstandselement (21, niet zichtbaar in Figuur 5), welk zich uitstrekt van het naar de zijkant 6 gekeerde geleidingsvlak 210 van het geleidingselement 20 tot het opneemelement 23 over een eerste afstand D3 voorziet 5 aldus in een hoofdzakelijk constante afstand tussen het opneemelement 23 en de zijkant 6 . Aldus wordt, tijdens het naar beneden bewegen van de inrichting 1, de kraakband 10 op een goed gedefinieerde afstand Dl van de rand 7 van het aanbrengvlak 5 aangebracht.
De inrichting 1 is bijvoorbeeld ingericht voor gebruik met een door het 10 Bouwbesluit bepaalde minimale afstand van 4,0 mm tussen de op het aanbrengvlak 5 aangebrachte kraakband 10 en de rand 7 van het aanbrengvlak 5. Hiertoe heeft de inrichting 1 bijvoorbeeld een eerste afstand D3 van 4,2 mm, waardoor de afstand Dl in hoofdzaak ook correspondeert met 4,2 mm, of in ieder geval niet onder de 4,0 mm uitkomt wanneer er zich kleine oneffenheden op het zijvlak 6 bevinden. Meer algemeen 15 kan worden gesteld dat de eerste afstand D3 bij voorkeur ten minste 2,5% groter is dan een door regelgeving bepaalde minimale afstand tussen een op het aanbrengvlak 5 aangebrachte kraakband 10 en de rand 7 van het aanbrengvlak 5. Tevens is de eerste afstand D3 bij voorkeur ten hoogste 10% groter is dan de regelgeving bepaalde minimale afstand. Waar de relevante regelgeving het eerder genoemde Bouwbesluit is, 20 is de eerste afstand derhalve bij voorkeur ten minste 2,5% groter dan de minimale afstand van 4,0 mm bepaald door het Bouwbesluit, en bij voorkeur tussen 4,1 en 4,5 mm, bijvoorbeeld 4,2 mm.
Aan de hand van de tekeningen is in beschreven hoe een kraakband 10 op een aanbrengvlak 5 van een kozijn 2 kan worden aangebracht met een inrichting 1 of een 25 werkwijze volgens de uitvinding. Het zal de vakman duidelijk zijn dat de inrichting 1 en de werkwijze op vergelijkbare wijze kunnen worden gebruikt voor het aanbrengen van een kraakband 14 op een deklat 4, waarbij het geleidingselement 20 langs het zijvlak 18 van de deklat 4 wordt bewogen. Derhalve zal het aanbrengen van een kraakband 14 op een deklat 4 niet in verder detail worden beschreven.
30 Volgens een uitvoeringsvorm voorziet de uitvinding in een werkwijze voor het plaatsen van een glasplaat 3 in een kozijn 2, welke werkwijze omvat: - het, met een inrichting volgens de uitvinding, aanbrengen van een kraakband 10 op een aanbrengvlak 5 van een kozijn 2, welk kozijn 2 verder een zijvlak 6 omvat 16 welk zijvlak 6 zich vanaf een rand 7 van het aanbrengvlak 5 in hoofdzaak loodrecht vanaf het aanbrengvlak 5 uitstrekt; - het, met een inrichting volgens de uitvinding, aanbrengen van een kraakband 14 op een aanbrengvlak 7 van een deklat 4, welke deklat 4 verder een zijvlak 18 omvat 5 welk zijvlak 18 zich vanaf een rand 19 van het aanbrengvlak 17 in hoofdzaak loodrecht vanaf het aanbrengvlak 17 uitstrekt; - nadat de kraakband 10 is aangebracht op het een aanbrengvlak 5 van het kozijn 2: het plaatsen van de glasplaat 3 in het kozijn 2; en - nadat de glasplaat 3 is geplaatst in het kozijn 2 en nadat de kraakband 14 is 10 aangebracht op het aanbrengvlak 7 van de deklat 4: het vastzetten van de glasplaat 3 in het kozijn 2 door het vastzetten van de deklat 4 aan het kozijn 2 met een bevestigingsmiddel 16.
In een andere uitvoeringsvorm wordt voor het aanbrengen van de kraakband 14 op een deklat 4 een tweede inrichting 1 gebruikt met een afstandselement welk een 15 afstand definieert tussen het zijvlak 18 van de deklat 4 en de kraakband 14 die verschillend is van de afstand tussen het zijvlak 6 van het kozijn 2 en de corresponderende kraakband 10 zoals die wordt gedefinieerd door een afstandelement van een eerste inrichting 1, waarbij de eerste inrichting 1 en de tweede inrichting 1 verder in hoofdzaak identiek kunnen zijn.
20 Het zal de vakman duidelijk zijn dat binnen het kader van de vinding meerdere uitvoeringsvormen mogelijk zijn. Het zal de vakman bijvoorbeeld, mede aan de hand van de bovenstaande beschrijving, duidelijk zijn hoe de inrichting volgens de vinding kan worden aangepast aan andere kozijnen/kozijnprofielen dan de hierboven beschrevene, zoals bijvoorbeeld met een kunststof kozijn of een aluminium kozijn. De 25 vakman zal verder begrijpen dat waar “glasplaat” is geschreven niet alleen aan enkel glas wordt gerefereerd, maar dat daarin ook dubbelglas, in het bijzonder hoog-rendementsglas zoals het zogenaamde HR++-glas, kan worden begrepen. De kraakband 10 is bij voorkeur een foamband, of bijvoorbeeld een ander, voor de vakman bekend, type.
30

Claims (26)

1. Inrichting voor het aanbrengen van een kraakband (10; 14) op een aanbrengvlak (5; 17) van een kozijn (2) of een deklat (4), welk kozijn (2) of deklat (4) verder een 5 zijvlak (6; 18) omvat welk zijvlak (6; 18) zich vanaf een rand (7; 19) van het aanbrengvlak (5; 17) in hoofdzaak loodrecht vanaf het aanbrengvlak (5; 17) uitstrekt, waarbij de inrichting omvat: - een opneemelement (23) voor het ontvangen van de kraakband (10) en het toevoeren van de kraakband (10) naar het aanbrengvlak (5; 17), welk opneemelement 10 (23) is voorzien van een eerste langsgeleiding (301) voor de kraakband (10); en - een geleidingselement (20) met een geleidingsvlak (201) ingericht om, tijdens gebruik, langs het zijvlak (6; 18) te worden bewogen; waarbij de eerste langsgeleiding (301) evenwijdig aan en op een eerste afstand (D3) van het geleidingsvlak (201) is gepositioneerd. 15
2. Inrichting volgens conclusie 1, waarbij de eerste langsgeleiding (301) in hoofdzaak van het geleidingsvlak (201) is afgekeerd.
3. Inrichting volgens conclusie 1, waarbij de eerste langsgeleiding in hoofdzaak 20 naar het geleidingsvlak is toegekeerd.
4. Inrichting volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij het opneemelement (23) is voorzien een tweede langsgeleiding (302) voor de kraakband (10), welke tweede langsgeleiding (302) evenwijdig aan de eerste langsgeleiding (301) ligt en naar de 25 eerste langsgeleiding (301) is toegekeerd..
5. Inrichting volgens conclusie 4, waarbij de eerste langsgeleiding (301) en de tweede langsgeleiding (302) zijn gevormd door respectievelijke zijwanden van een verdieping (23). 30
6. Inrichting volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de inrichting verder een afstandselement (21) omvat welk zich uitstrekt van het geleidingsvlak (210) van het geleidingselement (20) tot de eerste langsgeleiding (301) van het opneemelement (23) over de eerste afstand (D3).
7. Inrichting volgens een van de voorgaande conclusies, bij voorkeur voor zover 5 afhankelijk van conclusie 2, waarbij de eerste afstand (D3) ten minste 2,5% groter is dan een door regelgeving bepaalde minimale afstand tussen een op het aanbrengvlak (5) aangebrachte kraakband (10) en de rand (7; 19) van het aanbrengvlak (5; 17), en waarbij de eerste afstand (D3) bij voorkeur ten hoogste 10% groter is dan de regelgeving bepaalde minimale afstand. 10
8. Inrichting volgens conclusie een van de voorgaande conclusies, omvattende een omwentelingssymmetrisch element (26) met een hartlijn (27) loodrecht op het geleidingsvlak (201) en voorzien van een eerste radiaal vlak (301) langs de buitenomtrek van het omwentelingssymmetrisch element (26) welke de eerste 15 langsgeleiding (301) vormt.
9. Inrichting volgens conclusie 8, voor zover afhankelijk van conclusie 4, waarbij het omwentelingssymmetrisch element (26) verder is voorzien van een tweede radiaal vlak (302) langs de buitenomtrek van het omwentelingssymmetrisch element (26) 20 welke de tweede langsgeleiding (302) vormt.
10. Inrichting volgens conclusie 8 of 9, waarbij het omwentelingssymmetrisch element (26) draaibaar rond de hartlijn (27) is voorzien en het omwentelingssymmetrisch element (26) is ingericht voor het ontvangen van de 25 kraakband (10) op een eerste omwentelingspositie (PI) en het toevoeren van de in het opneemelement ontvangen kraakband (10) naar het aanbrengvlak (5; 17) op een tweede omwentelingspositie (P2), verschillend van de eerste omwentelingspositie (PI).
11. Inrichting volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de inrichting is 30 ingericht voor het ontvangen van een samenstel van een kraakband (10) voorzien van een plaklaag (11) en een losmaakbaar op de plaklaag (11) aangebrachte beschermfolie (41), en de inrichting verder is voorzien van een scheidingselement (36) voor het scheiden van een beschermfolie (41) van de kraakband (10) voorzien van de plaklaag (11).
12. Inrichting volgens conclusie 11, ingericht om bij het toevoeren van de in het 5 opneemelement ontvangen kraakband (10) naar het aanbrengvlak (5; 17) tevens de plaklaag (11) van de kraakband (10) in contact te brengen met het aanbrengvlak (5).
13. Inrichting volgens conclusie 11 of 12, voor zover afhankelijk van conclusie 9, waarbij het scheidingselement (36) is ingericht om de beschermfolie (41) van de 10 kraakband (10) voorzien van de plaklaag (11) te scheiden wanneer het samenstel (40) in de inrichting is ontvangen.
14. Inrichting volgens conclusie 13, voor zover afhankelijk van conclusie 9, waarbij het scheidingselement (36) is ingericht om op een derde omwentelingspositie (P3) de 15 beschermfolie (41) van de kraakband (10) voorzien van de plaklaag (11) te scheiden de derde omwentelingspositie zich tussen de eerste omwentelingspositie en de tweede omwentelingspositie bevindt.
15. Inrichting volgens conclusie 13, voor zover afhankelijk van conclusie 9, waarbij 20 het scheidingselement (36) is ingericht om de beschermfolie (41) van de kraakband (10) voorzien van de plaklaag (11) te scheiden voordat het omwentelingssymmetrisch element (26) de kraakband (10) ontvangt.
16. Inrichting volgens een van de voorgaande conclusies, verder voorzien van een 25 aandrukmiddel (34) voor het aandrukken van de naar het aanbrengvlak (5) toegevoerde kraakband (10) op het aandrukvlak (5).
17. Inrichting volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij het geleidingselement (20) zich vrij uitstrekt tot voorbij de eerste langsgeleiding (301), 30 gezien in de richting van het geleidingsvlak (201).
18. Inrichting volgens conclusie 17, waarbij het geleidingselement (20) is uitgevoerd als een arm (20) welke zich, tijdens gebruik, tot voorbij het aanbrengvlak en evenwijdig aan het zijvlak uitstrekt.
19. Inrichting volgens een van de voorgaande conclusies, verder voorzien van een handvat (32) gevormd om met de hand beetgepakt te worden.
20. Werkwijze voor het aanbrengen van een kraakband (10; 14) op een aanbrengvlak (5; 17) van een kozijn (2) of een deklat (4), welk kozijn (2) of deklat (4) verder een 10 zijvlak (6; 18) omvat welk zijvlak (6; 18) zich vanaf een rand (7; 19) van het aanbrengvlak (5; 17) in hoofdzaak loodrecht vanaf het aanbrengvlak (5; 17) uitstrekt, waarbij de werkwijze omvat: - het verschaffen van een kraakband (10; 14); - het verschaffen van een kozijn (2) of een deklat (4) met een aanbrengvlak (5; 15 17) en een zijvlak (6; 18) omvat welk zijvlak (6; 18) zich vanaf een rand (7; 19) van het aanbrengvlak (5; 17) in hoofdzaak loodrecht vanaf het aanbrengvlak (5; 17) uitstrekt; - het bewegen van een inrichting (1) volgens een van de conclusies 1-19 met een geleidingsvlak (201) van het geleidingselement (20) langs het zijvlak, en 20. terwijl de inrichting wordt bewogen: — het ontvangen van de kraakband (10) tegen een eerste langsgeleiding (301) in het opneemelement (23), waarbij de eerste langsgeleiding (301) evenwijdig aan en op een eerste afstand (D3) van het geleidingsvlak (201) is gepositioneerd; 25. het toevoeren van de in het opneemelement ontvangen kraakband (10) naar het aanbrengvlak (5; 17).
21. Werkwijze volgens conclusie 20, waarbij de inrichting een scheidingselement (36) omvat en de werkwijze verder omvat, terwijl de inrichting wordt bewogen: 30. het ontvangen van een samenstel van een kraakband (10) voorzien van een plaklaag (11) en een losmaakbaar op de plaklaag (11) aangebrachte beschermfolie (41), - het scheiden van een beschermfolie (41) van de kraakband (10) voorzien van de plaklaag (11) middels het scheidingselement (36).
22. Werkwijze volgens conclusie 20 of 21, waarbij het toevoeren van de in het opneemelement ontvangen kraakband (10) naar het aanbrengvlak (5; 17) tevens het in contact brengen van de plaklaag (11) van de kraakband (10) met het aanbrengvlak (5) 5 omvat.
23. Werkwijze volgens een van de conclusies 20 - 22, waarbij de inrichting een aandrukmiddel (34) omvat en de werkwijze verder het, terwijl de inrichting wordt bewogen, aandrukken van de naar het aanbrengvlak (5) toegevoerde kraakband (10) op 10 het aandrukvlak (5) middels het aandrukmiddel (34) omvat.
24. Werkwijze voor het plaatsen van een glasplaat (3) in een kozijn (2), welke werkwijze omvat: - het aanbrengen van een kraakband (10) op een aanbrengvlak (5) van een 15 kozijn (2), welk kozijn (2) verder een zijvlak (6) omvat welk zijvlak (6) zich vanaf een rand (7) van het aanbrengvlak (5) in hoofdzaak loodrecht vanaf het aanbrengvlak (5) uitstrekt volgens een van de conclusies 20-23; - nadat de kraakband (10) is aangebracht op het een aanbrengvlak (5) van het kozijn (2): het plaatsen van de glasplaat (3) in het kozijn (2); en 20. nadat de glasplaat (3) is geplaatst in het kozijn (2): het vastzetten van de glasplaat (3) in het kozijn (2) door het vastzetten van een deklat (4) aan het kozijn (2) met een bevestigingsmiddel (16).
25. Werkwijze volgens conclusie 24 welke werkwijze verder omvat: 25. het aanbrengen van een kraakband (14) op een aanbrengvlak (7) van de deklat (4), welke deklat (4) verder een zijvlak (18) omvat welk zijvlak (18) zich vanaf een rand (19) van het aanbrengvlak (17) in hoofdzaak loodrecht vanaf het aanbrengvlak (17) uitstrekt volgens een van de conclusies 20-23; waarbij het vastzetten van de glasplaat (3) in het kozijn (2) door het vastzetten 30 van de deklat (4) aan het kozijn (2) met het bevestigingsmiddel (16) wordt uitgevoerd nadat de kraakband (14) is aangebracht op het aanbrengvlak (17) van de deklat (4).
26. Werkwijze volgens een van de conclusies 20 - 25, waarbij de kraakband (10; 14) een foamband is.
NL2005403A 2010-09-27 2010-09-27 Inrichting en werkwijze voor het aanbrengen van een kraakband bij het plaatsen van glas in een kozijn. NL2005403C2 (nl)

Priority Applications (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2005403A NL2005403C2 (nl) 2010-09-27 2010-09-27 Inrichting en werkwijze voor het aanbrengen van een kraakband bij het plaatsen van glas in een kozijn.

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2005403 2010-09-27
NL2005403A NL2005403C2 (nl) 2010-09-27 2010-09-27 Inrichting en werkwijze voor het aanbrengen van een kraakband bij het plaatsen van glas in een kozijn.

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL2005403C2 true NL2005403C2 (nl) 2012-03-28

Family

ID=43982309

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL2005403A NL2005403C2 (nl) 2010-09-27 2010-09-27 Inrichting en werkwijze voor het aanbrengen van een kraakband bij het plaatsen van glas in een kozijn.

Country Status (1)

Country Link
NL (1) NL2005403C2 (nl)

Citations (6)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE2227395A1 (de) * 1972-06-06 1973-12-20 Adolf Haerle Vorrichtung zum verlegen von dichtungsstreifen
CA1234682A (en) * 1987-05-26 1988-04-05 John C. Kolff Tool for applying glass insulating strips
DE4001877A1 (de) * 1990-01-23 1991-07-25 Droste Erwin Dipl Ing Vorrichtung und fertigungsverfahren einer dichtungsband-verlegemaschine
EP0828041A1 (en) * 1996-08-07 1998-03-11 Willem Anton Pieter Putter Applicator device for self-adhesive material strip
EP1342538A1 (de) * 2002-03-08 2003-09-10 PMA- Tools Division AG Verfahren und Werkzeug zum Aufkleben eines Dichtungsprofils auf den Rand einer Glasscheibe
DE202008007431U1 (de) * 2008-06-03 2008-08-21 Günther, Jens Handwerkzeug zum Verlegen von bandförmigen Dichtungen, Selbstklebebändern u.dgl. auf im wesentlichen ebene Oberflächen

Patent Citations (6)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE2227395A1 (de) * 1972-06-06 1973-12-20 Adolf Haerle Vorrichtung zum verlegen von dichtungsstreifen
CA1234682A (en) * 1987-05-26 1988-04-05 John C. Kolff Tool for applying glass insulating strips
DE4001877A1 (de) * 1990-01-23 1991-07-25 Droste Erwin Dipl Ing Vorrichtung und fertigungsverfahren einer dichtungsband-verlegemaschine
EP0828041A1 (en) * 1996-08-07 1998-03-11 Willem Anton Pieter Putter Applicator device for self-adhesive material strip
EP1342538A1 (de) * 2002-03-08 2003-09-10 PMA- Tools Division AG Verfahren und Werkzeug zum Aufkleben eines Dichtungsprofils auf den Rand einer Glasscheibe
DE202008007431U1 (de) * 2008-06-03 2008-08-21 Günther, Jens Handwerkzeug zum Verlegen von bandförmigen Dichtungen, Selbstklebebändern u.dgl. auf im wesentlichen ebene Oberflächen

Similar Documents

Publication Publication Date Title
US20150368517A1 (en) Semi-scored double-sided tape product and method of producing the same
BR112022008912A2 (pt) Cabeçote aplicador para aplicar uma fita adesiva em uma superfície ou substrato
JP2005511445A5 (nl)
US20120305168A1 (en) Method for coating components
NL2005403C2 (nl) Inrichting en werkwijze voor het aanbrengen van een kraakband bij het plaatsen van glas in een kozijn.
FR2918919B1 (fr) Procede et dispositif pour coller la coiffe metallique d'un bord d'attaque d'une voiture
EP2363240A3 (en) Polishing apparatus, polishing method and pressing member for pressing a polishing tool
MX2014012774A (es) Metodo y aparato para unir una primera malla de pelicula y una segunda malla de pelicula.
EP2765169A4 (en) PRESSURE-SENSITIVE ADHESIVE ADHESIVE FOR A PRESSURE-RESISTANT TAPE, TAPE CARTETTE AND STRIP PRINTER
DE602006016201D1 (de) Methode zur Protektion des Reifeninnenbelags unter der Verwendung eines thermoverformbaren Films, der mit einem druckempfindlichen Klebstoff beschichtet ist
WO2011045587A3 (en) Apparatus for labelling
JP5283974B2 (ja) 箔転写方法及び箔転写装置
JP2016168670A5 (nl)
US20190202195A1 (en) Method for manufacturing laminated printed tapes and machine for its execution
CN203740708U (zh) 防烫伤热封机构
ES2977489T3 (es) Dispensador de cinta adhesiva
CA2478134A1 (en) Process and device for producing clutch friction plate
JP2008126518A (ja) シート製造装置およびシート製造方法
TW200714932A (en) Prism assembly and method for forming air gap therebetween
JP2016512926A5 (nl)
DE102005061245B3 (de) Vorrichtung und Verfahren zum Anleimen eines Streifens an die Kante einer Platte
EP3838525A1 (en) System for edge banding of panels
JP2015507547A5 (nl)
EP2535614A3 (de) Scheibenbremse für ein Nutzfahrzeug
EP3760892B8 (de) Lamellenbremse für einen fahrzeugantrieb und ein fahrzeugantrieb

Legal Events

Date Code Title Description
V1 Lapsed because of non-payment of the annual fee

Effective date: 20140401