NL2011503C2 - Klimatiseringsinrichting voor een gebouw en werkwijze voor het isoleren van een gebouw met behulp van een dergelijke klimatiseringsinrichting. - Google Patents

Klimatiseringsinrichting voor een gebouw en werkwijze voor het isoleren van een gebouw met behulp van een dergelijke klimatiseringsinrichting. Download PDF

Info

Publication number
NL2011503C2
NL2011503C2 NL2011503A NL2011503A NL2011503C2 NL 2011503 C2 NL2011503 C2 NL 2011503C2 NL 2011503 A NL2011503 A NL 2011503A NL 2011503 A NL2011503 A NL 2011503A NL 2011503 C2 NL2011503 C2 NL 2011503C2
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
air
conditioning device
channel
air supply
plate element
Prior art date
Application number
NL2011503A
Other languages
English (en)
Inventor
Gosse Landstra
Original Assignee
Stichting Encobo
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Stichting Encobo filed Critical Stichting Encobo
Priority to NL2011503A priority Critical patent/NL2011503C2/nl
Application granted granted Critical
Publication of NL2011503C2 publication Critical patent/NL2011503C2/nl

Links

Classifications

    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04CSTRUCTURAL ELEMENTS; BUILDING MATERIALS
    • E04C2/00Building elements of relatively thin form for the construction of parts of buildings, e.g. sheet materials, slabs, or panels
    • E04C2/44Building elements of relatively thin form for the construction of parts of buildings, e.g. sheet materials, slabs, or panels characterised by the purpose
    • E04C2/52Building elements of relatively thin form for the construction of parts of buildings, e.g. sheet materials, slabs, or panels characterised by the purpose with special adaptations for auxiliary purposes, e.g. serving for locating conduits
    • E04C2/521Building elements of relatively thin form for the construction of parts of buildings, e.g. sheet materials, slabs, or panels characterised by the purpose with special adaptations for auxiliary purposes, e.g. serving for locating conduits serving for locating conduits; for ventilating, heating or cooling
    • E04C2/523Building elements of relatively thin form for the construction of parts of buildings, e.g. sheet materials, slabs, or panels characterised by the purpose with special adaptations for auxiliary purposes, e.g. serving for locating conduits serving for locating conduits; for ventilating, heating or cooling for ventilating
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04FFINISHING WORK ON BUILDINGS, e.g. STAIRS, FLOORS
    • E04F17/00Vertical ducts; Channels, e.g. for drainage
    • E04F17/04Air-ducts or air channels
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04FFINISHING WORK ON BUILDINGS, e.g. STAIRS, FLOORS
    • E04F17/00Vertical ducts; Channels, e.g. for drainage
    • E04F17/08Vertical ducts; Channels, e.g. for drainage for receiving utility lines, e.g. cables, pipes

Landscapes

  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • Architecture (AREA)
  • Mechanical Engineering (AREA)
  • Civil Engineering (AREA)
  • Structural Engineering (AREA)
  • Building Environments (AREA)

Description

Korte aanduiding: Klimatiseringsinrichting voor een gebouw en werkwijze voor het isoleren van een gebouw met behulp van een dergelijke klimatiseringsinrichting
Beschrijving
De onderhavige uitvinding heeft volgens een eerste aspect betrekking op een in een gebouwwand geïntegreerde, of althans te integreren, klimatiseringsinrichting met een plaatelement van isolerend materiaal met een warmtegeleidingscoëfficiënt < 0,15 W/mK met een langsrichting die zich bij toepassing verticaal langs een wand van een gebouw uitstrekt, voorzien van ten minste één zich in een langsrichting van het plaatelement uitstrekkend luchttoevoerkanaal en ten minste één zich in de langsrichting van het plaatelement uitstrekkend luchtafvoerkanaal. In dit document worden onder klimatiseren begrepen: luchtverversing, luchtbe- en/of ontvochtiging, verwarming, koeling en/of zuivering.
Een dergelijke klimatiseringsinrichting wordt gebruikt voor het klimatiseren van gebouwen. Lucht wordt dan in hoofdzaak van buiten het gebouw naar binnen de verschillende ruimtes in het gebouw gevoerd en lucht uit de ruimtes wordt afgevoerd naar buiten het gebouw. Het transport van lucht geschiedt door middel van aan- en afvoer van lucht, optioneel uitgevoerd of ondersteund door een luchttransportinrichting, bijvoorbeeld ventilatoren. In nieuwbouw wordt vaak een warmteterugwineenheid (“warmteterugwinunit” of “WTW”) in de klimatiseringsinrichting voorzien die een warmte-uitwisseling tussen de het gebouw in- en uitgaande lucht mogelijk maakt. Tevens is het mogelijk dat de lucht (gedeeltelijk) binnen het gebouw gecirculeerd wordt.
Een klimatiseringsinrichting volgens de inleiding is bekend uit Duits octrooischrift DE 3103474. DE 3103474 beschrijft een inrichting voor het beluchten van een gebouw via wanden of plafonds waardoorheen zich luchtgeleidingskanalen uitstrekken. De luchtgeleidingskanalen zijn gevormd door middel van aaneengesloten luchtgeleidingskanaaldelen die parallel lopen door paneel- of blokvormige gevelelementen van een keramisch schuimachtig materiaal en die rechtstreeks in dit materiaal voorzien zijn. De kanaaldelen zijn uitgesneden in het materiaal. Het paneel uit DE 3103474 is verder voorzien van doorgangen en aansluitingen die uitmonden in de luchtgeleidingskanalen. De aansluitingen zijn voorzien door op een gewenste positie en hoogte in de gevelelementen te boren. De afmetingen van de panelen zijn vrij naar wens, bijvoorbeeld verdiepingshoog. Verder is het mogelijk om de panelen te bekleden, bijvoorbeeld met plaatwerk. De kanaalleidingen kunnen naar een centrale leiding geleid zijn. Een verdieping kan een bovenverdieping, bijvoorbeeld een zolder, een benedenverdieping, bijvoorbeeld een souterrain, of een tussenverdieping van het gebouw betreffen.
Duits octrooischrift DE 4431691 bespreekt een gevelelement volgend de inleiding, uitgevoerd in keramisch schuimachtig materiaal, waarbij de kanaaldelen ingericht zijn voor bijvoorbeeld het houden van elektrotechnische leidingen of waterleidingen. De kanaaldelen zijn gevormd in uitsparingen in het gevelelementen die bekleed zijn met een ander materiaal, zoals bijvoorbeeld polyurethaan, en die afgedekt zijn met een afdekplaat.
Duits octrooischrift DE10204727 toont een klimatiseringsinrichting met gevelelementen die door middel van horizontale en verticale leidingen verbonden zijn met de buitenlucht of een centrale leiding die loopt naar bijvoorbeeld een koelaggregaat.
Nadeel van de bekende klimatiseringsinrichting is de relatief ingewikkelde wijze waarop de luchtgeleidingskanalen verbonden zijn met, onder andere elkaar, centrale leidingen, of de buitenlucht. Voor de bekende klimatiseringsinrichtingen vereisen dergelijke verbindingen het aanbrengen van aanvullende verbindingsleidingen, die op hun beurt weer weggewerkt moeten worden in het gebouw, waardoor de installatie omslachtig en tijdrovend is.
Doel van de onderhavige uitvinding is te voorzien in een klimatiseringsinrichting die snel en eenvoudig aan te brengen is in een gebouw. Verder doel van de onderhavige uitvinding is te voorzien in een werkwijze voor het isoleren van een gebouw met een isolatie-inrichting met een geïntegreerde klimatiseringsinrichting die snel en eenvoudig aan te brengen is. Hiertoe voorziet de uitvinding in een klimatiseringsinrichting volgens conclusie 1. De klimatiseringsinrichting omvat een plaatelement waarvan een langsrichting zich bij toepassing van het plaatelement langs en nabij een wand van een gebouw uitstrekt. Bij een gevelwand of een tussenwand, strekt de langsrichting zich bij toepassing verticaal uit, bij een vloer- of plafondwand strekt de langsrichting zich bij toepassing horizontaal uit. Het plaatelement is voorzien van ten minste één luchttoevoerkanaal en ten minste één luchtafvoerkanaal, die zich door het plaatelement uitstrekken. Dergelijke kanalen kunnen eenvoudig in het plaatelement zijn aangebracht door middel van bijvoorbeeld boren, uitsnijden of door panelen met twee overeenkomstige uitsparingen tegenover elkaar tegen elkaar te plaatsen. Het ten minste ene luchttoevoerkanaal en het ten minste ene luchtafvoerkanaal sluiten aan diens respectieve bovenuiteinden aan op een luchttoevoerverzamelleiding, respectievelijk een luchtafvoerverzamelleiding. Tegen een verdere, zich in een hoek ten opzichte van de wand uitstrekkende wand is bij voorkeur een verbindingselement voorzien met een verbindingstoevoerkanaal en een verbindingsafvoerkanaal uit die zich uitstrekken in het verlengde van het plaatelement en afbuigen richting een in een ander vlak dan en zich in een hoek, bij voorkeur haaks ten opzichte van de kanalen uitstrekkende luchttoevoerverzamelleiding respectievelijk luchtafvoerverzamelleiding. Een uiteinde van het verbindingselement is zodanig tegen het plaatelement aangelegen dat enerzijds het luchttoevoerkanaal en het verbindingstoevoerkanaal en anderzijds het luchtafvoerkanaal respectievelijk het verbindingsafvoerkanaal met elkaar in verbinding staan. Via het verbindingselement zijn respectievelijk het verbindingstoevoerkanaal en het verbindingsafvoerkanaal verbonden met respectievelijk de luchttoevoerverzamelleiding en de luchtafvoerverzamelleiding. Een dergelijk klimatiseringsinrichting voorziet bij het integreren daarvan in het gebouw direct in een verbinding tussen de kanalen in het ten minste ene plaatelement, en daarmee tussen de te ventileren ruimte, en de luchttoevoerverzamelleiding en de luchtafvoerverzamelleiding.
Aan deze uitvinding ligt het inzicht ten grondslag dat het verbinden van het luchttoevoerkanaal en het luchtafvoerkanaal met de luchttoevoerverzamelleiding en de luchtafvoerverzamelleiding tijdens het aanbrengen van de klimatiseringsinrichting het integreren vereenvoudigt. De kanalen zijn voor het aanbrengen voorzien in de plaatelementen en verbindingselementen en de kanalen worden onderling en met de verzamelleidingen verbonden tijdens het aanbrengen van de elementen. Communicatie tussen een te klimatiseren ruimte en een luchttoevoer- of -afvoerkanaal kan eenvoudig worden gerealiseerd door vanuit de ruimte een doorgang naar het betreffende kanaal te realiseren. Geen aanvullende handelingen zijn vereist waardoor het integreren van de klimatiseringsinrichting sneller en eenvoudiger uitgevoerd kan worden. Hiermee is het doel van de onderhavige uitvinding bereikt. Bij een voorkeursuitvoeringsvorm is de warmtegeleidingscoëfficiënt lager dan 0,1 W/mK, verder bij voorkeur lager dan 0,06 W/mK. De plaatelementen kunnen bij toepassing worden geplaatst in/tegen verticale wanden en/of in/tegen horizontale wanden.
De klimatiseringsinrichting is verder zodanig uitgevoerd dat de luchttoevoerverzamelleiding en de luchtafvoerverzamelleiding zich op verschillende hoogtes in horizontale richting over een verdieping van het gebouw uitstrekken. De verdieping is bij ene voorkeursuitvoeringsvorm een bovenverdieping, zoals een zolder, of een benedenverdieping, zoals een souterrain, maar het kan ook een andere verdieping betreffen. Dit is bijvoorbeeld mogelijk door twee op elkaar gelegen kanalen, één voor de luchttoevoerverzamelleiding en de ander voor de luchtafvoerverzamelleiding, via een modulaire opbouw door het opstellen van een reeks verbindingselementen over de volle breedte van een zolderverdieping van het gebouw te voorzien. Een dergelijke uitvoering is voordelig aangezien een luchtbehandelingsinrichting, zoals een warmtewisselaar van bijvoorbeeld een warmteterugwinunit, in de praktijk veelal op of nabij het dak van het gebouw, geplaatst is. Het zich horizontaal over de bovenverdieping uitstrekken van de luchtverzamelleidingen verschaft tevens een eenvoudige aansluiting voor de luchtkanalen van de plaatelementen op de luchtverzamelleidingen. De verschillende plaatelementen zijn naast elkaar aangebracht, zodat de plaatelementen en tevens de zich in het verlengde daarvan uitstrekkende verbindingselementen in gelijke afmetingen uitgevoerd kunnen zijn. Een verder voordeel is dat, wanneer de luchtverzamelleidingen op verschillende hoogten gelegen zijn, het luchttoevoerkanaal en het luchtafvoerkanaal eenvoudig via het verbindingselement met de luchttoevoerverzamelleiding en respectievelijk de luchtafvoerverzamelleiding te verbinden zijn door een uiteinde van het verbindingstoevoerkanaal te laten uitmonden op een hoogte die overeenkomt met de hoogte van de luchttoevoerverzamelleiding en een uiteinde van het verbindingsafvoerkanaal te laten uitmonden op een hoogte die overeenkomt met de hoogte van de luchtafvoerverzamelleiding.
Verdere uitvoeringsvormen van de klimatiseringsinrichting volgens de onderhavige uitvinding zijn onderwerp van de afhankelijke conclusies. Navolgend zullen enkele van deze uitvoeringsvormen en hun voordelen nader toegelicht worden.
De luchttoevoerverzamelleiding en de luchtafvoerverzamelleiding kunnen verder zijn samengesteld uit zich in de langsrichting van het plaatelement uitstrekkende verbindingselementen met op elkaar aansluitende uitsparingen, die gezamenlijk een verzamelleiding vormen. Door bijvoorbeeld buisvormige holle kamers te voorzien in de verbindingselementen en de verbindingselementen zodanig tegen elkaar te positioneren dat de buisvormige holle kamers in eikaars verlengde liggen om de luchttoevoerverzamelleiding en de luchtafvoerverzamelleiding te vormen. Het voordeel van een dergelijke uitvoering is dat geen afzonderlijke luchttoevoerverzamelleiding en luchtafvoerverzamelleiding noodzakelijk zijn en dat de luchttoevoerverzamelleiding en de luchtafvoerverzamelleiding rechtstreeks gevormd worden door het aanbrengen van de verbindingselementen. Verder zijn de luchttoevoerverzamelleiding en de luchtafvoerverzamelleiding na het aanbrengen van het verbindingselement verbonden met het luchttoevoerkanaal en het luchtafvoerkanaal door het verbindingstoevoerkanaal en het verbindingsafvoerkanaal.
Het verbindingselement van de klimatiseringsinrichting omvat bij voorkeur een met de luchttoevoerverzamelleiding verbonden toevoerverlengstuk (verbindingstoevoerkanaal) van een luchttoevoerkanaal en een met de luchtafvoerverzamelleiding verbonden afvoerverlengstuk (verbindingsafvoerkanaal) van een luchtafvoerkanaal van een zich daaronder bevindend plaatelement. Wanneer het verbindingselement zich niet parallel aan het luchttoevoerkanaal en het luchtafvoerkanaal uitstrekt, kan deze verbinding tussen onder andere luchttoevoerkanaal en verbindingstoevoerkanaal worden bereikt door in het toevoerverlengstuk een deel van een luchtkanaal te vormen als een bocht of knik. Eventueel kunnen ook verschillen in vormen of afmetingen tussen de kanalen in enerzijds het plaatelement en anderzijds het verbindingselement overbrugd worden. De aanwezigheid van dergelijke verlengstukken in het verbindingselement maakt een snelle en eenvoudige integratie van de klimatiseringsinrichting mogelijk, aangezien geen afzonderlijke handelingen zijn vereist om een eventuele verspringing tussen plaatelement en verbindingselement te overbruggen. Tevens kunnen bij het plaatsen van het plaatelement tegen het verbindingselement de luchttoevoerverzamelleiding en de luchtafvoerverzamelleiding aldus direct worden verbonden met het luchttoevoerkanaal en het luchtafvoerkanaal door het verbindingstoevoerkanaal en het verbindingsafvoerkanaal, waardoor aanvullende handelingen voor het vormen van een dergelijke verbinding niet nodig zijn.
Het is niet noodzakelijk om alle luchttoevoerkanalen en luchtafvoerkanalen van de plaatelementen te verbinden met alle ruimten in het gebouw. Voor een luchtverversing van elke direct te klimatiseren ruimte is het voldoende dat in direct te klimatiseren ruimtes in het gebouw ten minste één met de luchttoevoerverzamelleiding verbonden luchttoevoerkanaal en ten minste één met de luchtafvoerverzamelleiding verbonden luchtafvoerkanaal uitmondt. Dit heeft als voordeel dat bij toepassing elke ruimte afzonderlijk geklimatiseerd wordt. De verbinding naar de ruimte wordt gevormd door een aansluiting te voorzien in het plaatelement, bijvoorbeeld door middel van boren of uitsnijden.
Het is mogelijk dat het plaatelement uitgevoerd is als een enkele plaat met daardoor zowel het luchttoevoerkanaal als het luchtafvoerkanaal. Het heeft echter de voorkeur dat het plaatelement een uit een veeltal modules samengesteld plaatelement is, waarbij elke module bij voorkeur ten minste één luchtkanaal omvat. Deze module biedt de mogelijkheid tot variatie in vorm en materiaal. Ook kan dit leiden tot een goedkoper plaatelement, aangezien het denkbaar is dat niet alle modules van een luchtkanaal voorzien hoeven te worden of uitgevoerd in hetzelfde materiaal.
Daarnaast kan een module in de richting haaks op de langsrichting van het plaatelement en, althans bij toepassing, parallel aan de wand een afmeting omvatten die gelegen is in het bereik van 200 tot 600 mm, bij voorkeur in het bereik van 250 tot 400 mm. Dergelijke afmetingen maken de module eenvoudig hanteerbaar voor een gebruiker tijdens het aanbrengen ervan. Daarnaast is een dergelijke module voldoende stevig om gehanteerd te worden tijdens het aanbrengen. Op regelmatige onderlinge afstanden kunnen zodanig de gewenste kanalen voorzien zijn. Het element kan ook een paneel met de breedte van een conventioneel element betreffen.
Aan een klimatiseringsinrichting zoals hierboven beschreven kan aan de naar de wand toegekeerde zijde en/of aan de van de wand afgekeerde zijde een afwerking, bijvoorbeeld een beplating of spuitwerk, voorzien zijn. Dergelijk beplating kan bijvoorbeeld zijn gevormd uit gipsvezelplaat met een dikte van 12,5 of 15 mm of dun hardboard materiaal. De beplating is bij voorkeur verlijmd met de klimatiseringsinrichting, maar kan ook op een andere wijze bevestigd zijn, bijvoorbeeld door middel van schroeven of dergelijke. De beplating beschermt de klimatiseringsinrichting tegen bijvoorbeeld vocht en verstevigt deze.
Bij voorkeur zijn het ten minste ene luchttoevoerkanaal en het ten minste ene luchtafvoerkanaal dichter bij de van de wand afgekeerde zijde dan bij de naar de wand toegekeerde zijde van het plaatelement voorzien. Dit is voordelig bij het aansluiten van de luchtkanalen op de ruimte, aangezien het kanaal zodanig eenvoudig toegankelijk is vanuit de betreffende te klimatiseren ruimte in het gebouw. De luchtkanalen kunnen zodanig voorzien worden nabij de zogenaamde binnenklimaatzijde van het plaatelement, dat de luchtkanalen beter geïsoleerd zijn tegen warmteverlies naar de buitenlucht.
Het transport van lucht door de klimatiseringsinrichting kan door middel van aan- en afvoer van lucht worden gerealiseerd, zoals door middel van een luchtverplaatsingsinrichting, bijvoorbeeld ventilatoren. Voor verwarming en/of koeling van lucht kunnen ten minste de luchttoevoerverzamelleiding en/of de luchtafvoerverzamelleiding verbonden zijn met een warmtewisselaar die is ingericht voor het overdragen van warmte tussen lucht in de luchttoevoerverzamelleiding, lucht in de luchtafvoerverzamelleiding en/of een ander fluïdum. Een dergelijke warmtewisselaar vormt zodanig een warmteterugwineenheid, ook wel een “warmteterugwinunit” of “WTW” genoemd. De warmteterugwineenheid reduceert de hoeveelheid energie die nodig is voor het verwarmen of koelen van de ruimtes. Het is ook denkbaar dat een dergelijke warmtewisselaar voorzien is van bijvoorbeeld een luchtont- of bevochtigingseenheid, filters en dergelijke. Verder is het mogelijk dat slechts de luchttoevoerverzamelleiding van een warmtewisselaar voorzien is.
Verder heeft het de voorkeur om de klimatiseringsinrichting naast of in plaats van een dergelijke warmteterugwineenheid van aanvullende warmtewisselaars te voorzien voor meerdere luchttoevoerkanalen voor het afzonderlijk verwarmen en/of koelen van de lucht in elk luchttoevoerkanaal. Door middel van de aanvullende warmtewisselaars kan de luchttemperatuur per ruimte afzonderlijk geregeld worden. Bij voorkeur wordt de warmte van en naar een aanvullende warmtewisselaar geleid door middel van waterleidingen die verbonden zijn met een centrale verwarmingsinstallatie voor water, zoals bijvoorbeeld een Cv-systeem.
De hierboven beschreven klimatiseringsinrichting is geschikt voor het transporteren van lucht. Het is tevens denkbaar, dat ten minste één zich in de langsrichting van het plaatelement uitstrekkend leidingkanaal, dat is ingericht voor het opnemen van een leiding, zoals een elektriciteits- of waterleiding, zich door het ten minste ene plaatelement uitstrekt. Een dergelijk leidingkanaal kan gevormd zijn met een andere doorsnedevorm dan de luchtkanalen of aan diens binnenwanden bekleed zijn voor het eenvoudig daardoorheen leiden van bijvoorbeeld een elektriciteits- of waterleiding. Het voordeel is dat het leidingkanaal voor een elektriciteits- of waterleiding snel en eenvoudig voorzien is bij het integreren van klimatiseringsinrichting. Alle gewenste leidingen kunnen zodoende vanuit elke ruimte in het gebouw naar een verzamelleiding geleid worden via kanalen in de klimatiseringsinrichting. Waterleidingen, in het bijzonder voor warm water, zijn dan opgenomen in een omhulsel van isolerend materiaal, waardoor warmteverliezen verminderd worden. Het is bijzonder voordelig om de verbindingselementen zodanig te voorzien dat voor alle typen kanalen verzamelleidingen aanwezig zijn in de klimatiseringsinrichting. Bij voorkeur zijn dergelijke verzamelleidingen boven elkaar voorzien, zodat de verbindingen met overeenkomstige kanalen op verschillende hoogten aangebracht kunnen worden. Bij voorkeur liggen de verzamelleidingen in één of meer vlakken die zich niet uitstrekken in hetzelfde vlak als de leidingen in het plaatelement, zodat een aansluiting met een enkele bocht in een verbindingskanaal kan worden gerealiseerd. Indien één of meer verzamelleidingen zich wel in hetzelfde vlak uitstrekken als de kanalen in het plaatelement kan een verbinding met bijvoorbeeld een U-vormig verbindingskanaal worden gerealiseerd.
Een leidingkanaal kan zich tussen het luchttoevoerkanaal en het luchtafvoerkanaal uitstrekken. Bij een symmetrische oriëntatie van kanalen
Bij voorkeur zijn het plaatelement en/of het verbindingselement vervaardigd van schuimmateriaal, in het bijzonder van geëxpandeerd
Polystyreenschuim (EPS). Polystyreenschuim is eenvoudig en goedkoop te bewerken. Tevens is Polystyreenschuim relatief laag in gewicht vergeleken met keramische schuimachtige materialen en heeft het een hogere isolatiewaarde.
Het ten minste ene plaatelement is bij voorkeur bij toepassing verdiepingshoog uitgevoerd. Een dergelijk plaatelement is snel en met relatief weinig handelingen aan te brengen tegen een wand van een gebouw, waardoor een snelle en eenvoudige integratie van de klimatiseringsinrichting mogelijk is.
In een mogelijke uitvoering heeft het plaatelement een diepte die gelegen is in het bereik van 150 tot 500 mm, bij voorkeur in het bereik van 250 tot 400 mm. Dergelijke afmetingen maken het plaatelement eenvoudig hanteerbaar voor een gebruiker tijdens het aanbrengen ervan. Daarnaast is een dergelijk plaatelement voldoende stevig om gehanteerd te worden tijdens het aanbrengen en verschaft het, bevestigd aan een wand, goede isolatie.
Het luchttoevoerkanaal en/of het luchtafvoerkanaal heeft bij voorkeur een dwarsdoorsnede-oppervlak gelegen in het bereik van 2500 tot 10000 mm2. Het leidingkanaal heeft in een voorkeursuitvoering een dwarsdoorsnede-oppervlak gelegen in het bereik van 500 tot 2500 mm2. Dergelijke kanalen zijn voldoende groot voor voldoende luchttransport voor klimatisering, maar leiden niet tot een aanzienlijke vermindering van de stevigheid of isolatiewaarde van het plaatelement.
Een plaatelement of een verbindingselement zoals hierboven beschreven kan afzonderlijk worden toegepast in een klimatiseringsinrichting. Het plaatelement kan dienen als een aanvulling op een reeds bestaande klimatiseringsinrichting bijvoorbeeld bij een renovatie van een gebouw. Toepassing van een plaatelement volgens de onderhavige uitvinding voor het aanbrengen van een isolatievoorzetwand van een gevel is eveneens voordelig.
Met toepassing van de beschreven klimatiseringsinrichting is het mogelijk een gebouw te isoleren. Een rijtjeshuis is reeds genoemd, maar de toepassing beperkt zich niet tot rijtjeshuizen en bestrijkt verder vrijstaande huizen, kantoorgebouwen, flats en dergelijken. Dergelijke gebouwen kunnen geïsoleerd worden door het verschaffen van een veelheid plaatelementen van een isolerend materiaal en een veelheid verbindingselementen van een isolerend materiaal. De plaatelementen worden naast elkaar tegen een wand van het gebouw aangebracht en de verbindingselementen worden tegen een vloer of plafond aangebracht, waarbij de luchttoevoerkanalen en de luchtafvoerkanalen van de plaatelementen communicerend verbonden worden met de toevoerverlengstukken, respectievelijk de afvoerverlengstukken van de verbindingselementen.
De uitvinding zal nader worden toegelicht aan de hand van de volgende figuren.
Figuur 1a toont een deel van een als gevelelement uitgevoerd plaatelement;
Figuur 1b toont een uit delen van uit figuur 1 samengestelde gevelelementen;
Figuur 1c toont een schematisch vooraanzicht van de binnenklimaatzijde van een gevel van een gebouw dat van een klimatiseringsinrichting met gevelelementen voorzien is;
Figuur 1d toont een doorsnede-aanzicht volgens de lijn l-l uit figuur 1c;
Figuur 1e toont een vergroot verticaal doorsnede-aanzicht door twee gevelelementen uit figuur 1d;
Figuur 2a toont een verbindingselement;
Figuur 2b toont een opzetdeel voor een verbindingselement;
Figuur 3 toont een doorsnede verticale sectie van het verbindingselement uit figuur 2a.
In Figuur 1a is een uitvoering van een als gevelelement 10 uitgevoerd of toe te passen deel van een plaatelement getoond. Bij toepassing strekt het gevelelement 10 zich in diens langsrichting verticaal langs een gevelwand 25 van een gebouw 21 uit. Het gevelelement 10 is voorzien van ten minste één luchttoevoerkanaal 3 en ten minste één luchtafvoerkanaal 5, die zich in een langsrichting door het gevelelement 10 uitstrekken. Het luchttoevoerkanaal 3 en het luchtafvoerkanaal 5 zijn bij toepassing dichter bij de van de gevelwand 25 afgekeerde zijde dan bij de naar de gevelwand 25 toegekeerde zijde van het gevelelement 10 voorzien. Dit is voordelig bij het aansluiten van de luchttoe- en afvoerkanalen 3, 5 op de ruimte, aangezien de luchttoe- en afvoerkanalen 3, 5 zodanig eenvoudig toegankelijk zijn vanuit de betreffende ruimte 23 in het gebouw 21. De luchttoe- en afvoerkanalen 3, 5 kunnen voorzien zijn nabij de zogenaamde binnenklimaatzijde 9 van het gevelelement 10, zodat de luchttoe- en afvoerkanalen 3, 5 beter geïsoleerd zijn tegen warmteverlies naar de buitenlucht. Het is overigens wel mogelijk dat de luchttoe- en afvoerkanalen 3, 5 nabij de buitenklimaatzijde 11 gelegen zijn. In Figuur 1a is een leidingkanaal 7 in het gevelelement 10 zichtbaar dat zich in de langsrichting van het gevelelement 10 uitstrekt en dat is ingericht voor het opnemen van een elektriciteits- of waterleiding. In dit voorbeeld is het leidingkanaal 7 tussen het luchttoevoerkanaal 3 en het luchtafvoerkanaal 5 gelegen. Het gevelelement 10 is langwerping, bij voorkeur verdiepingshoog en heeft een breedte van 300 mm, en een diepte van 300 mm. Het gevelelement 10 is gevormd uit een thermisch isolerend materiaal, in dit voorbeeld geëxpandeerd Polystyreenschuim (EPS).
Figuur 1b toont als plaatelement een samenstel 16 van modules 13. In Figuur 1b wordt elke module 13 gevormd door een gevelelement 10 uit figuur 1a, maar andere configuraties, zoals een uit een enkele plaat bestaand plaatelement 16, zijn denkbaar. Bij de toepassing als gevelplaat strekken de modules 13 zich in de langsrichting, verticaal langs een (in figuur 1b niet getoonde, maar in figuur 1c met 25 aangeduide) gevelwand uit en zijn de modules 13 naast elkaar gelegen. Aan een samenstel 16 van modules 13 kan aan de naar de gevelwand 25 toegekeerde zijde en/of aan de van de gevelwand 25 afgekeerde zijde een niet getoonde beplating of spuitwerk voorzien zijn. Een dergelijke beplating is bij voorkeur verlijmd met het samenstel 16 en kan gevormd zijn door gipsvezelplaat met een dikte van 12,5 of 15 mm of dun hardboard materiaal. De beplating verstevigt het samenstel 16 en beschermt deze tegen bijvoorbeeld vocht.
Figuren 1c en 1d tonen schematisch in verticaal vooraanzicht respectievelijk in horizontaal doorsnede-aanzicht volgens de lijn l-l in figuur 1c een gevel van een gebouw met verschillende uitsparingen 23 in de vorm van ramen en een deur waarbij ten de gevelwand 25 voorzien is van gevelelementen 1. Alhoewel elk gevelelement 10 in Figuur 1c voorzien is van een luchttoevoerkanaal 3 en een luchtafvoerkanaal 5, zijn slechts enkele kanalen in de wand voorzien van een aansluiting 15. Zodoende kan iedere ruimte achter de betreffende gevel geventileerd worden. Door de veelheid luchttoevoerkanalen 3 en luchtafvoerkanalen 5 is het mogelijk om de aansluitingen 15 op voorkeurposities te voorzien door gaten voor de aansluitingen 15 aan te brengen in de gevelelementen 10. Zo kunnen bijvoorbeeld de aansluitingen 15 aan de luchttoevoerkanalen 3 en respectievelijk de luchtafvoerkanalen 5 zich aan weerszijden van een uitsparing 23 bevinden. Verder kan een veelheid aansluitingen 15 in een enkele ruimte 23 voorzien zijn voor een verbeterde aan- en/of afvoer van lucht. In het doorsnede-aanzicht van figuur 1d zijn de kanalen 3, 5 voor de klimatisering en kanalen 7 voor leidingen zichtbaar aan de binnenzijde van de gevel gelegen. Aan de buitenzijde is een bekledingslaag 8 tegen de gevelelementen 10 voorzien.
Figuur 1e toont een horizontaal doorsnede-aanzicht van twee naburige gevelelementen 10 waardoorheen zich kabelleidingen 4a, 4b, 4c respectievelijk een waterleiding 6 uitstrekken door leidingkanaal 7.
Figuur 2a toont een verbindingselement 31 voor toepassing bij de onderhavige uitvinding, dat zich bij toepassing uitstrekt boven en haaks ten opzichte van gevelelementen 10. Het verbindingselement 31 is voorzien op een zolder van een gebouw 25 en is vervaardigd van EPS schuim. Door het verbindingselement 31 strekken zich een verbindingstoevoerkanaal 33 en een verbindingsafvoerkanaal 35 uit, bij toepassing vanaf een luchttoevoerkanaal 3 respectievelijk een luchtafvoerkanaal 5 in het gevelelement 10 tot in een respectievelijke luchttoevoerverzamelleiding 39 en een luchtafvoerverzamelleiding 41. In de praktijk strekken het verticale luchttoevoerkanaal 3 en luchtafvoerkanaal 5 in het gevelelement 10 zich veelal onder een hoek, in het bijzonder een haakse hoek, uit ten opzichte van het horizontale verbindingstoevoerkanaal 33 en verbindingsafvoerkanaal 35 in het verbindingselement 31. Het verbindingselement 31 in figuur 2a is voorzien van een toevoerverlengstuk 43 en een afvoerverlengstuk 45. Een kanaal in het toevoerverlengstuk 43 is gevormd als een bocht of knik om de horizontale afstand tussen luchttoevoerkanaal 3 en een verbindingstoevoerkanaal 33 te overbruggen. Op soortgelijke wijze overbrugt het afvoerverlengstuk 45 de horizontale afstand tussen het luchttoevoerkanaal 5 en het verbindingstoevoerkanaal 35. Wanneer een verbindingselement 31 als in figuur 2a op een zoldervloer geplaatst is, strekken het verbindingstoevoerkanaal 33 en het verbindingsafvoerkanaal 35 zich in hoofdzaak horizontaal uit, bij voorkeur over de breedte van de zolder. Aan het eind van het verbindingselement 31 dat tegenover de aansluiting met gevelelementen 10 gelegen is monden het verbindingstoevoerkanaal 33 en het verbindingsafvoerkanaal 35 uit in de luchttoevoerverzamelleiding 39 en de luchtafvoerverzamelleiding 41. Bij voorkeur liggen de luchttoevoerverzamelleiding 39 en een luchtafvoerverzamelleiding 41 op verschillende hoogten, zoals te zien is in Figuur 2b.
Verbindingselement 31 is ingericht voor toepassing onder een hellend dak. Daartoe is een goot 65, zie figuur 3, geïntegreerd voor hemelwaterafvoer. Ten minste ter plaatse van de goot 65 is het verbindingselement daartoe voorzien van een (waterdichte) coating.
Figuur 2b toont een geopend opzetdeel 50 voor een verbindingselement 31. Het opzetdeel 50 wordt zodanig tegen het verbindingselement 31 geplaatst dat het verbindingstoevoerkanaal 33 en het verbindingsafvoerkanaal 35 in figuur 2a op hoogtes uitmonden die overeenkomen met de hoogtes van de luchttoevoerverzamelleiding 39 respectievelijk de luchtafvoerverzamelleiding 41 in het opzetdeel 50. Aangezien niet ieder kanaal 3, 5, 7, 33, 35, 47 benut hoeft te worden, is het mogelijk om selectief voor de gewenste kanalen 3, 5, 7, 33, 35, 47 aansluitingen 53, 55, 57, 59 in het voorzetstuk 50 te voorzien. Het opzetdeel 50 kan overigens afgesloten worden met een afdekplaat 63, zie figuur 3, die eenvoudig wegneembaar is. Het verbindingselement 31 in figuur 2a omvat een verbindingsleidingkanaal 47 dat zich bij toepassing in het verlengde van het leidingkanaal 7 in het gevelelement 10 uitstrekt en dat ingericht is voor het opnemen van een elektriciteits- of waterleiding. Het verbindingsleidingkanaal 47 mondt op overeenkomstige hoogtes uit in een verzamelleiding 51 voor elektrische leidingen en een verzamelleiding 57 voor waterleidingen. In figuur 2b, bijvoorbeeld, is de verzamelleiding 51 voor elektrische leidingen beneden de verzamelleiding 57 voor waterleidingen voorzien. In de uitvoering in Figuur 2b is verzamelleiding 57 voor waterleidingen voorzien van aansluitingen 57 voor aanvullende warmtewisselaars (zie figuur 3). De warmtewisselaars 61 maken gebruik van het water van een centraal koel- en verwarmingssysteem (CV-systeem) om lucht naar de luchttoevoerkanalen 3 te koelen of te verwarmen. Zodoende kan de temperatuur per ruimte geregeld worden. Daarnaast is het mogelijk om de lucht in de luchttoevoerverzamelleiding 39 te verwarmen door middel van een warmtewisselaar. Bij voorkeur wordt een warmteterugwin-eenheid toegepast die warmte kan uitwisselen tussen de lucht in de luchttoevoerverzamelleiding 39 en de luchtafvoerverzamelleiding 41.
Figuur 3 toont een verticaaldoorsnede-aanzicht van een uitvoering waarin een deel van het verbindingselement 31 uit figuren 2 voorzien is van een opzetdeel 50. Het opzetdeel 50 is afgesloten is met een afdekplaat 63. Aan zijde van de gevelelementen 10 is het verbindingselement 31 verder voorzien van een goot 65. Vanaf de goot 65 verbreedt het verbindingselement 31 zich (in verticale richting) in de richting naar de luchttoevoerverzamelleiding 39 en luchtafvoerverzamelleiding 41. De vorm van het verbindingselement 31 is afgestemd op de vorm van de ruimte 23, bij voorbeeld de zolder, waarin het verbindingsdeel 31 geplaatst wordt. De verbindingselementen 31 zijn gevormd uit blokken van een isolerend materiaal, in het bijzonder Polystyreenschuim (EPS), die bewerkt zijn tot de gewenste vorm, bijvoorbeeld door middel van uitsnijden, frezen of andere geschikte bewerkingstechnieken.
Het verbindingselement 31 is uitstekend geschikt om pannen (niet getoond) van een pannendak te dragen. Hiertoe dient de hellingshoek van de bovenzijde te corresponderen met die van het dak waaronder het verbindingselement 31 is, of althans wordt, geplaatst, of, beter gezegd, waarvan het verbindingselement 31 bij toepassing deel uitmaakt. De onderste rij pannen eindigt boven uitsparing 65 die dan dienst doet als geïntegreerde goot 65 voor afvoer van hemelwater.
Een met een verbindingselement vergelijkbaar element met een geïntegreerde goot kan overigens ook onafhankelijk van de onderhavige uitvinding worden toegepast en beschermd, bijvoorbeeld als dakelement, vervaardigd van isolerend materiaal, omvattende een zich bij toepassing horizontaal uitstrekkend onderoppervlak en een zich in een hoek < 90° ten opzichte van het onderoppervlak uitstrekkend bovenoppervlak, waarbij het bovenoppervlak aan de onderzijde overgaat in een in hoofdzaak U-vormige uitsparing met een zich parallel aan het onderoppervlak uitstrekkende basis, en waarbij het dakelement op geschikte wijze een overgang omvat tussen het van het hellend bovenoppervlak afgekeerde been van de U-vormige uitsparing en het onderoppervlak, waarbij ten minste de U-vormige uitsparing is bekleed met een waterdichte coating en bij toepassing een hemelwaterafvoergoot voor een dak vormt. Bij schuine daken is de hellingshoek gewoonlijk gelegen in het bereik van 30°-60°. Daarbij kan het dakelement, inclusief goot, als één integraal isolatie-element zijn uitgevoerd, waarbij, althans het onderste deel van, een dakisolatie kan worden vervaardigd door het naast elkaar plaatsen van dakelementen, zodanig dat de U-vormige uitsparingen een althans ten minste in hoofdzaak ononderbroken dakgoot vormen. Het hellend deel van het dakelement kan in het verlengde zijn geplaatst van hoger gelegen isolatiemateriaal en eventueel pannenlatten. Het is zelfs denkbaar dat de hoek tussen het onderoppervlak en het bovenoppervlak slechts enkele graden bedraagt, bijvoorbeeld 3° of 4°, voor het verschaffen van isolatie voor een plat dak met dakgoot.
In de figuren en de beschrijving is de uitvinding weergegeven en beschreven onder verwijzing naar slechts enkele als voorbeeld dienende uitvoeringsvormen van de onderhavige uitvinding. Het moge duidelijk zijn, dat vele, al dan niet voor de vakman voor de hand liggende, varianten denkbaar zijn die vallen binnen de beschermingsomvang van de onderhavige uitvinding, die wordt gedefinieerd door de hiernavolgende conclusies. Zo kunnen elementen rechthoekig in plaats van slechts vierkant van dwarsdoorsnede zijn en kan het aantal kanalen dat zich door een element uitstrekt groter of kleiner zijn. Verbindingen tussen kanalen en verzamelkanalen kunnen op verschillende manieren zijn uitgevoerd. Waar in de figuren en beschrijving steeds wordt verwezen naar gevelelementen kunnen de elementen met kanalen zich ook langs een andere binnenmuur uitstrekken, zoals langs een tussenmuur.

Claims (26)

1. In een gebouwwand geïntegreerde, of althans te integreren, klimatiseringsinrichting, omvattende een plaatelement van warmte-isolerend materiaal met een warmtegeleidingscoëfficiënt &lt; 0,15 W/mK met een langsrichting die zich bij toepassing parallel aan en nabij een wand van een gebouw uitstrekt, voorzien van ten minste één zich in de langsrichting van het plaatelement uitstrekkend luchttoevoerkanaal en ten minste één zich in de langsrichting van het plaatelement uitstrekkend luchtafvoerkanaal, waarbij het luchttoevoerkanaal en het luchtafvoerkanaal bij toepassing elk aan één van diens respectieve uiteinden aansluiten op een luchttoevoerverzamelleiding, respectievelijk een luchtafvoerverzamelleiding, met het kenmerk, dat de luchttoevoerverzamelleiding en de luchtafvoerverzamelleiding zich op verschillende hoogten in horizontale richting over een verdieping van het gebouw uitstrekken.
2. Klimatiseringsinrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de luchttoevoerverzamelleiding en de luchtafvoerverzamelleiding zijn samengesteld uit zich in de langsrichting van het plaatelement uitstrekkende verbindingselementen met op elkaar aansluitende uitsparingen, die gezamenlijk een verzamelleiding vormen.
3. Klimatiseringsinrichting volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat een verbindingselement een met de luchttoevoerverzamelleiding verbonden toevoerverlengstuk van een luchttoevoerkanaal en een met de luchtafvoerverzamelleiding verbonden afvoerverlengstuk van een luchtafvoerkanaal van een zich daaronder of daarboven bevindend plaatelement omvat.
4 Klimatiseringsinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat in verschillende te klimatiseren ruimtes in het gebouw ten minste één met de luchttoevoerverzamelleiding verbonden luchttoevoerkanaal en ten minste één met de luchtafvoerverzamelleiding verbonden luchtafvoerkanaal uitmondt.
5. Klimatiseringsinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het plaatelement een uit één of meerdere veeltal modules samengesteld plaatelement is, waarbij elke module bij voorkeur ten minste één luchtkanaal omvat.
6. Klimatiseringsinrichting volgens conclusie 5, met het kenmerk, dat een module in de richting haaks op de langsrichting van het plaatelement en, althans bij toepassing, parallel aan de wand een afmeting omvat die is gelegen in het bereik van 200 tot 600 mm, bij voorkeur in het bereik van 250 tot 400 mm.
7. Klimatiseringsinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de aan de naar de wand toegekeerde zijde en/of aan de van de wand afgekeerde zijde een afwerking is voorzien.
8. Klimatiseringsinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het ten minste ene luchttoevoerkanaal en het ten minste ene luchtafvoerkanaal dichter bij de van de wand afgekeerde zijde dan bij de naar de wand toegekeerde zijde van het plaatelement zijn voorzien.
9. Klimatiseringsinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat ten minste de luchttoevoerverzamelleiding en de luchtafvoerverzamelleiding verbonden zijn met een warmtewisselaar voor het overdragen van warmte tussen de lucht in de luchttoevoerverzamelleiding en tussen de lucht in de luchtafvoerverzamelleiding.
10. Klimatiseringsinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, dat voor meerdere luchttoevoerkanalen elk een warmtewisselaar voorzien is voor het afzonderlijk verwarmen en/of koelen van de lucht in elk luchttoevoerkanaal en/of ten minste de luchttoevoerverzamelleiding verbonden is met een warmtewisselaar.
11. Klimatiseringsinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat ten minste één zich in de langsrichting van het gevelkanaal uitstrekkend leidingkanaal dat is ingericht voor het opnemen van een elektriciteits- of waterleiding of andere leidingen zich door het ten minste ene plaatelement uitstrekt.
12. Klimatiseringsinrichting volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat het leidingkanaal zich tussen het luchttoevoerkanaal en het luchtafvoerkanaal uitstrekt.
13. Klimatiseringsinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat een plaatelement en/of het verbindingselement zijn vervaardigd van schuimmateriaal, in het bijzonder van geëxpandeerd Polystyreenschuim (EPS).
14. Klimatiseringsinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het ten minste ene plaatelement bij toepassing verdiepingshoog is uitgevoerd.
15. Klimatiseringsinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, dat het plaatelement een diepte heeft die is gelegen in het bereik van 150 tot 500 mm, bij voorkeur in het bereik van 250 tot 400 mm.
16. Klimatiseringsinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het luchttoevoerkanaal en/of het luchtafvoerkanaal een dwarsdoorsnede-oppervlak heeft gelegen in het bereik van 2500 tot 10000 mm2.
17. Klimatiseringsinrichting volgens één of meer van de conclusies, in afhankelijkheid van conclusie 5, met het kenmerk, dat het leidingkanaal een dwarsdoorsnede-oppervlak heeft gelegen in het bereik van 500 tot 2500 mm2.
18. Klimatiseringsinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het plaatelement zich langs één of meerdere gevels van het gebouw uitstrekt.
19. Klimatiseringsinrichting volgens conclusie 18, met het kenmerk, dat het plaatelement en het tussenwandelement van in hoofdzaak gelijke vorm en materiaal zijn.
20. Klimatiseringsinrichting volgens conclusie 18 of 19, met het kenmerk, dat het plaatelement en het tussenwandelement van verschillende vormen en materialen zijn.
21. Klimatiseringsinrichting volgens conclusie 18, 19 of 20, met het kenmerk, dat het luchttoevoerkanaal en het luchtafvoerkanaal van het tussenwandelement aangesloten zijn op het luchttoevoerkanaal, respectievelijk het luchtafvoerkanaal van het plaatelement door middel van een tussenwandaansluitstuk.
22. Tussenwandelement voor toepassing in een volgens klimatiseringsinrichting één of meerdere van de conclusies 18 tot en met 21.
23. Plaatelement ingericht voor toepassing in een klimatiseringsinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies.
24. Verbindingselement ingericht voor toepassing bij een klimatiseringsinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies.
25. Werkwijze voor het isoleren van een gebouw, omvattende de stappen van: het verschaffen van één of een veelheid plaatelementen van een isolerend materiaal volgens conclusie 23; het verschaften van één of een veelheid verbindingselementen van een isolerend materiaal volgens conclusie 24; het naast elkaar bevestigen van de plaatelementen tegen een wand van het gebouw; het bevestigen van de verbindingselementen tegen een vloer of plafond, waarbij de luchttoevoerkanalen en de luchtafvoerkanalen van de plaatelementen communicerend worden verbonden met de toevoerverlengstukken, respectievelijk de afvoerverlengstukken van de verbindingselementen.
26. Werkwijze voor het isoleren van een gebouw, omvattende de stappen van: het verschaffen van één of een veelheid plaatelementen van een isolerend materiaal volgens conclusie 23; het verschaften van één of een veelheid verbindingselementen van een isolerend materiaal volgens conclusie 24; het verschaften van een één of veelheid tussenwandelementen van een isolerend materiaal volgens conclusie 22; het in hoofdzaak verticaal naast elkaar bevestigen van de plaatelementen tegen een wand van het gebouw; het in hoofdzaak horizontaal naast elkaar bevestigen van de tussenwandelementen tegen een tussenwand van het gebouw, waarbij de luchttoevoerkanalen en de luchtafvoerkanalen van de in hoofdzaak horizontale tussenwandelementen tegen de tussenwand communicerend verbonden worden met de luchttoevoerkanalen en respectievelijk de luchtafvoerkanalen van de in hoofdzaak verticale plaatelementen tegen de wand; het bevestigen van de verbindingselementen tegen een vloer of plafond, waarbij de luchttoevoerkanalen en de luchtafvoerkanalen van de plaatelementen communicerend worden verbonden met de toevoerverlengstukken, respectievelijk de afvoerverlengstukken van de verbindingselementen.
NL2011503A 2013-09-26 2013-09-26 Klimatiseringsinrichting voor een gebouw en werkwijze voor het isoleren van een gebouw met behulp van een dergelijke klimatiseringsinrichting. NL2011503C2 (nl)

Priority Applications (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2011503A NL2011503C2 (nl) 2013-09-26 2013-09-26 Klimatiseringsinrichting voor een gebouw en werkwijze voor het isoleren van een gebouw met behulp van een dergelijke klimatiseringsinrichting.

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2011503 2013-09-26
NL2011503A NL2011503C2 (nl) 2013-09-26 2013-09-26 Klimatiseringsinrichting voor een gebouw en werkwijze voor het isoleren van een gebouw met behulp van een dergelijke klimatiseringsinrichting.

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL2011503C2 true NL2011503C2 (nl) 2015-03-30

Family

ID=49775695

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL2011503A NL2011503C2 (nl) 2013-09-26 2013-09-26 Klimatiseringsinrichting voor een gebouw en werkwijze voor het isoleren van een gebouw met behulp van een dergelijke klimatiseringsinrichting.

Country Status (1)

Country Link
NL (1) NL2011503C2 (nl)

Citations (3)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
FR2930269A1 (fr) * 2008-04-18 2009-10-23 Daniel Negroni Bouclier climatique a circulation d'air
DE202010004933U1 (de) * 2010-04-13 2010-09-30 Santore, Karl Wand-Wärmetauscher
DE102009020728A1 (de) * 2009-05-11 2010-11-25 Rövekamp Sanitär Fertigteile GmbH Bausteine für Lüftungskanäle

Patent Citations (3)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
FR2930269A1 (fr) * 2008-04-18 2009-10-23 Daniel Negroni Bouclier climatique a circulation d'air
DE102009020728A1 (de) * 2009-05-11 2010-11-25 Rövekamp Sanitär Fertigteile GmbH Bausteine für Lüftungskanäle
DE202010004933U1 (de) * 2010-04-13 2010-09-30 Santore, Karl Wand-Wärmetauscher

Similar Documents

Publication Publication Date Title
CA2761005C (en) Forced air radiant heating utilicore and module and building incorporating same
US11767990B2 (en) Facade panel conditioning system
PL192371B1 (pl) Sposób klimatyzowania budynków zwłaszcza budynków energooszczędnych oraz budynek klimatyzowany zwłaszcza budynek energooszczędny
US20140209270A1 (en) Dynamic insulation systems
US20130008109A1 (en) Dynamic Insulation.
US20100132914A1 (en) Hot water supply device for house
JP2015532955A (ja) モジュール式ハイブリッド壁組立体
JPH07218002A (ja) ソーラーシステム及びそれを備えた建物
WO2010006813A1 (en) Metal &#34;log&#34; building with rigid insulation
EP1923643A2 (en) A building system
JP3180823U (ja) 二重断熱構造家屋
NL2011503C2 (nl) Klimatiseringsinrichting voor een gebouw en werkwijze voor het isoleren van een gebouw met behulp van een dergelijke klimatiseringsinrichting.
JP3187707B2 (ja) 構築物の冷暖房・換気システム
JPH0932140A (ja) 建築物の通気構造
NL8100944A (nl) Klimatiseringssysteem voor gebouwen.
WO2009061185A1 (en) Wall or floor system for a house or building
WO2012105134A1 (ja) 地中熱と太陽熱を利用した空調システム
JP5960507B2 (ja) 建築物
CZ118199A3 (cs) Topná a chladící soustava budovy
JP3249955U (ja) ヒートポンプを用いた寒冷地用戸建住宅
EP4121618B1 (en) Building service element
KR101326034B1 (ko) 단열재 및 환기 시스템을 구비하는 목조주택
JP6148473B2 (ja) 建物の太陽熱集熱装置
JP3117101U (ja) 軽量断熱構造のエアコン付き家屋
JP3368486B2 (ja) 建築構造及びそれを備えた建物

Legal Events

Date Code Title Description
MM Lapsed because of non-payment of the annual fee

Effective date: 20241001