NL2017461B1 - Betonnen afdekelement voor een golfbrekende of golfremmende constructie, alsmede constructie voorzien van een veelheid van dergelijke afdekelementen - Google Patents

Betonnen afdekelement voor een golfbrekende of golfremmende constructie, alsmede constructie voorzien van een veelheid van dergelijke afdekelementen Download PDF

Info

Publication number
NL2017461B1
NL2017461B1 NL2017461A NL2017461A NL2017461B1 NL 2017461 B1 NL2017461 B1 NL 2017461B1 NL 2017461 A NL2017461 A NL 2017461A NL 2017461 A NL2017461 A NL 2017461A NL 2017461 B1 NL2017461 B1 NL 2017461B1
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
plate
cover element
nose
axis
noses
Prior art date
Application number
NL2017461A
Other languages
English (en)
Inventor
Sebastiaan Reedijk Jan
Pieter Michaël Jacobs Robert
Bastiaan Bakker Pieter
Original Assignee
Koninklijke Bam Groep Nv
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Priority to NL2017461A priority Critical patent/NL2017461B1/nl
Application filed by Koninklijke Bam Groep Nv filed Critical Koninklijke Bam Groep Nv
Priority to US16/333,089 priority patent/US10745878B2/en
Priority to PE2019000498A priority patent/PE20190875A1/es
Priority to MYPI2019001352A priority patent/MY198048A/en
Priority to PL17781570.1T priority patent/PL3513005T3/pl
Priority to ES17781570T priority patent/ES3057336T3/es
Priority to MX2019002905A priority patent/MX2019002905A/es
Priority to EP17781570.1A priority patent/EP3513005B1/en
Priority to MA046241A priority patent/MA46241A/fr
Priority to CN201780056249.6A priority patent/CN109844227B/zh
Priority to BR112019004688-7A priority patent/BR112019004688B1/pt
Priority to JP2019514213A priority patent/JP6852149B2/ja
Priority to AU2017328274A priority patent/AU2017328274B2/en
Priority to PCT/NL2017/050603 priority patent/WO2018052292A1/en
Application granted granted Critical
Publication of NL2017461B1 publication Critical patent/NL2017461B1/nl
Priority to CL2019000606A priority patent/CL2019000606A1/es
Priority to PH12019500523A priority patent/PH12019500523A1/en
Priority to SA519401327A priority patent/SA519401327B1/ar
Priority to ZA2019/01819A priority patent/ZA201901819B/en
Priority to CONC2019/0003403A priority patent/CO2019003403A2/es

Links

Classifications

    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E02HYDRAULIC ENGINEERING; FOUNDATIONS; SOIL SHIFTING
    • E02BHYDRAULIC ENGINEERING
    • E02B3/00Engineering works in connection with control or use of streams, rivers, coasts, or other marine sites; Sealings or joints for engineering works in general
    • E02B3/04Structures or apparatus for, or methods of, protecting banks, coasts, or harbours
    • E02B3/12Revetment of banks, dams, watercourses, or the like, e.g. the sea-floor
    • E02B3/129Polyhedrons, tetrapods or similar bodies, whether or not threaded on strings
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E02HYDRAULIC ENGINEERING; FOUNDATIONS; SOIL SHIFTING
    • E02BHYDRAULIC ENGINEERING
    • E02B3/00Engineering works in connection with control or use of streams, rivers, coasts, or other marine sites; Sealings or joints for engineering works in general
    • E02B3/04Structures or apparatus for, or methods of, protecting banks, coasts, or harbours
    • E02B3/12Revetment of banks, dams, watercourses, or the like, e.g. the sea-floor
    • E02B3/14Preformed blocks or slabs for forming essentially continuous surfaces; Arrangements thereof
    • YGENERAL TAGGING OF NEW TECHNOLOGICAL DEVELOPMENTS; GENERAL TAGGING OF CROSS-SECTIONAL TECHNOLOGIES SPANNING OVER SEVERAL SECTIONS OF THE IPC; TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC CROSS-REFERENCE ART COLLECTIONS [XRACs] AND DIGESTS
    • Y02TECHNOLOGIES OR APPLICATIONS FOR MITIGATION OR ADAPTATION AGAINST CLIMATE CHANGE
    • Y02ATECHNOLOGIES FOR ADAPTATION TO CLIMATE CHANGE
    • Y02A10/00TECHNOLOGIES FOR ADAPTATION TO CLIMATE CHANGE at coastal zones; at river basins
    • Y02A10/11Hard structures, e.g. dams, dykes or breakwaters

Landscapes

  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • General Engineering & Computer Science (AREA)
  • Environmental & Geological Engineering (AREA)
  • Ocean & Marine Engineering (AREA)
  • Mechanical Engineering (AREA)
  • Civil Engineering (AREA)
  • Structural Engineering (AREA)
  • Chemical & Material Sciences (AREA)
  • Crystallography & Structural Chemistry (AREA)
  • Inorganic Chemistry (AREA)
  • Revetment (AREA)

Abstract

De uitvinding betreft een betonnen afdekelement (140) voor een golfbrekende of golfremmende constructie. Het afdekelement (140) omvat een plaatdeel (16) en twee neuzen (17, 18). Het plaatdeel (16) ligt in het xy-vlak en heeft een dikte (T). De twee neuzen (17, 18) steken in tegenovergestelde richting vanaf het plaatdeel (16) uit en zijn een geheel met het plaatdeel. Het plaatdeel (16) is imaginair op te vatten als: gevormd uit een vierhoekige plaat (1) waarvan twee tegenoverliggende plaatranden (8, 10) bij het midden zijn ingesneden voor het vormen van een plaatuitsparing (14, 15), en waarvan de op de eerste plaatdiagonaal (2) gelegen hoeken (4, 6) beide zijn afgesneden langs een eerste snijlijn (22). Het plaatdeel (16) heeft een eerste afmeting (D1) gemeten langs de eerste plaatdiagonaal (2) en een tweede afmeting (D2) gemeten langs de tweede plaatdiagonaal (3). De eerste afmeting (D1) is kleiner is dan de tweede afmeting (D2).

Description

Octrooicentrum
Nederland
Figure NL2017461B1_D0001
Θ 2017461
BI OCTROOI @ Int. CL:
E02B 3/12 (2016.01) E02B 3/14 (2017.01) (21) Aanvraagnummer: 2017461 © Aanvraag ingediend: 14/09/2016
(Tl) Aanvraag ingeschreven: (73) Octrooihouder(s):
22/03/2018 Koninklijke BAM Groep N.V. te BUNNIK.
(43) Aanvraag gepubliceerd:
- (72) Uitvinder(s):
Jan Sebastiaan Reedijk te GOUDA.
(47) Octrooi verleend: Robert Pieter Michael Jacobs te UTRECHT.
22/03/2018 Pieter Bastiaan Bakker
te NIEUWERKERK AAN DEN IJSSEL.
(45) Octrooischrift uitgegeven:
22/03/2018
(74) Gemachtigde:
ir. H.V. Mertens c.s. te Rijswijk.
(541 (57
Figure NL2017461B1_D0002
Betonnen afdekelement voor een golfbrekende of golfremmende constructie, alsmede constructie voorzien van een veelheid van dergeiijke afdekelementen
De uitvinding betreft een betonnen afdekelement (140) voor een golfbrekende of golfremmende constructie. Het afdekelement (140) omvat een plaatdeel (16) en twee neuzen (17, 18). Het plaatdeel (16) ligt in het xy-vlak en heeft een dikte (T). De twee neuzen (17, 18) steken in tegenovergestelde richting vanaf het plaatdeel (16) uit en zijn een geheel met het plaatdeel. Het plaatdeel (16) is imaginair op te vatten als: gevormd uit een vierhoekige plaat (1) waarvan twee tegenoverliggende plaatranden (8, 10) bij het midden zijn ingesneden voor het vormen van een plaatuitsparing (14,15), en waarvan de op de eerste plaatdiagonaal (2) gelegen hoeken (4, 6) beide zijn afgesneden langs een eerste snijlijn (22). Het plaatdeel (16) heeft een eerste afmeting (Dl) gemeten langs de eerste plaatdiagonaal (2) en een tweede afmeting (D2) gemeten langs de tweede plaatdiagonaal (3). De eerste afmeting (Dl) is kleiner is dan de tweede afmeting (D2).
NL BI 2017461
Dit octrooi is verleend ongeacht het bijgevoegde resultaat van het onderzoek naar de stand van de techniek en schriftelijke opinie. Het octrooischrift komt overeen met de oorspronkelijk ingediende stukken.
P32337NL00/YGR
Korte aanduiding: Betonnen afdekelement voor een golfbrekende of golfremmende constructie, alsmede constructie voorzien van een veelheid van dergelijke afdekelementen.
De onderhavige uitvinding heeft betrekking op een betonnen afdekelement voor een golfbrekende of golfremmende constructie, zoals een talud. Het afdekelement bestaat uit een plaatdeel met aan de ene plaatzijde een vanaf het plaatdeel uitstekende neus en aan de tegenoverliggende andere plaatzijde een in tegenovergestelde richting uitstekende neus. De onderhavige uitvinding heeft verder ook betrekking op een golfremmende/golfbrekende constructie, zoals een talud of golfbreker, omvattende een veelheid afdekelementen volgens de uitvinding.
Een dergelijk afdekelement voor een golfbrekende of golfremmende constructie is bekend uit onder meer WO-2004/009910, EP-1.165.894 en US-3.614.866.
Het plaatdeel is bij deze bekende afdekelementen X-vormig of H-vormig, met vanuit het centrale gedeelte van de X/H-vorm uitsteeksels in de vorm van vier poten en twee neuzen. De vier poten strekken zich hierbij uit in de richting van het plaatdeel, vormen tezamen met het centrale gedeelte het plaatdeel en bepalen de X-vorm of H-vorm. De twee neuzen steken vanaf het centrale deel uit in een ten opzichte van elkaar tegenovergestelde richting dwars ten opzichte van het door de poten opgespannen plaatdeel. Wanneer een veelheid van dergelijke bekende afdekelementen op een schuine helling wordt neergelegd zorgen deze uitsteeksels voor een onderling in elkaar haken van de afdekelementen waardoor een stabiele constructie wordt verkregen. Verder zorgen de uitsteeksels ervoor dat tussen aangrenzende afdekelementen de nodige vrije ruimtes overblijven waartussen de golfslag van op de afdekelementen inwerkend water gebroken kan worden. Verder hebben deze rondom voorziene uitsteeksels tot doel ervoor te zorgen dat de afdekelementen zich ook in de ondergrond verankeren doordat er altijd wel een uitsteeksel is dat zich met zijn uiteinde in de ondergrond boort. Voor het goed functioneren van deze bekende afdekelementen in een golfbrekende of golfremmende constructie zijn de door de vier poten van de X/H-vorm en de neuzen verschafte zes, rondom voorziene uitsteeksels van groot belang.
De uitvinding heeft tot doel te verschaffen een alternatief betonnen afdekelement voor een golfbrekende/golfremmende constructie.
Een verder doel van de uitvinding is enerzijds het verschaffen van enerzijds een duurzame, betrouwbare en goed functionerende golfbrekende/golfremmende constructie die
-2 een regelmatig geordend patroon heeft, en anderzijds het verschaffen van een of meer afdekelementen die dit mogelijk maken of vergemakkelijken.
Een nog verder doel van de uitvinding is het verschaffen van enerzijds een duurzame, betrouwbare en goed functionerende golfbrekende/golfremmende constructie waarmee het verbruik aan materiaal - in het bijzonder beton - benodigd voor die constructie zich laat reduceren, en anderzijds het verschaffen van een of meer afdekelementen die dit mogelijk maken.
Aanvraagster is tot het inzicht gekomen dat wanneer, uitgaande van een afdekelement van het type met X/H-vormig plaatdeel en twee neuzen, een of twee diagonaal tegenoverliggende poten van het X/H-vormige plaatdeel verwijderd worden, het resulterende afdekelement de basis kan vormen voor een golfbrekende/golfremmende constructie, die eveneens zeer stabiel is en uitstekende golfbrekende/golfremmende eigenschappen bezit. Dit inzicht heeft geresulteerd in een afdekelement volgens een eerste aspect van de uitvinding en een constructie van een veelheid van dergelijke afdekelementen volgens een tweede aspect van de uitvinding. Daarnaast heeft dit inzicht geleid tot verdere dóórontwikkelingen naar een afdekelement respectievelijk een golfbrekende/golfremmende constructie met een gereduceerd materiaal verbruik en/of verbeterde golfbrekende/golfremmende werking. Dit heeft geresulteerd in afdekelementen volgens een derde, vierde en vijfde aspect van de uitvinding alsmede daarmee verkregen golfbrekende/golfremmende constructies.
Het derde, vierde en vijfde aspect volgens de uitvinding zijn - volgens de uitvinding niet alleen in combinatie met het eerste en/of tweede aspect van de uitvinding toepasbaar, maar zijn ook los van het eerste en/of tweede aspect van de uitvinding toepasbaar. Verder zijn - volgens de uitvinding - het derde, vierde en vijfde aspect van de uitvinding in elke willekeurige combinatie met elkaar toepasbaar alsook geheel los van elkaar toepasbaar. Zonder de pretentie te hebben uitputtend te willen zijn, komt dit er voor het derde aspect van de uitvinding bijvoorbeeld op neer dat:
• het derde aspect zich zonder het vierde aspect en zonder het vijfde aspect laat toepassen in combinatie met het eerste en/of tweede aspect;
• het derde aspect zich samen met het vierde aspect maar zonder het vijfde aspect laat toepassen in combinatie met het eerste en/of tweede aspect;
• het derde aspect zich samen met het vijfde aspect maar zonder het vierde aspect laat toepassen in combinatie met het eerste en/of tweede aspect;
• het derde aspect zich samen met het vierde en vijfde aspect laat toepassen in combinatie met het eerste en/of tweede aspect;
-3• het derde aspect zich laat toepassen zonder dat daarbij het eerste aspect, het tweede aspect, het vierde aspect en het vijfde aspect toegepast worden;
• het derde aspect zich samen met het vierde concept laat toepassen zonder dat daarbij het eerste aspect, het tweede aspect en het vijfde aspect toegepast worden;
• het derde aspect zich samen met het vijfde aspect laat toepassen zonder dat daarbij het eerste aspect, het tweede aspect en het vierde aspect toegepast worden;
• het derde aspect zich samen met het vierde aspect en samen met het vijfde aspect laat toepassen zonder dat daarbij het eerste en tweede aspect toegepast worden;
Zonder dit voorbeeld voor het vierde en vijfde aspect te herhalen, zal het duidelijk zijn dat dit op overeenkomstige wijze ook voor het vierde respectievelijk vijfde aspect geldt.
Eerste aspect
Op andere en meer gedetailleerd wijze - dan hiervoor bij het inzicht van aanvraagster geschetst is - laat het afdekelement zich volgens het eerste aspect van de uitvinding overeenkomstig conclusie 1 omschrijven als:
Afdekelement van beton voor een golfbrekende of golfremmende constructie, zoals een talud,
- waarbij een x-as, een y-as en een z-as een imaginair stelsel van assen, zoals een stelsel van orthogonale assen, definieert en waarbij de x-as en y-as een xy-vlak definiëren en de z-as loodrecht op het xy-vlak staat;
- waarbij het afdekelement een plaatdeel en twee neuzen omvat, waarbij het plaatdeel zich uitstrekt in de richting van het xy-vlak en een dikte heeft die zich uitstrekt in de richting van de z-as, en waarbij de twee neuzen in de richting van de z-as, in ten opzichte van elkaar tegenovergestelde richting vanaf het plaatdeel uitsteken en als een geheel met het plaatdeel gevormd zijn;
- waarbij het plaatdeel imaginair is op te vatten als:
o gevormd uit een imaginaire vierhoekige plaat - bijvoorbeeld een trapezium of een parallellogram, zoals een rechthoek, vierkant of een ruit - met een eerste plaatdiagonaal die zich evenwijdig aan de y-as uitstrekt en een tweede plaatdiagonaal die zich evenwijdig aan de x-as uitstrekt, waarbij de vierhoekige plaat in het xy-vlak is begrensd door vier imaginaire plaathoeken en vier imaginaire plaatranden;
o van welke imaginaire plaat twee tegenoverliggende imaginaire plaatranden elk, bij het midden van de respectieve plaatrand, imaginair zijn ingesneden voor het vormen van een plaatuitsparing; en
-4 o van welke imaginaire plaat tenminste een van de twee op de eerste plaatdiagonaal gelegen imaginaire hoeken imaginair is afgesneden langs een eerste snijlijn die beide aan de respectieve hoek grenzende imaginaire plaatranden snijdt;
- waarbij het plaatdeel een eerste afmeting heeft gemeten langs de eerste plaatdiagonaal en een tweede afmeting heeft gemeten langs de tweede plaatdiagonaal; en
- waarbij de eerste afmeting kleiner is dan de tweede afmeting.
Ingeval de vierhoekige plaat, waaruit het plaatdeel imaginair kan worden gedacht te zijn gevormd, vierkant is, zal, bij het eerste aspect van de uitvinding, het imaginaire stelsel van xyz-assen een stelsel van orthogonale assen zijn.
Het afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding laat zich overeenkomstig het tweede aspect van de uitvinding zeer efficiënt plaatsen in rijen, waarbij in een rij de afdekelementen telkens met de neuzen op één lijn liggen, zodat de neuzen de plaatdelen op onderlinge afstand houden en er tussen de plaatdelen vrije ruimtes overblijven waarin de golfslag van hierop inwerkend water zich laat breken/remmen. Meerdere van dergelijke in horizontale richting verlopende rijen kunnen overeenkomstig het tweede aspect van de uitvinding schuin boven elkaar langs de helling van een talud geplaatst worden. De plaatdelen strekken zich, wanneer de afdekelementen in genoemde rijen op een talud geplaatst zijn, uit in een verticaal vlak, waarbij de eerste plaatdiagonalen in hoofdzaak verticaal verlopen met de afgesneden einden van die eerste plaatdiagonalen naar beneden wijzend en de tweede plaatdiagonalen in hoofdzaak horizontaal verlopen zodat ze met een eind van de tweede plaatdiagonaal op de helling van het talud steunen, met het andere eind van de tweede plaatdiagonaal op een lager gelegen rij afsteunen en tussen de einden van de tweede plaatdiagonaal zogezegd zweven.. Door de druk van bovenliggende afdekelementen zullen - overeenkomstig het tweede aspect van de uitvinding - de op de helling afsteunende einden van de tweede plaatdiagonaal van lager gelegen afdekelementen stevig in de helling gedrukt worden en aldus weerstand bieden tegen een langs de helling naar beneden schuiven. Opeenvolgende boven elkaar gelegen rijen kunnen - overeenkomstig het tweede aspect van de uitvinding - ook ten opzichte van elkaar versprongen zijn. Een plaatdeel uit een bovenliggende rij steunt dan af op een of meer neuzen van plaatdelen uit een onderliggende rij. Hierdoor wordt het onderlinge verband van de veelheid afdekelementen volgens de uitvinding verbeterd waardoor de stabiliteit van de constructie toeneemt. De rijen hoeven echter niet versprongen ten opzichte van elkaar te liggen. De plaatdelen van bovenliggende rijen kunnen ook telkens op plaatdelen uit onderliggende rijen afsteunen. Aldus wordt een constructie verkregen met zeer goede golfbrekende en golfremmende eigenschappen. Evident is dat het materiaalverbruik - lees
-5de hoeveelheid benodigd beton - per afdekelement volgens de uitvinding aanzienlijk minder is dan bij een vergelijkbaar bekend afdekelement van het type met X/H-vormig plaatdeel en twee neuzen. Ze zijn daardoor niet alleen goedkoper, maar ook gemakkelijker te manipuleren en te transporteren. Echter het afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding laat zich ook op een helling plaatsen in een ruim uit elkaar geplaatst verband dat resulteert in een stabiele constructie met, als gevolg van de tussenruimtes tussen aangrenzende plaatdelen, uitstekende golfbrekende en golfremmende eigenschappen. Als gevolg van het ruim uit elkaar geplaatste verband is ook voor de aldus verkregen golfbrekende/golfremmende constructie het materaalverbruik - lees de hoeveelheid benodigd beton - aanzienlijk minder dan bij constructies vervaardigd van vergelijkbare bekende afdekelementen van het type met X/H-vormig plaatdeel en twee neuzen.
Bij weer een verdere uitvoeringsvorm van het afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding, zijn beide op de eerste plaatdiagonaal gelegen hoeken van de plaat afgesneden langs een genoemde eerste snijlijn. De resterende plaatdelen hebben aldus een in wezen langwerpige vorm, welke langwerpige vorm zich uitstrekt in de richting van de tweede plaatdiagonaal. Wanneer de afdekelementen in de eerder genoemde rijen boven elkaar op een talud geplaatst zijn, zullen de langwerpige plaatdelen zich in horizontale richting uitstrekken met het ene eind van het langwerpige plaatdeel afsteunend op het talud en het andere eind van het langwerpige plaatdeel afsteunend op de ondergelegen rij afdekelmenten.
Het afdekelement laat zich volgens een verdere uitvoering van het eerste aspect van de uitvinding nader karakteriseren als dat de eerste afmeting 35% tot 65% van de lengte van de eerste plaatdiagonaal bedraagt. Volgens een nog nadere uitvoeringsvorm het eerste aspect van de uitvinding laat het afdekelement zich karakteriseren als dat de eerste afmeting 40% tot 50% van de lengte van de eerste plaatdiagonaal bedraagt. De lengte van de eerste plaatdiagonaal is hierbij de afstand tussen de op deze eerste plaatdiagonaal gelegen imaginaire plaathoeken van de imaginaire uitgangsplaat waaruit het plaatdeel imaginair kan worden gedacht te zijn gevormd.
Bij een verdere uitvoeringsvorm van het afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding is de eerste snijlijn een rechte lijn en verloopt deze onder een hoek van 70° a 90° - meer in het bijzonder onder een hoek van 80° a 90°, zoals 90° - ten opzichte van de eerste plaatdiagonaal.
Bij weer een verdere uitvoeringsvorm van het afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding, is het plaatdeel verder imaginair op te vatten als dat alle vier de imaginaire plaatranden elk, bij het midden van de respectieve plaatrand, imaginair ingesneden zijn voor het vormen van een genoemde plaatuitsparing. Aldus wordt een afdekelement verkregen met plaatdeel dat imaginair gevormd is uit een vierhoekige
-6uitgangsplaat die langs elk van de vier plaatranden in het midden is ingesneden om aldus vier plaatuitsparingen te verkrijgen, hetgeen een X-vormig plaatdeel zou opleveren als de op de eerste plaatdiagonaal gelegen hoeken niet afgesneden zouden zijn.
Volgens een nadere uitvoeringsvorm van het afdekelement met vier van die imaginaire plaatuitsparingen, is het plaatdeel volgens het eerste aspect van de uitvinding verder imaginair op te vatten als dat één van de op de tweede plaatdiagonaal gelegen hoeken is afgesneden langs een tweede snijlijn, welke tweede snijlijn enerzijds snijdt met een van de eerste snijlijnen en anderzijds snijdt met een van de plaatranden die grenst aan de langs de tweede snijlijn afgesneden hoek. Aldus wordt een verdere besparing aan materiaal - lees vooral beton - gerealiseerd, terwijl de golfbrekende of golfremmende werking van een met dergelijke afdekelementen vervaardigde constructie nog steeds uitstekend is.
Volgens een verdere uitvoering van een afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding met tweede (imaginaire) snijlijn, strekt de tweede snijlijn zich uit evenwijdig aan een van de imaginaire plaatranden die aan de langs de tweede snijlijn afgesneden hoek grenst. In het bijzonder zal de tweede snijlijn hierbij raken aan het diepste punt van de plaatuitsparing ingesneden in één van de imaginaire plaatranden die aan de langs de tweede snijlijn afgesneden hoek grenst. Aldus wordt aan het plaatdeel een ‘schuin’ zijvlak gevormd, dat zich bij plaatsing van het afdekelement op een helling evenwijdig aan die helling kan uitstrekken.
Volgens een verdere uitvoering van het afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding, heeft elke plaatuitsparing, beschouwd in de richting van het xy-vlak, xyafmetingen die, beschouwd in de richting van de z-as, in wezen constant zijn. Dat wil zeggen elke plaatuitsparing is beschouwd in de richting van de z-as aan beide zijden van het plaatdeel 16 open en heeft beschouwd in de richting van de z-as onveranderlijke xyafmetingen.
Volgens een verdere uitvoering van het afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding hebben ten minste twee van de plaatuitsparingen, zoals alle vier de plaatuitsparingen, een diepte, die gemeten vanaf en loodrecht op de bijbehorende plaatrand, ten minste 20% van een in dezelfde richting gemeten dikte van de neus, waarbij de dikte van de neus is gemeten op een afstand vanaf het uiteinde van de neus die circa 20% van de dikte van de plaat bedraagt. Volgens een nadere uitvoering bedraagt die diepte van de plaatuitsparing ten minste 25%, zoals ten minste 30% van de in dezelfde richting gemeten dikte van de neus.
Daar waar in deze aanvrage sprake is van een ‘bijbehorende plaatrand’ in relatie tot een plaatuitsparing wordt bedoeld die plaatrand waarin deze plaatuitsparing is uitgespaard.
-7Volgens een verdere uitvoering van het afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding laat de breedte van een plaatuitsparing zich karakteriseren als dat deze breedte, gemeten op en langs de bijbehorende plaatrand, ten minste, 80% van een in dezelfde richting gemeten breedte van de neus bedraagt, waarbij de breedte van de neus hier is gemeten op een afstand van het uiteinde van de neus die circa 20% van de dikte van de plaat bedraagt. Volgens een nog nadere uitvoering is deze breedte van de plaatuitsparing ter plaatse van de plaatrand ten minste 95%, zoals ten minste 100%, van die in dezelfde richting gemeten breedte van een neus.
Volgens een verdere uitvoering van het afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding, zijn de plaatuitsparingen, beschouwd in het xy-vlak trapeziumvormig met de langste zijde van de trapezium gelegen op de bijbehorende plaatrand.
Volgens een verdere uitvoering van het afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding hebben de neuzen beschouwd in de richting van de z-as, een hoogte, die ten minste 80%, zoals 100% of meer, van de dikte van het plaatdeel bedraagt. De hoogte van elke neus kan dus gelijk zijn aan de dikte van het plaatdeel.
Volgens een verdere uitvoering van het afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding, zijn de neuzen gecentreerd op het midden van de imaginaire vierhoekige plaat.
Volgens een verdere uitvoering van het afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding hebben de neuzen, beschouwd in de richting van het xy-vlak, een vierhoekige, in het bijzonder vierkante dwarsdoorsnedevorm. Elke hoek van de vierhoekige dwarsdoorsnedevorm van een genoemde neus kan hierbij, beschouwd bij loodrechte projectie van de respectieve neus op de imaginaire plaat ongeveer liggen op een imaginaire lijn die het middelpunt van de imaginaire plaatrand verbindt met het middelpunt van de neus. Aldus wordt een neus verkregen die, wanneer de tweede plaatdiagonaal in wezen horizontaal verloopt, een vlakke bovenzijde heeft. Dit is gunstig in verband met het daarop afsteunen van een ander overeenkomstig afdekelement.
Volgens een andere nadere uitvoering van het eerste aspect van de uitvinding ligt bij een afdekelement met vierhoekige neus elke hoek van de vierhoekige dwarsdoorsnedevorm van een neus, beschouwd bij loodrechte projectie van de respectieve neus op de imaginaire plaat, ongeveer op de eerste of tweede plaat plaatdiagonaal.
Volgens een verdere uitvoering van het afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding bedraagt de dikte van het plaatdeel ongeveer 25% tot 42%, zoals ongeveer 1/3 deel, van de lengte van de imaginaire plaatranden.
Volgens een verdere uitvoering van het afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding bedraagt de dikte van het plaatdeel ongeveer 20% tot 30% van de langs de tweede plaatdiagonaal gemeten tweede afmeting.
-8Volgens een verdere uitvoering van het afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding ligt de dikte van het plaatdeel in het bereik van 30 cm tot 150 cm.
Volgens een verdere uitvoering van het afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding heeft een van de imaginaire plaatranden een lengte in het bereik van 90 cm tot 450 cm. In het bijzonder zullen alle imaginaire plaatranden een lengte in dit bereik hebben.
Volgens een verdere uitvoering van het afdekelement volgens de uitvinding hebben de imaginaire plaatranden onderling ongeveer gelijke lengtes.
Tweede aspect
Volgens het tweede aspect heeft de uitvinding betrekking op een golfbrekende of golfremmende constructie omvattende een veelheid aan afdekelementen van het type gevormd uit een X-vormig of H-vormig plaatdeel met:
• vier door de X-vorm of H-vorm bepaalde poten waarvan er twee op een eerste diagonaal van het plaatdeel liggen en twee op een tweede diagonaal van het plaatdeel; en • met twee dwars op het plaatdeel staande, in tegenovergestelde richting van het plaatdeel uitstekende neuzen;
waarbij tenminste een van de twee op een eerste diagonaal gelegen poten van het plaatdeel verwijderd is;
waarbij de veelheid afdekelementen in horizontale, tegen een talud boven elkaar liggende rijen geordend is met per rij de neuzen van de aangrenzende afdekelementen op een lijn liggend en met per afdekelement de tweede diagonaal horizontaal georiënteerd; waarbij per rij een eerste van de op de tweede diagonaal gelegen poten van de afdekelementen uit die rij telkens afsteunt op twee aangrenzende neuzen van aangrenzende afdekelementen uit een onderliggende rij terwijl de andere van de op de tweede diagonaal gelegen poten van de afdekelementen uit die rij afsteunt op het talud. Aldus wordt een ligging van afdekelementen op het talud verkregen die lijkt op die van dakpannen met afwisselend verspringende (horizontale) pannenrijen. Dit resulteert in een stevig onderling verband.
Anders verwoord heeft de uitvinding volgens het tweede aspect betrekking op een golfbrekende of golfremmende constructie, zoals een talud of golfbreker, omvattende een veelheid aan afdekelementen volgens het eerste aspect van de uitvinding en/of volgens het nog te bespreken derde aspect van de uitvinding en/of volgens het nog te bespreken vierde aspect van de uitvinding en/of volgens het vijfde aspect van de uitvinding.
Volgens een verdere uitvoering van de constructie volgens het tweede aspect van de uitvinding zijn de afdekelementen geplaatst in horizontale, tegen het talud boven elkaar
-9liggende rijen met de eerste plaatdiagonaal in wezen verticaal; liggen de neuzen van aangrenzende afdekelementen per rij op één lijn; steunt een op de tweede plaatdiagonaal gelegen eerste hoekdeel van een afdekelement uit een bovenliggende rij telkens af op twee aangrenzende neuzen van aangrenzende afdekelementen uit een onderliggende rij; en steunt een op de tweede plaatdiagonaal gelegen tweede hoekdeel uit die bovengelegen rij telkens af op het talud. De neuzen van een afdekelement uit een bovenliggende rij steunen hierbij telkens af op een op de tweede plaatdiagonaal gelegen tweede hoekdeel van een afdekelement uit een onderliggende rij.
Volgens een verdere uitvoering van de constructie volgens het tweede aspect van de uitvinding is het afgesneden hoekdeel op de tweede plaatdiagonaal telkens van het talud afgekeerd met de tweede snijlijn omhoog gekeerd.
Derde aspect
Onafhankelijk van het eerste en tweede aspect van de uitvinding verwoord, verschaft het derde aspect van de uitvinding een afdekelement dat zich laat omschrijven als:
Afdekelement van beton voor een golfbrekende of golfremmende constructie, zoals een talud, waarbij een x-as, een y-as en een z-as een imaginair stelsel van orthogonale assen definieert en waarbij de z-as en x-as een zx-vlak definiëren;
waarbij het afdekelement een centraal deel, twee neuzen, een eerste poot en een tweede poot omvat, waarbij het centrale deel, de twee neuzen en de eerste en tweede poot als een geheel gevormd zijn;
waarbij de neuzen zich uitstrekken vanaf het centrale deel in de richting van de z-as in ten opzichte van elkaar tegenovergestelde richtingen, en de eerste en de tweede poot zich uitstrekken vanaf het centrale deel in de richting van de x-as;
waarbij de onderzijde van de eerste poot een eerste breedte heeft evenwijdig aan de z-as, en de bovenzijde van de tweede poot een tweede breedte heeft evenwijdig aan de z-as;
waarbij de neuzen een bovenste en/of onderste steunvlak hebben, welk steunvlak zich in hoofdzaak evenwijdig aan het zx-vlak uitstrekt en grenst aan het vrije eind van de respectieve neus; en waarbij, in een richting evenwijdig aan de z-as, het steunvlak een lengte heeft, welke lengte kleiner is dan 50% van de breedte van de eerste poot, respectievelijk de breedte van de tweede poot.
Het afdekelement volgens het derde aspect van de uitvinding laat zich zeer efficiënt in regelmatige rijen plaatsen, volgens een zogenaamde dakpan constructie. Bij deze dakpan
- 10constructie liggen de neuzen van de afdekelementen steeds per rij op één lijn met een onderlinge afstand tussen de poten van de afdekelementen. Opeenvolgende boven elkaar gelegen rijen zijn ten opzichte van elkaar versprongen. Een afdekelement uit de bovenliggende rij steunt dan af op de neuzen van de afdekelementen uit een onderliggende rij. Doordat ieder afdekelement uitgerust is met een bovenste en/of onderste steunvlak aan het vrije eind van de neus, neemt de stabiliteit van de golfbrekende constructie toe. Doordat de lengte van de steunvlakken korter is dan 50% van de breedte van de tweede steunpoot, wordt verzekerd dat er tussen twee naar elkaar toegekeerde neuzen van afdekelementen uit een rij een vrije tussenruimte aanwezig is. Op het talud inwerkend water kan door deze tussenruimtes passeren. Aldus wordt de golfslag van op het talud inwerkend water gebroken of geremd. Deze vrije tussenruimte heeft verder als gevolg dat de hoeveelheid materiaal (lees: de hoeveelheid beton) afneemt, die per oppervlakte eenheid van het talud nodig is voor een dergelijke dakpansgewijze constructie.
Het bovenste en/of onderste steunvlak zorgt er voor dat de afdekelementen als het ware verzonken zijn ten opzichte van elkaar. Indien er een bovenste steunvlak aanwezig is, komt een gedeelte van de poot van het bovenliggende afdekelement onder de bovenkant van de aanhechting van de neus aan het centrale deel van het daaronder gelegen afdekelement te liggen. De poot wordt daardoor als het ware verankerd op de steunvlakken van de onder het afdekelement gelegen afdekelementen, wat de stabiliteit van de constructie ten goede komt. Indien er een onderste steunvlak aanwezig is, komt de onderkant van de aanhechting van de neus van het boven gelegen afdekelement aan het centrale deel van dat afdekelement onder de bovenkant van de poot van een ondergelegen afdekelement te liggen. Ook dit vergroot de stabiliteit van het talud.
Net als bij het tweede aspect van de uitvinding, kunnen de afdekelementen volgens het derde aspect van de uitvinding, in de zogenaamde dakpanconstructie, met ten minste één poot op de helling afsteunen, zodat het gewicht en de druk van bovenliggende afdekelementen de op de helling afsteunende poten van lager gelegen afdekelementen stevig in de helling drukken en aldus weerstand bieden tegen het langs de helling naar beneden schuiven.
Volgens een verdere uitvoeringsvorm van het derde aspect van de uitvinding zijn de lengtes van het bovenste en/of onderste steunvlak, gemeten in de richting van de z-as, maximaal 40%, meer in het bijzonder maximaal 35% van de breedte van de eerste poot, respectievelijk de breedte van de tweede poot. Om te verzekeren dat de poten voldoende ondersteund worden door respectievelijk afsteunen op de respectieve steunvlakken, hebben het onderste en/of bovenste steunvlak een minimale lengte van 15%, meer in het bijzonder een minimale lengte van 25%, van de breedte van eerste poot respectievelijk van de breedte van de tweede poot.
- 11 Wanneer in deze aanvrage wordt gesproken van een lengte “in de richting van de zas”, of in de richting van een andere as, dan wordt hiermee bedoeld dat de lengte gemeten langs een lijn die evenwijdig loopt aan die betreffende as, in dit voorbeeld de z-as.
Volgens een verdere uitvoeringsvorm van het derde aspect van de uitvinding hebben de neuzen een bovenste en/of onderste geleidingsvlak dat ten opzichte van het zx-vlak schuin staat, waarbij het bovenste en/of onderste steunvlak, bezien vanaf het vrije eind van de respectieve neus en in de richting van het centrale deel, grenst aan het bovenste respectievelijke onderste geleidingsvlak. Anders gezegd, de neuzen, hebben beschouwd in de richting van de z-as, en gemeten vanaf het centrale deel tot aan het vrije eind van de respectieve neus, een neuslengte die groter is dan de lengte van het steunvlak van die respectieve neus. De geleidingsvlakken zijn bij deze uitvoering gepositioneerd tussen het steunvlak en het centrale deel en staan schuin ten opzichte van het zx-vlak. De geleidingsvlakken zorgen ervoor dat de afdekelementen gemakkelijker geplaatst kunnen worden in een versprongen dakpanachtige constructie omdat ze bij het plaatsen van de constructie de poot van een afdekelement ten opzichte van de steunvlakken van twee andere afdekelementen naar de juiste positie geleiden. Verder verhogen de geleidingsvlakken de stabiliteit van de verkregen constructie omdat ze - bij geplaatste constructie - zijdelings verschuiven van afdekelementen ten opzichte van elkaar tegengaan.
Volgens weer een verdere uitvoeringsvorm van het afdekelement volgens het derde aspect van de uitvinding hebben de neuzen een bovenste en/of onderste afstandshouder die zich in de richting van het zx-vlak uitstrekt, waarbij het bovenste en/of onderste geleidingsvlak, bezien vanaf het vrije eind van de neus en in de richting van het centrale deel, grenst aan de bovenste respectievelijk onderste afstandshouder. Anders gezegd, de neuzen hebben, beschouwd in de richting van de y-as, een neushoogte die in het gedeelte van de neus bij het steunvlak kleiner is dan in het gedeelte van de neus dat zich, beschouwd in de z-richting, bevindt tussen het steunvlak van de neus en het centrale deel. Het geleidingsvlak, de afstandshouder en het centrale deel zijn een aansluitend geheel. De afstandshouder strekt zich hoofdzakelijk evenwijdig aan het zx-vlak uit. De afstandshouder zorgt ervoor dat de poten van twee horizontaal naast elkaar gelegen afdekelementen verder van elkaar gescheiden worden, hetgeen resulteert in een materiaal (lees: beton) besparing. De afstandshouder kan hierbij, gemeten in de richting van de z-as, een minimale lengte hebben van 20%, zoals tenminste 30%, van de breedte van de poten.
Volgens een verdere uitvoeringsvorm van het afdekelement volgens het derde aspect van de uitvinding, hebben de neuzen van het afdekelement elk twee steunvlakken: zowel een steunvlak aan de bovenkant van elke neus als een steunvlak aan de onderkant van elke neus.
- 12 Volgens een verdere uitvoeringsvorm van het afdekelement volgens de uitvinding, zijn de eerste poot en de tweede poot even breed.
Vierde aspect
Onafhankelijk van het eerste, tweede en derde aspect van de uitvinding verwoord, verschaft het vierde aspect van de uitvinding een afdekelement dat zich laat omschrijven als:
Afdekelement van beton voor een golfbrekende of golfremmende constructie, zoals een talud, waarbij een x-as, een y-as en een z-as een imaginair stelsel van orthogonale assen definieert en waarbij de z-as en x-as een zx-vlak definiëren;
waarbij het afdekelement een centraal deel, twee neuzen, een eerste poot en een tweede poot omvat, waarbij het centrale deel, de twee neuzen en de eerste en tweede poot als een geheel gevormd zijn;
waarbij de neuzen zich uitstrekken vanaf het centrale deel in de richting van de z-as in ten opzichte van elkaar tegenovergestelde richtingen, en de eerste en de tweede poot zich uitstrekken vanaf het centrale deel in de richting van de x-as; en waarbij ten minste één van de neuzen een neusuitsparing heeft die zich uitstrekt vanaf een eerste langszijde van de neus tot en met een tegenover de eerste langszijde gelegen tweede langszijde van de neus.
De neusuitsparing strekt zich dus uit vanaf een eerste langszijde van de neus, tot en met een tegenover de eerste langszijde gelegen tweede langszijde van de neus. Water kan aldus via de neusuitsparing van de ene langszijde naar de tegenoverliggende andere langszijde van de neus stromen. Aldus vergroot de neusuitsparing zogezegd de porositeit van een talud, bestaande uit meerdere afdekelementen volgens het vierde aspect van de uitvinding. De neusuitsparing volgens het vierde aspect van de uitvinding laat zich zonder het eerste, tweede en derde aspect van de uitvinding toepassen alsook in combinatie met een of meer van het eerste, tweede en derde aspect.
Volgens een verder uitvoering van het vierde aspect van de uitvinding, bevindt de neusuitsparing zich in het vlak aan het vrije einde van de neus en vormt het aldaar een verdieping in het vrije eind van de neus.
Volgens nog een verdere uitvoering van het vierde aspect van de uitvinding, is de neusuitsparing als het ware een doorgang door de neus. Deze uitvoering kan ook in combinatie met de als een verdieping in het vrije eind van de neus gevormde neusuitsparing. Elke neus kan ook meerdere neusuitsparingen hebben, een of meer genoemde doorgangen en/of een of meer genoemde verdiepingen.
- 13Volgens een verdere uitvoeringsvorm van het afdekelement volgens het vierde aspect van de uitvinding, kan er een denkbeeldige verbindingslijn worden getrokken tussen de eerste langszijde naar de tweede langszijde door de neusuitsparing heen, welke verbindingslijn onder een hoek staat ten opzichte van het zx-vlak. Deze hoek kan liggen in het bereik van 30° tot en met 60° en kan bijvoorbeeld ongeveer 45° zijn. Deze schuine stand van de neusuitsparing bemoeilijkt de doorgang van het water en bevordert aldus de golfbrekende / golfremmende werking van het talud. Door de doorgang stromend water zal daarbij meer energie dissiperen.
Volgens een verdere uitvoeringsvorm van het afdekelement volgens het vierde aspect van de uitvinding, hebben beide neuzen een genoemde neusuitsparing.
Om voldoende stevigheid in de neus over te houden zal volgens het vierde aspect van de uitvinding de neusuitsparing niet te diep zijn. Als maximum grens wordt een diepte van 60% van de lengte van de neus genoemd, maar bij voorkeur is de neusuitsparing niet dieper dan 40% van de lengte van de neus. De lengte van de neus is hierbij gemeten vanaf het vrije eind van de neus, in de richting van de z-as, tot aan het centrale deel. De diepte van de neusuitsparing is hierbij gedefinieerd in de richting van de z-as. Om de neusuitsparing effectief te laten zijn zal de neusuitsparing ook een minimale diepte hebben van 5%, zoals bijvoorbeeld 10% van de lengte van de neus.
Vijfde aspect
Onafhankelijk van het eerste, tweede, derde en vierde aspect van de uitvinding verwoord, verschaft het vijfde aspect van de uitvinding een afdekelement dat zich laat omschrijven als:
Afdekelement van beton voor een golfbrekende of golfremmende constructie, zoals een talud, waarbij een x-as, een y-as en een z-as een imaginair stelsel van orthogonale assen definieert en waarbij de z-as en x-as een zx-vlak definiëren;
waarbij het afdekelement een centraal deel, twee neuzen, een eerste poot en een tweede poot omvat, waarbij het centrale deel, de twee neuzen en de eerste en tweede poot als een geheel gevormd zijn;
waarbij de neuzen zich uitstrekken vanaf het centrale deel in de richting van de z-as in ten opzichte van elkaar tegenovergestelde richtingen, en de eerste en de tweede poot zich uitstrekken vanaf het centrale deel in de richting van de x-as;
waarbij de neuzen elk een bovenste en onderste steunvlak hebben, welk steunvlakken zich uitstrekken evenwijdig aan het zx-vlak;
- 14 waarbij het onderste steunvlak, in de richting van de x-as, ten opzichte van het bovenste steunvlak verschoven is; en waarbij het bovenste en onderste steunvlak, in de richting van de y-as, elkaar ten hoogste gedeeltelijk overlappen.
Het onderste steunvlak en bovenste steunvlak van een neus zijn volgens het vijfde aspect van de uitvinding, beschouwd in de richting van de x-as, ten opzichte van elkaar verschoven. Deze onderlinge verschuiving wordt in deze aanvrage in het kort aangeduid met de term Onderlinge verschuiving van de steunvlakken’. Ten gevolge van deze Onderlinge verschuiving van de steunvlakken’, zullen de steunvlakken elkaar, beschouwd in de richting van de y-as, niet volledig overlappen. In het bijzonder zal een van de steunvlakken of zullen beide steunvlakken een gedeelte hebben dat, beschouwd in de richting van de y-as, niet door het andere steunvlak overlapt wordt.
Ten gevolge van de Onderlinge verschuiving van de steunvlakken’ laat, bij op een helling, zoals een talud, boven elkaar liggende rijen afdekelementen, de onderlinge afstand tussen de boven elkaar gelegen rijen zich, beschouwd in de richting van de onderlinge verschuiving (dwz. in de richting van de x-as), vergroten. Enerzijds betekent dit dat bij het leggen van afdekelementen op een helling of talud, de afdekelementen in staat zijn om variaties in de hellingshoek van de helling/het talud te compenseren. In andere woorden de maatnauwkeurigheid van de hellingshoek van de helling/het talud is minder kritisch. Dit vergemakkelijkt het leggen van de afdekelementen aanzienlijk. Anderzijds betekent dit dat, beschouwd in een richting omhoog langs de helling/het talud, een besparing in de hoeveelheid te gebruiken materiaal, lees beton, doordat het aantal rijen afdekelementen benodigd om een helling/talud te bedekken, hierdoor kan afnemen.
Volgens verdere uitvoeringsvormen van het afdekelement volgens het vijfde aspect van de uitvinding, kunnen het bovenste en onderste steunvlak zover ten opzichte van elkaar verschoven zijn in de richting van de x-as dat het onderste en bovenste steunvlak, beschouwd in de richting van de y-as, geen overlap met elkaar hebben.
Volgens verdere uitvoeringsvormen van het afdekelement volgens het vijfde aspect van de uitvinding, kunnen de steunvlakken grenzen aan het vrije eind van de neus waarop ze voorzien zijn.
Volgens verdere uitvoeringsvormen van het afdekelement volgens het vijfde aspect van de uitvinding, kan het afdekelement verder een derde en/of vierde poot omvatten, welke derde respectievelijk vierde poot als een geheel met het centrale deel gevormd zijn en zich vanaf het centrale deel in de richting van de z-as uitstrekken, waarbij, ingeval van zowel een derde als een vierde poot, de poten zich vanaf het centrale deel uitstrekken in onderling tegenovergestelde richting.
- 15Korte beschrijving van de tekeningen
De onderhavige uitvinding zal in het navolgende met verwijzing naar de tekeningen nader worden toegelicht aan de hand van enige uitvoeringsvormen. Hierin toont:
een perspectivisch aanzicht van het derde afdekelement uit Figuur 3a; een bovenaanzicht op een vierde afdekelement volgens het eerste aspect
Figuur 1a een bovenaanzicht op een eerste afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding;
Figuur 1b een perspectivisch aanzicht van het eerste afdekelement uit Figuur 1a;
Figuur 2a een bovenaanzicht op een tweede afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding;
Figuur 2b een perspectivisch aanzicht van het tweede afdekelement uit Figuur 2a;
Figuur 3a een bovenaanzicht op een derde afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding;
Figuur 3b Figuur 4a van de uitvinding;
Figuur 4b een perspectivisch aanzicht van het vierde afdekelement uit Figuur 4a;
Figuur 5a een bovenaanzicht op een vijfde afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding;
Figuur 5b een perspectivisch aanzicht op het vijfde afdekelement uit Figuur 5a;
Figuur 6 een schematisch, perspectivisch aanzicht van een talud volgens het tweede aspect van de uitvinding;
Figuur 7 een perspectivisch aanzicht van een zesde afdekelement volgens het eerste, derde, vierde en vijfde aspect van de uitvinding;
Figuur 8 een zijaanzicht op het zesde afdekelement uit fig. 7, overeenkomstig pijl VIII in fig. 7;
Figuur 9 in fig. 7;
Figuur 10
X in fig. 7;
Figuur 11
XI in fig. 7;
Figuur 12
XII in fig. 7; en
Figuur 13 een schematisch, perspectivisch aanzicht van een paar zesde afdekelementen, ter illustratie van het derde, vierde en vijfde aspect van de uitvinding bij een talud volgens het tweede aspect van de uitvinding.
een vooraanzicht op het zesde afdekelement uit fig. 7, overeenkomstig pijl IX een bovenaanzicht op het zesde afdekelement uit fig. 7, overeenkomstig pijl een achteraanzicht op het zesde afdekelement uit fig. 7, overeenkomstig pijl een onderaanzicht op het zesde afdekelement uit fig. 7, overeenkomstig pijl
- 16Gedetailleerde beschrijving van in de tekeningen getoonde uitvoeringsvormen
Figuren 1a en 1b tonen een eerste afdekelement 100 volgens het eerste aspect van de uitvinding. Figuren 2a en 2b tonen een tweede afdekelement 110 volgens het eerste aspect van de uitvinding, Figuren 3a en 3b tonen een derde afdekelement 120 volgens het eerste aspect van de uitvinding, Figuren 4a en 4b tonen een vierde afdekelement 130 volgens hert eerste aspect van de uitvinding en Figuren 5a en 5b tonen een vijfde afdekelement 140 volgens het eerste aspect van de uitvinding. Figuur 6 toont het tweede aspect van de uitvinding aan de hand van het vijfde afdekelement uit figuur 5. Figuren 7-12 tonen een zesde afdekelement volgens het derde, vierde en vijfde aspect van de uitvinding. Figuur 13 toont een detail uit figuur 6, waarbij echter het vijfde afdekelement is vervangen door het zesde afdekelement. Alhoewel figuren 1-6 de details van een afdekelement volgens het derde, vierde en vijfde aspect van de uitvinding niet tonen, zal het duidelijk zijn dat hetgeen hier in relatie tot figuren 1-6 uiteengezet wordt mutatis mutandis ook geldt voor het in de figuren 7-13 getoonde afdekelement volgens het derde, vierde en vijfde aspect van de uitvinding.
Alhoewel het eerste, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde afdekelement volgens de uitvinding in de figuren 1-13 telkens met een verschillend verwijzingsnummer zijn aangeduid, zijn voor het overige in alle figuren dezelfde verwijzingsnummers en verwijzingstekens gebruikt voor overeenkomstig items. Opgemerkt wordt hierbij dat met name in Figuren 1a, 1b en 7 veel verwijzingsnummers/tekens zijn getoond ter nadere verduidelijking van de in deze aanvrage gehanteerde begrippen. Veel van deze verwijzingsnummers/tekens zijn in de Figuren 2-6 en 8-13 niet opnieuw getoond teneinde deze figuren duidelijk en overzichtelijk te houden.
Verwijzend naar in het bijzonder figuren 1 a en 1 b, is het afdekelement 100, 110, 120, 130, 140 en 150 volgens de afgebeelde uitvoeringsvormen van uitvinding opgebouwd uit een plaatdeel 16 met aan weerszijden een dwars van het plaatdeel afstaande neus 17, 18. Wanneer men zich een imaginair stelsel van orthogonale assen X, Y en Z indenkt, waarbij de x-as X en de y-as Y een xy-vlak definiëren, en het xy-vlak zodanig gepositioneerd is dat dit zich uitstrekt in de richting waarin het plaatdeel 16 zich uitstrekt, dan steken de neuzen 17, 18 vanaf het plaatdeel 16 uit in de richting van de z-as Z. Dit plaatdeel 16 heeft verder, beschouwd in de richting van de z-as Z, een dikte T. Het plaatdeel 16 en de neuzen 17, 18 vormen tezamen één geheel. De neuzen 17 en 18 zijn vast met het plaatdeel 16 verbonden. De neuzen 17, 18 vormen in het bijzonder een integraal geheel met het plaatdeel 16.
Gegeven dat het afdekelement 100, 110, 120, 130, 140, 150 volgens de afgebeelde uitvoeringen van de uitvinding in het algemeen zal zijn vervaardigd van beton, eventueel gewapend beton, zal het duidelijk zijn dat een afdekelement volgens de uitvinding in één
- 17 keer als één geheel is te gieten in een mal. Echter in geval wapeningsdraden in het beton toegepast mochten worden, dan is het ook denkbaar dat een afdekelement volgens de uitvinding in sequentiële stappen uit beton wordt gegoten, waarbij in elke sequentiële stap een gedeelte van het afdekelement gevormd wordt. Zo zou bijvoorbeeld eerst het plaatdeel 16 gegoten kunnen worden met ter plekke van de neuzen 17 en 18 uitstekende wapeningsdraden, waarna in een tweede stap wapeningsdraden voor de neuzen 17 en 18 geplaatst kunnen worden en met de uit het plaatdeel 16 uitstekende wapeningsdraden verbonden kunnen worden om vervolgens het beton voor de neuzen 17 en 18 te storten. Dit ter illustratie van hoe een afdekelement volgens de uitvinding in de praktijk doorgaans vervaardigd zal worden. Op zich wordt in de stand van de techniek al beschreven dat een afdekelement uit beton vervaardigd kan worden, zie bijvoorbeeld Figuur 8 van WO 2004/009910.
Ter nadere beschrijving van de vorm van het afdekelement, in het bijzonder van de vorm van het plaatdeel 16 wordt in deze aanvraag verondersteld dat het plaatdeel 16 imaginair is op te vatten als gevormd uit een imaginaire vierhoekige plaat 1. In Figuur 1a is de vierhoekige plaat 1 een vierkant, net als in de Figuren 3a, 4a en 5a, echter de vierhoekige plaat kan ook de vorm hebben van een trapezium of de vorm van een parallellogram. In geval de plaat 1 de vorm van een parallellogram heeft, kan dit bijvoorbeeld een vierkante vorm zijn, zoals dus getoond in de Figuren 1, 3, 4, 5 en 7-12, of een ruitvormige vorm of een rechthoekige vorm zijn. Een plaat 1 met een rechthoekige vorm, met korte zijden 9, 11 en lange zijden 8, 10 wordt bijvoorbeeld getoond in Figuur 2a.
Verwijzend naar de Figuren 1-5 en 7-12, heeft de imaginaire uitgangsplaat 1 een eerste plaatdiagonaal 2 en een tweede plaatdiagonaal 3 en is de plaat 1 in het xy-vlak begrensd door vier imaginaire plaathoeken 4, 5, 6, 7 en vier imaginaire plaatranden 8, 9, 10, 11. De eerste plaatdiagonaal 2 strekt zich hierbij uit vanaf de imaginaire plaathoek 4 tot aan de imaginaire plaathoek 6 en verloopt evenwijdig aan de y-as. De tweede plaatdiagonaal 3 strekt zich uit vanaf de imaginaire plaathoek 5 tot aan de imaginaire plaathoek 7 en verloopt evenwijdig aan de x-as. De imaginaire plaatrand 8 strekt zich uit vanaf de imaginaire plaathoek 4 tot aan de imaginaire plaathoek 7, de imaginaire plaatrand 9 strekt zich uit vanaf de imaginaire plaathoek 4 tot aan de imaginaire plaathoek 5, de imaginaire plaatrand 10 strekt zich uit vanaf de imaginaire plaathoek 5 tot aan de imaginaire plaathoek 6, en de imaginaire plaatrand 11 strekt zich uit vanaf de imaginaire plaathoek 6 tot aan de imaginaire plaathoek 7. Wanneer nu wordt uitgegaan van deze imaginaire uitgangsplaat 1 kan de vorm van het plaatdeel 16 uit figuren 1-5 alsook figuren 7-12 worden verkregen:
• door twee tegenover liggende imaginaire plaatranden 8, 10 ongeveer in het midden in te snijden voor het vormen van een plaatuitsparing 14, 15, welke plaatuitsparingen
- 1814, 15 in de getoonde afdekelementen 100, 110, 120, 130 en 140 telkens bij benadering trapeziumvormig zijn;
• door, optioneel, ook de twee andere tegenover liggende plaatranden 9, 11 ongeveer in het midden in te snijden voor het vormen van een plaatuitsparing 19, 20, welke plaatuitsparingen in de getoonde afdekelementen 100, 110, 120, 130 en 140 eveneens bij benadering trapeziumvormig kunnen zijn; en • door van de imaginaire uitgangsplaat 1 de op de eerste plaatdiagonaal 2 gelegen imaginaire hoeken 4, 6 beide af te snijden langs een eerste snijlijn 22, waarbij die eerste snijlijn 22 de aan de betreffende afgesneden hoek grenzende imaginaire plaatranden telkens kruislings snijdt; en • door, optioneel, één van de op de tweede plaatdiagonaal gelegen hoeken af te snijden langs een tweede snijlijn 23 (Figuur 5a) die enerzijds één van de eerste snijlijnen 22 snijdt en anderzijds snijdt met een imaginaire plaatrand 11 die grenst aan de langs de tweede snijlijn 23 afgesneden hoek 7.
In het afdekelement volgens Figuur 3 zijn geen van de hiervoor geschetste optionele mogelijkheden verwezenlijkt, dat wil zeggen enkel de tegenoverliggende imaginaire plaatranden 8 en 10 zijn ingesneden zonder dat de tegenover liggende plaatranden 9 en 11 zijn ingesneden, en geen van de op de tweede plaatdiagonaal 3 gelegen hoeken is volgens een genoemde tweede snijlijn afgesneden. In de uitvoeringsvorm volgens Figuur 5 zijn beide hierboven geschetste optionele mogelijkheden verwezenlijkt, namelijk het langs een tweede snijlijn 23 afsnijden van de op de tweede plaatdiagonaal 3 gelegen plaathoek 7, enerzijds, en het voorzien van de extra plaatuitsparing 19 en 20, anderzijds. De vormgeving van de uitvoeringsvorm volgens figuur 7-12 is een verdere ontwikkeling van de vormgeving van de uitvoeringsvorm volgens figuur 5.
Het afdekelement volgens het eerste aspect van de uitvinding alsook volgens het derde, vierde en vijfde aspect van de uitvinding laat zich ook omschrijven als een centraal deel 30 met uitsteeksels in de vorm van meerdere poten 31, 32, en 33, en twee neuzen 17, 18. De poten 31, 32, 32 strekken zich hierbij uit in een vlak, zoals het xy-vlak van een imaginair orthogonaal xyz-stelsel. De twee neuzen 17, 18 steken hierbij uit vanaf het centrale deel 30 in ten opzichte van elkaar tegenovergestelde richtingen (zoals in de richting van de z-as van een imaginair xyz-stelsel) en staan dwars op de poten 31, 32 en 33 (of te wel dwars op het xy-vlak). Er kan sprake zijn van 3 poten, maar ook van 2 poten 31, 32, zoals is getoond in de figuren 1-5 en 7-12. Wat betreft de poten 31, 32 in figuren 1-5 en 712 wordt opgemerkt dat deze corresponderen met het eerste hoekdeel 24, respectievelijk het tweede hoekdeel 25, zoals dat in figuren 1-5 is aangeduid.
- 19Voor alle afdekelementen volgens het eerste, derde, vierde en vijfde aspect van de uitvinding geldt dat het uiteindelijke plaatdeel 16 gemeten langs de eerste plaatdiagonaal 2 een eerste afmeting D1 heeft en gemeten langs de tweede plaatdiagonaal 3 een tweede afmeting D2, waarbij de eerste afmeting D1 kleiner is dan de tweede afmeting D2.
Als gezegd de hiervoor geschetste wijze van vormgeving van het plaatdeel 16 is dat deze imaginair is op te vatten als gevormd uit een vierhoekige uitgangsplaat die - kort gezegd - aan plaatranden is ingesneden voor het vormen van plaatuitsparingen en bij een of meer hoeken is afgesneden. Alhoewel het denkbaar is dat de imaginaire vierhoekige uitgangsplaat 1 een echte betonnen plaat met dikte T is die op voornoemde wijze bij plaatranden wordt ingesneden en bij een of meer hoeken wordt afgesneden, zal het, zoals eerder aangegeven, de praktijk zijn dat het afdekelement volgens de uitvinding direct in de genoemde vorm wordt gegoten of anderszins direct in de betreffende vorm wordt gevormd op een andere wijze. Het is eventueel denkbaar het afdekelement volgens de uitvinding zo te vormen dat het plaatdeel 16 en/of de neuzen 17, 18 hol zijn, maar in het algemeen zullen het plaatdeel 16 en de neuzen 17, 18 - op eventueel de plaatuitsparingen volgens het vierde aspect na - massief uitgevoerd zijn.
Alvorens verder te gaan met het beschrijving van de uitvinding, zullen ter nadere indicatie enige basismaten voor een afdekelement volgens het eerste, tweede derde, vierde , vijfde en zesde aspect van de uitvinding gegeven worden:
• D2: 1-2 m, zoals 1,8 m;
• D1: 35-65% van de lengte van D2, zoals 40% tot 50% van de lengte van D2;
• T: 20-30% van D2;
• H: 25-40% van de afmeting D2; waarbij H de hoogte is van neus 17, 18 beschouwd in de richting van de z-as vanaf plaatdeel 16;
• T gelijk of ongeveer gelijk is aan H;
• A: 10-15% van D2; waarbij A de diepte van een imaginaire plaatuitsparing is gemeten loodrecht op de bijbehorende plaatrand;
• B: 20-25% van D2; waarbij B, in relatie tot een imaginaire plaatuitsparing, de dikte van de neus is gemeten in dezelfde richting als de diepte A van die imaginaire plaatuitsparing;
• C: 35-40% van D2; waarbij C de breedte van de imaginaire plaatuitsparing is gemeten op en langs de bijbehorende imaginaire plaatrand;
• E: 20-25% van D2; waarbij E, in relatie tot een imaginaire plaatuitsparing, de breedte van de neus is gemeten in dezelfde richting als de breedte C van die imaginaire plaatuitsparing;
-20• F: 15-20% van D2 ; waarbij F de breedte is van een plaatuitsparing, gemeten bij de bodem van die plaatuitsparing en evenwijdig aan de bijbehorende plaatrand;
De zojuist genoemde afmetingen zijn enkel, ter nadere illustratie van afmetingen, indicatief voor een afdekelement volgens de uitvinding, zoals dit in de praktijk voorzien wordt. Deze indicatieve afmetingen zijn betrokken op de uitvoeringsvormen volgens de Figuren 1,2, 3 en 4. Ten gevolge van het afsnijden van hoek 7 zal bij de uitvoeringsvorm volgens Figuur 5 en figuren 7-12 de afmeting D2 korter zijn, hetgeen leidt tot aanpassing van alle procentuele verhoudingen zoals hiervoor genoemd. Gegeven dat de mate van korter zijn bepaald wordt door de snijlijn 23 en dat deze overlapt met de bodem van plaatuitsparing 14 die een diepte A heeft, laat één en ander zich zo omrekenen. Met als uitgangspunt dat de afmetingen van imaginaire vierhoekige plaat 1 uit Figuur 5a gelijk zijn aan die van de vierhoekige plaat 1 uit Figuur 1a (het overeenkomstige geldt voor de uitvoeringsvorm volgens figuren 7-12).
Alhoewel de plaatuitsparingen 14, 15 en 19, 20 ook een andere vorm kunnen hebben zijn ze bij alle uitvoeringen uit de Figuren 1-5 en 7-12 in wezen trapeziumvormig met de langste zijde van de trapezium gelegen op de bijbehorende imaginaire plaatrand. Verwijzend naar bijvoorbeeld Figuur 4a is het duidelijk dat de twee of vier trapeziumvormige insnijdingen onderling ongelijk kunnen zijn. Verwijzend naar Figuur 1a en 1b hebben de trapeziumvormige plaatuitsparingen bij de afgebeelde afdekelementen twee evenwijdige zijden en twee schuine zijden. Van de twee evenwijdige zijden heeft de lange zijde een lengte B en de korte zijde een lengte F. De korte zijde met lengte F vormt als het ware de bodem van de trapeziumvormige plaatuitsparing. De trapeziumvormige plaatuitsparing heeft een hoogte A, welke de diepte van de plaatuitsparing bepaalt.
De in de Figuren 1-5 en 7-12 getoonde afdekelementen volgens de uitvinding zijn alle gebaseerd op al uit de stand van de techniek bekende afdekelementen voor een golfbrekende of golfremmende constructie:
• Het afdekelement uit Figuur 1a en 1b is gebaseerd op het afdekelement als bekend uit onder meer figuren 3-5 van WO-2004/009910. Uitgaande van figuren 3-5 van WO-2004/009910 zijn twee tegenover liggende, puntige uitsteeksels 4 verwijderd om tot het afdekelement volgens Figuren 1a en 1b van deze aanvrage te komen.
• Het afdekelement volgens Figuren 2a en 2b is eveneens gebaseerd op het uit Figuren 3-5 van W02004/009910 bekende afdekelement. Het op een vierkante basis gebaseerd afdekelement uit de Figuren 3-5 van W02004/009910 is als het ware opgerekt tot een langwerpige, rechthoekige basis en wederom zijn twee tegenoverliggende puntige uitsteeksels 4 verwijderd om dan tot het afdekelement uit Figuren 2a en 2b van deze aanvrage te komen.
-21 • Het afdekelement uit de Figuren 3a en 3b van deze aanvrage is gebaseerd op het onder meer uit figuren 1-3 van US 3,614,866 bekende afdekelement. Uitgaande van Figuren 1-3 van US 3,614,866 zijn één van de uitstekende delen 2a en het diametraal tegenoverliggende uitstekende deel 4a verwijderd om tot het afdekelement 120 uit figuren 3a en 3b van deze aanvrage te komen.
• Het afdekelement uit Figuren 4a en 4b van deze aanvrage is gebaseerd op het in onder meer Figuur 1 van EP-1.165.894 getoonde afdekelement. Van dit afdekelement uit Figuur 1 van EP-1.165.894 is zogezegd het linker bovendeel en rechter benedendeel weggenomen om tot het afdekelement 130 volgens Figuur 4a, 4b van deze aanvrage te komen. Opgemerkt wordt dat Figuur 4a en 4b van deze aanvrage slechts een van de twee neuzen toont, namelijk neus 17. Neus 18 is in deze Figuur 4a en 4b aan het zicht onttrokken. Met het xy-vlak als spiegelsymmetrievlak, is neus 18 het spiegelbeeld van neus 17.
• Het afdekelement 140 uit Figuren 5a en 5b van deze aanvrage is gebaseerd op hetzelfde afdekelement als waarop het afdekelement 100 uit figuren 1a en 1b van deze aanvrage gebaseerd is. Uitgaande van het afdekelement als afgebeeld in de Figuren 1a en 1b van deze aanvrage is ook nog een gedeelte bij de linker bovenhoek 7 weggenomen. Opgemerkt wordt dat Figuur 5a en 5b van deze aanvrage slechts een van de twee neuzen toont, namelijk neus 17. Neus 18 is in deze Figuur 5a en 5b aan het zicht onttrokken. Met het xy-vlak als spiegelsymmetrievlak, is neus 18 het spiegelbeeld van neus 17.
• Het afdekelement 150 uit Figuren 7-12 van deze aanvrage is gebaseerd op het afdekelement 140 uit figuren 5a en 5b. Het afdekelement 150 is, met het afdekelement 140 als uitgangspunt, een verdere ontwikkeling waarbij in het bijzonder de vormgeving van de neuzen nader is aangepast ten behoeve van het derde, vierde en vijfde aspect van de uitvinding.
In het navolgende zal de gedachte achter de onderhavige uitvinding nader toegelicht worden.
Afdekelementen, zoals bekend uit W02004/009910, hebben een zeer specifieke vormgeving die in samenhang met een veelheid andere overeenkomstige afdekelementen een in hoge mate stabiele afdekking van een golfbreker of talud kunnen verschaffen. Deze specifieke vormgeving bestaat uit een X-vormig of H-vormig basisdeel met aan weerszijden van de X/H-vorm, vanuit het centrum van de X/H uitstekende neuzen. De poten van het X/Hvormige basisdeel en de neuzen verschaffen in totaal zes uitsteeksels. Wanneer nu een veelheid van dergeiijke afdekelementen op een golfbreker of talud gelegd wordt grijpen
-22 deze uitsteeksels onderling ineen (verhaking genoemd) en vindt verankering in de ondergrond plaats middels daarin gedrukte poten en/of neuzen. Hierdoor wordt een zeer stabiele laag van afdekelementen verkregen. De onderlinge verhaking en verankering in de ondergrond zorgt ervoor dat de afdekelementen goed blijven liggen. Doordat er tussen de afdekelementen de nodige vrije tussenruimtes zitten, kunnen golven, tussen de afdekelementen door, naar binnen slaan en aldus efficiënt gebroken worden.
Aanvraagster is nu tot het inzicht gekomen dat, wanneer - overeenkomstig het eerste aspect van de uitvinding - een of twee diagonaal tegenover liggende poten van het Xvormige of H-vormige basisdeel weggelaten worden, de onderlinge verhaking van naburige afdekelementen en verankering van afdekelementen in de ondergrond weliswaar niet meer mogelijk is, doch dat middels een veelheid afdekelementen volgens de uitvinding een zeer stabiele afdekking voor een golfbrekende/golfremmende constructie te realiseren is. De met afdekelementen volgens de uitvinding te realiseren afdekking biedt nog steeds veel openingen waartussen het water kan breken. De grote voordelen van het uit de stand van de techniek bekende afdekelement laten zich dus nog steeds realiseren. Het afdekelement volgens de uitvinding heeft daarboven echter tot voordeel dat het materiaalverbruik, lees de benodigde hoeveelheid beton, aanzienlijk minder is en dat de te realiseren afdekking overeenkomstig het tweede aspect van de uitvinding - volgens een zeer regelmatig patroon gelegd kan worden, waar dit patroon volgens de stand van de techniek veel onregelmatiger is. Het leggen van een afdekking met afdekelementen volgens de uitvinding is gemakkelijker dan het leggen van een afdekking met vergelijkbare, bekende afdekelementen.
Een verdere wezenlijke besparing aan materiaal - lees beton- blijkt hierbij mogelijk te zijn door nog een gedeelte wegnemen van een derde arm van het voormalige X-vormige basisdeel. Dit levert een wezenlijke besparing aan materiaal op zonder dat dit wezenlijk ten koste gaat van het golfbrekend/golfremmend vermogen van de met een dergelijk afdekelement gevormde afdekking.
Alhoewel het afdekelement volgens de uitvinding in een onregelmatig of zelfs random patroon op de helling van bijvoorbeeld een golfbreker of talud is neer te leggen, laat het afdekelement volgens de uitvinding zich - overeenkomstig het tweede aspect van de uitvinding - op zeer efficiënte wijze in een regelmatig patroon neerleggen, zoals dit is afgebeeld in Figuur 6 en nader verduidelijkt is in het detail aanzicht volgens figuur 13. In een dergelijk patroon neergelegd blijven er veel tussenruimtes aanwezig tussen de afdekelementen volgens de uitvinding. Deze tussenruimtes verschaffen enerzijds een golfbrekende of golfremmende werking en zorgen er anderzijds voor dat de hoeveelheid benodigd materiaal - lees in het bijzonder beton - relatief erg laag is.
Figuur 6 toont zeer schematisch een talud 200 met een helling 201 die aan de onderzijde eindigt in een, in dit voorbeeld in wezen horizontale, voet-zone 202. Op het talud
-23200 zijn, in dit voorbeeld vier rijen 203, 204, 205 en 206 van afdekelementen 140 geplaatst. Per rij 203, 204, 205, 206 liggen de neuzen 17, 18 van aangrenzende afdekelementen 140 op één lijn. De neuzen 17, 18 kunnen hierbij tegen elkaar liggen maar ook, zoals getoond, op enige afstand uit elkaar. De rijen 203, 204, 205 en 206 liggen hierbij, langs de helling van het talud, schuin boven elkaar. Een boven liggende rij steunt telkens af op een onderliggende rij. Zo steunen de afdekelementen uit de rij 204 af op de afdekelementen uit de rij 203, steunen de afdekelementen uit de rij 205 af op de afdekelementen uit rij 204 en steunen de afdekelementen uit rij 206 af op de afdekelementen uit rij 205.
Zoals in Figuur 6 te zien liggen alle afdekelementen 140 met de tweede plaatdiagonaal 3 telkens ongeveer horizontaal.
Alhoewel een andere plaatsing van rijen afdekelementen ook mogelijk is, zijn de afdekelementen volgens Figuur 6 en Figuur 13 op gunstige wijze in een versprongen patroon geplaatst. De afdekelementen uit een bovenliggende rij steunen met een eerste hoekdeel 24 of eerste poot 31 telkens af op de neuzen 17 en 18 van twee aangrenzende afdekelementen 140, 150 uit een ondergelegen rij. Het eerste hoekdeel 24 (/ de eerste poot 31) van het afdekelement uit de bovenliggende rij steunt dus als het ware voor de helft af op de neus 17 van het ene afdekelement 140, 150 uit de onderste rij en met de andere helft af op de neus 18 van een ander afdekelement 140, 150 uit de onderste rij. De neuzen 18 en 17 van het afdekelement uit de bovenliggende rij steunen op hun beurt telkens af op een op de tweede plaatdiagonaal 3 gelegen tweede hoekdeel 25 of tweede poot 32 van een afdekelement uit de ondergelegen rij. De ene neus 18 van een afdekelement uit de boven gelegen rij steunt dus af op het tweede hoekdeel 25 (/ de tweede poot 32) van één afdekelement 140, 150 uit de ondergelegen rij terwijl de andere neus 17 van dat afdekelement uit de boven gelegen rij afsteunt op een tweede hoekdeel 25 (/ de tweede poot 32) van een ander afdekelement 140, 150 uit de ondergelegen rij. Aldus wordt een afdekelement uit een boven gelegen rij telkens gedragen door twee afdekelementen uit de ondergelegen rij, waarbij de twee afdekelementen uit de ondergelegen rij versprongen liggen ten opzichte van het afdekelement uit de bovengelegen rij.
Doordat de afdekelementen 140, 150, bij de plaatsing zoals aangegeven in Figuur 6 en Figuur 13, aan de onderzijde geen uitstekend deel meer hebben, zal de onderzijde van langs de helling 201 van het talud liggende afdekelementen 140, 150 als het ware zwevend liggen en zal dit afdekelement 140, 150 vooral met het tweede hoekdeel 25 (/ de tweede poot 32) op de helling 201 drukken. Ten gevolge van het gewicht van afdekelementen uit de bovenliggende rijen zal het tweede hoekdeel 25 (/ de tweede poot 32) van onderliggende rijen stevig in de helling 201 gedrukt worden om zich aldus te verankeren en een eventueel langs de helling 201 naar beneden schuiven van dat afdekelement 140, 150 tegen gaan.
-24 Zoals in Figuur 6 en Figuur 13 te zien blijven er tussen de afdekelementen 140, 150 veel tussenruimtes over en blijven er ook onder de afdekelementen vrije ruimtes over waarin golfslag van op het talud inwerkend water gebroken kan worden.
Alhoewel de toepassing bij het talud in Figuur 6 is getoond aan de hand van afdekelementen 140 uit Figuur 5 zal het duidelijk zijn dat hier ook de afdekelementen 100, 110, 120 of 130 gebruikt kunnen worden of - zoals in Figuur 13 getoond - de afdekelementen 150. Doordat bij de afdekelementen 140, 150 uit figuur 5 en figuren 7-12 ook het hoekdeel 7 deels is afgesneden (anders gezegd is ingekort) laat zich nog een aanzienlijke hoeveelheid materiaal besparen, terwijl de golfbrekende eigenschappen van een dergelijk talud behouden blijven.
Figuren 7-12 tonen verschillende aanzichten van een zesde afdekelement volgens de uitvinding.
Overeenkomstig het derde aspect van de uitvinding is elke neus 17, 18 voorzien van een bovenste steunvlak 41 en onderste steunvlak 42. Deze steunvlakken 41 en 42 strekken zich uit evenwijdig aan het zx-vlak. De lengte U4 - zie figuur 9 - van het bovenste steunvlak 41 is in de z-richting korter dan 50% van de breedte B1 - zie figuur 7 - van de eerste poot 31. De lengte U5 - zie figuur 9 - van het onderste steunvlak 42 is in de z-richting korter dan 50% van de breedte B2 - zie figuur 7 - van de eerste poot 32. Verder is elke neus 17, 18 overeenkomstig een nadere uitvoeringsvorm van het derde aspect van de uitvinding aan de bovenzijde voorzien van een bovenste geleidingsvlak 45 dat schuin staat ten opzichte van het zx-vlak. Op overeenkomstige wijze, is elke neus 17, 18 aan de onderzijde voorzien van een onderste geleidingsvlak 46 dat schuin staat ten opzichte van het zx-vlak. De geleidingsvlakken geleiden de afdekelementen 150 tijdens het leggen hiervan op een helling zodanig dat de onderste en bovenste poten precies tegen de steunvlakken 41 en 42 komen te liggen. Overeenkomstig een andere, verdere uitvoeringsvorm van het derde aspect van de uitvinding, is elke neus 17, 18 aan de bovenzijde voorzien van een bovenste afstandhouder 45. Op overeenkomstige wijze, is elke neus 17, 18 aan de onderzijde voorzien van een onderste afstandhouder 47. De afstandhouders 46 en 47 verschaffen afstand tussen het centrale deel 30 en de steunvlakken 41,42.
Overeenkomstig het vierde aspect van de uitvinding is elke neus 17, 18 voorzien van een neusuitsparing 55. Deze neusuitsparing 55 kan, zoals in figuren 7-13 is getoond, volgens een verdere uitvoeringsvorm een in het vrije eind 43, 44 van de respectieve neus 17, 18 gevormde verdieping zijn.
Overeenkomstig het vijfde aspect van de uitvinding zijn op elke respectieve neus 17, 18 het bovenste steunvlak 41 en onderste steunvlak 42 ten opzichte van elkaar verschoven in de x-richting. Zoals in figuur 8 te zien overlappen het bovenste steunvlak 41 en het
-25onderste steunvlak 42 elkaar, beschouwd in de y-richting, over ongeveer 50% van hun lengte.
Door bij een talud met afdekelementen gerangschikt in een patroon als afgebeeld in figuur 6 een afdekelement 150 te gebruiken met een steunvlak 41, 42 volgens het derde aspect van de uitvinding, laat zich tussen de aangrenzende neuzen 17, 18 van afdekelementen 150 in een rij telkens een tussenruimte 60 - zie figuur 13 - creëren. Immers in z-richting is de lengte van elk steunvlak 41,42 is kleiner dan 50% van de breedte van de eerste en tweede poot 31, 32, zodat de totale lengte van de steunvlakken van twee aangrenzende, naar elkaar wijzende neuzen 17, 18 kleiner is dan 100% van de breedte van de eerste poot 31 respectievelijk tweede poot 32 van een afdekelement uit de bovenliggende respectievelijk onderliggende rij afdekelementen. Aldus zal per rij afdekelementen de hoeveelheid beton afnemen. Voorts creëert de extra tussenruimte, die wordt verkregen tussen de aangrenzende neuzen 17, 18 van afdekelementen 150 op een rij, een doorgang waardoor water afkomstig van op het talud inwerkende golven kan passeren. In deze golven aanwezige bewegingsenergie zal tijdens deze passage gedissipeerd worden.
Door bij een talud met afdekelementen gerangschikt in een patroon als afgebeeld in figuur 6 afdekelementen 150 te gebruiken met, overeenkomstig het vierde aspect van de uitvinding, een neusuitsparing 55 in tenminste een van de neuzen 17, 18 laat de hoeveelheid beton benodigd per afdekelement 150 zich reduceren. Aldus zal ook per rij afdekelementen de hoeveelheid benodigd beton afnemen. Voorts zal water afkomstig van op het talud inwerkende golven door deze neusuitsparing 55 passeren. In deze golven aanwezige bewegingsenergie zal tijdens deze passage gedissipeerd worden. Dit vierde aspect van de uitvinding laat zich ook goed toepassen geheel los van de overige aspecten van deze uitvinding. Verder laat dit vierde aspect van de uitvinding zich goed met het derde aspect van de uitvinding combineren. In het bijzonder wordt bij combinatie van het derde aspect van de uitvinding met het vierde aspect van de uitving de dissipatie van energie van op het talud in werkende golven aanzienlijk verbeterd wanneer de neusuitsparing 55 overeenkomstig een nadere uitvoering van het vierde aspect van de uitvinding een in het vrije eind 43, 44 van de neus 17, 18 gevormde verdieping is.
Door bij een talud met afdekelementen gerangschikt in een patroon als afgebeeld in figuur 6 afdekelementen 150 te gebruiken met, overeenkomstig het vijfde aspect van de uitvinding, per neus een onderste steunvlak 42 en een bovenste steunvlak 43, dat ten opzichte van het onderste steunvlak 42 verschoven is, laat - beschouwd in een richting langs het talud omhoog - de afstand tussen een ondergelegen rij afdekelementen en een direct daarboven gelegen rij afdekelementen zich vergroten. Aldus zal, beschouwd schuin langs het talud omhoog, de hoeveelheid benodigd beton afnemen. Dit vijfde aspect van de
-26uitvinding laat zich goed combineren met het derde aspect van de uitvinding of met het vierde aspect van de uitvinding of met zowel het derde als vierde aspect van de uitvinding.
Het zal uit het voorgaande duidelijk zijn dat het derde aspect van de uitvinding, het vierde aspect van de uitvinding en het vijfde aspect van de uitvinding zich elk afzonderlijk alsook in willekeurige combinatie goed laten combineren met het tweede aspect van de uitvinding. Uit het voorgaande zal het ook duidelijk zijn dat het derde aspect van de uitvinding, het vierde aspect van de uitvinding en het vijfde aspect van de uitvinding zich elk afzonderlijk alsook in willekeurige combinatie goed laten combineren met het eerste aspect van de uitvinding. En ook zal het uit het voorgaande duidelijk zijn dat het derde aspect van de uitvinding, het vierde aspect van de uitvinding en het vijfde aspect van de uitvinding zich elk afzonderlijk alsook in willekeurige combinatie goed laten combineren met het eerste en tweede aspect van de uitvinding.
De uitvinding in alle vijf de aspecten en uiteenlopende uitvoeringsvormen daarvan laat zich ook verwoorden zoals uiteengezet in de navolgende clausules:
1] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) van beton vooreen golfbrekende of golfremmende constructie, zoals een talud of golfbreker, waarbij een x-as (X), een y-as (Y) en een z-as (Z) een imaginair stelsel van assen, zoals een stelsel van orthogonale assen, definieert en waarbij de x-as (X) en y-as (Y) een xy-vlak definiëren en de z-as loodrecht op het xy-vlak staat;
waarbij het afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) een plaatdeel (16) en twee neuzen (17, 18) omvat, waarbij het plaatdeel (16) zich uitstrekt in de richting van het xyvlak en een dikte (T) heeft die zich uitstrekt in de richting van de z-as (Z) en waarbij de twee neuzen (17, 18) in de richting van de z-as, in ten opzichte van elkaar tegenovergestelde richting vanaf het plaatdeel (16) uitsteken en als een geheel met het plaatdeel gevormd zijn;
waarbij het plaatdeel (16) imaginair is op te vatten als:
o gevormd uit een vierhoekige plaat (1) met een eerste plaatdiagonaal (2) die zich evenwijdig aan de y-as uitstrekt en een tweede plaatdiagonaal (3) die zich evenwijdig aan de x-as uitstrek, waarbij die plaat (1) in het xy-vlak is begrensd door vier plaathoeken (4, 5, 6, 7) en vier plaatranden (8, 9, 10, 11);
o van welke plaat (1) twee tegenoverliggende plaatranden (8, 10) elk, bij het midden van de respectieve plaatrand, zijn ingesneden voor het vormen van een plaatuitsparing (14, 15); en o van welke plaat (1) tenminste een van de op de eerste plaatdiagonaal (2) gelegen hoeken (4, 6) is afgesneden langs een eerste snijlijn (22) die beide aan de respectieve hoek grenzende imaginaire plaatranden (8 en 9 respectievelijk 10 en 11) snijdt;
-27 waarbij het plaatdeel (16) een eerste afmeting (D1) heeft gemeten langs de eerste plaatdiagonaal (2) en een tweede afmeting (D2) heeft gemeten langs de tweede plaatdiagonaal (3); en waarbij de eerste afmeting (D1) kleiner is dan de tweede afmeting (D2).
2] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens clausule 1, waarbij van de plaat (1) beide op de eerste plaatdiagonaal (2) gelegen hoeken (4, 6) zijn afgesneden langs een genoemde eerste snijlijn (22).
3] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande clausules, waarbij genoemde eerste afmeting (D1) 35% tot 65% van de lengte van de eerste plaatdiagonaal (2) bedraagt.
4] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande clausules, waarbij genoemde eerste afmeting (D1) 40% tot 50% van de lengte van de eerste plaatdiagonaal (2) bedraagt.
5] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande clausules, waarbij de eerste snijlijn (22) recht is en onder een hoek (a) van 70° a 90° - meer in het bijzonder onder een hoek (a) van 80° a 90°, zoals 90° - ten opzichte van de eerste plaatdiagonaal (2) staat.
6] Afdekelement (100, 110, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande clausules, waarbij het plaatdeel (16) verder imaginair is op te vatten als dat alle vier de plaatranden (8, 9, 10, 11) elk, bij het midden van de respectieve plaatrand, zijn ingesneden voor het vormen van een genoemde plaatuitsparing (14, 15, 19, 20).
7] Afdekelement (140, 150) volgens clausule 6, waarbij het plaatdeel verder imaginair is op te vatten als dat een van de op de tweede plaatdiagonaal (3) gelegen hoeken (7) is afgesneden langs een tweede snijlijn (23) die enerzijds kruiselings snijdt met een van de eerste snijlijnen (22) en anderzijds kruiselings snijdt met een van de plaatranden (8 of 11), die aan de langs de tweede snijlijn (23) afgesneden hoek (7) grenst.
8] Afdekelement (140, 150) volgens clausule 7, waarbij de tweede snijlijn (23) zich uitstrekt evenwijdig aan een van de plaatranden (8) die aan de langs de tweede snijlijn (23) afgesneden hoek (7) grenst.
9] Afdekelement (140, 150) volgens clausule 7 of 8, waarbij de tweede snijlijn (23) raakt aan het diepste punt van de plaatuitsparing (14) ingesneden in een van de imaginaire plaatranden (8) die aan de langs de tweede snijlijn afgesneden hoek (7) grenst.
10] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande clausules, waarbij elke genoemde respectieve plaatuitsparing (14, 15, 19, 20), beschouwd in de richting van het xy-vlak, xy-afmetingen heeft die, beschouwd in de richting van de z-as (Z) en per plaatuitsparing (14, 15, 19, 20) afzonderlijk, in wezen constant zijn.
-2811] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande clausules, waarbij een genoemde respectieve plaatuitsparing (14, 15, 19, 20) een diepte (A) heeft, die, gemeten vanaf en loodrecht op de bijbehorende plaatrand (8, 10, 9, 11), tenminste 20% van een in dezelfde richting gemeten dikte (B) van de neus (17, 18) bedraagt, waarbij deze dikte (B) van de neus (17, 18) is gemeten op een afstand (V) vanaf het uiteinde van de neus (17, 18), die (V) circa 20% van de dikte (T) van de plaat (1) bedraagt.
12] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens clausule 11, waarbij die diepte (A) van een genoemde respectieve plaatuitsparing (14, 15, 19, 20) tenminste 25%, zoals tenminste 30%, van die in dezelfde richting gemeten dikte (B) van de neus (17, 18) bedraagt.
13] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande clausules, waarbij een genoemde respectieve plaatuitsparing (14, 15, 19, 20) een breedte (C) heeft, die, op en langs de bijbehorende plaatrand (8, 10, 9, 11), tenminste 80% van een in dezelfde richting gemeten breedte (E) van de neus (17, 18) bedraagt, waarbij deze breedte (E) van de neus (17, 18) is gemeten op een afstand (V) vanaf het uiteinde van de neus (17, 18), die (V) circa 20% van de dikte (T) van de plaat (1) bedraagt.
14] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens clausule 13, waarbij die breedte (C) van een genoemde respectieve plaatuitsparing (14, 15, 19, 20) tenminste 95%, zoals tenminste 100%, van die in dezelfde richting gemeten breedte (E) van de neus (17, 18) bedraagt.
15] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande clausules, waarbij de plaatuitsparingen (14, 15, 19, 20), beschouwd in het xy-vlak, trapeziumvormig zijn met de langste zijde van de trapezium gelegen op de bijbehorende plaatrand (8, 10,9, 11).
16] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande clausules, waarbij die neuzen (17, 18), beschouwd in de richting van de z-as (Z), een hoogte (H) hebben, die tenminste 80%, zoals 100% of meer, van de dikte (T) van het plaatdeel (16) bedraagt.
17] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande clausules, waarbij de neuzen (17, 18) gecentreerd zijn op het midden van de imaginaire vierhoekige plaat (1).
18] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande clausules, waarbij de neuzen (17, 18), beschouwd in de richting van het xy-vlak, een vierhoekige, in het bijzonder vierkante, dwarsdoorsnede vorm hebben.
19] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens clausule 18, waarbij elke hoek (21) van de vierhoekige dwarsdoorsnede vorm van een genoemde neus (17, 18), beschouwd bij loodrechte projectie van de respectieve neus (17, 18) op de plaat (1),
-29ongeveer ligt op een imaginaire lijn die het middelpunt van een genoemde plaatrand (8, 9, 10, 11) verbindt met het middelpunt van de neus (17, 18).
20] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens clausule 18, waarbij elke hoek (21) van de vierhoekige dwarsdoorsnede vorm van een genoemde neus (17, 18), beschouwd bij loodrechte projectie van de respectieve neus (17, 18) op de plaat (1), ongeveer ligt op de eerste of tweede plaatdiagonaal.
21] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande clausules, waarbij de dikte (T) van het plaatdeel (16) ongeveer 25% tot 42%, zoals ongeveer 1/3-deel, van de lengte van een van de plaatranden (8, 9, 10, 11) bedraagt.
22] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande clausules, waarbij de dikte (T) van het plaatdeel ongeveer 20% tot 30% van de langs de tweede plaatdiagonaal (3) gemeten tweede afmeting (D2) bedraagt.
23] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande clausules, waarbij de dikte (T) van het plaatdeel (16) ligt in het bereik van 30 cm tot 150 cm.
24] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande clausules, waarbij een van de plaatranden (8, 9, 10, 11) een lengte heeft in het bereik van 90 cm tot 450 cm.
25] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande clausules, waarbij de plaatranden (8, 9, 10, 11) onderling ongeveer gelijke lengtes hebben.
26] Afdekelement (150) volgens een der voorgaande clausules, waarbij de z-as (Z) en x-as (X) een zx-vlak definiëren;
waarbij het plaatdeel (1) een centraal deel (30), een eerste poot (31) en een tweede poot (32) omvat;
waarbij de neuzen (17, 18) zich uitstrekken vanaf het centrale deel (30) in de richting van de z-as (Z) in ten opzichte van elkaar tegenovergestelde richtingen, en de eerste en de tweede poot (31,32) zich uitstrekken vanaf het centrale deel (30) in de richting van de x-as (X);
waarbij de onderzijde (52) van de eerste poot (31) een eerste breedte (B1) heeft evenwijdig aan de z-as (Z), de bovenzijde (53) van de tweede poot (32) een tweede breedte (B2) heeft evenwijdig aan de z-as (Z);
waarbij de neuzen (17, 18) een bovenste en/of onderste steunvlak (41,42) hebben, welke steunvlakken (41,42) zich in hoofdzaak evenwijdig aan het zx-vlak uitstrekt en grenzen aan het vrije eind (43, 44) van de respectieve neus (17, 18); en waarbij, in een richting evenwijdig aan de z-as (Z), de steunvlakken (41,42) een lengte (U4, U5) hebben, welke lengte (U4, U5) kleiner is dan 50% van de breedte (B1) van de eerste poot (31), respectievelijk de breedte (B2) van de tweede poot (32).
-3027] Afdekelement (150) van beton voor een golfbrekende of golfremmende constructie, zoals een talud, waarbij een x-as (X), een y-as (Y) en een z-as (Z) een imaginair stelsel van orthogonale assen definieert en waarbij de z-as (Z) en x-as (X) een zx-vlak definiëren;
waarbij het afdekelement (150) een centraal deel (30), twee neuzen (17, 18), een eerste poot (31) en een tweede poot (32) omvat, waarbij het centrale deel (30), de twee neuzen (17, 18) en de eerste en tweede poot (31,32) als een geheel gevormd zijn;
waarbij de neuzen (17, 18) zich uitstrekken vanaf het centrale deel (30) in de richting van de z-as (Z) in ten opzichte van elkaar tegenovergestelde richtingen, en de eerste en de tweede poot (31,32) zich uitstrekken vanaf het centrale deel (30) in de richting van de x-as (X);
waarbij de onderzijde (52) van de eerste poot (31) een eerste breedte (B1) heeft evenwijdig aan de z-as (Z), de bovenzijde (53) van de tweede poot (32) een tweede breedte (B2) heeft evenwijdig aan de z-as (Z);
waarbij de neuzen (17, 18) een bovenste en/of onderste steunvlak (41,42) hebben, welk steunvlakken (41,42) zich in hoofdzaak evenwijdig aan het zx-vlak uitstrekken en grenzen aan het vrije eind (43, 44) van de respectieve neus (17, 18); en waarbij, in een richting evenwijdig aan de z-as (Z), de steunvlakken (41,42) een lengte (U4, U5) hebben, welke lengte (U4, U5) kleiner is dan 50% van de breedte (B1) van de eerste poot (31), respectievelijk de breedte (B2) van de tweede poot (32).
28] Afdekelement (150) volgens clausule 26 of 27, waarbij de lengte (U4, U5) van het bovenste en/of onderste steunvlak (41,42) ten hoogste 40%, zoals ten hoogste 35%, van de breedte (B1) van de eerste poot (31), respectievelijk de breedte (B2) van de tweede poot (32) is.
29] Afdekelement (150) volgens een van de clausule 26-28, waarbij de lengte (U4, U5) van het bovenste en/of onderste steunvlak (41,42) ten minste 15%, zoals ten minste 25%, van de breedte (B1) van de eerste poot (31), respectievelijk de breedte (B2) van de tweede poot (32) is.
30] Afdekelement (150) volgens een van de clausules 26-29, waarbij de neuzen (17, 18) een bovenste en/of onderste geleidingsvlak (45, 46) hebben dat ten opzichte van het zx-vlak schuin staat, en waarbij het bovenste en/of onderste steunvlak (41, 42), bezien vanaf het vrije eind (43, 44) van de respectieve neus (17, 18) en in de richting van het centrale deel (30), grenst aan het bovenste respectievelijke onderste geleidingsvlak (45, 46).
31] Afdekelement (150) volgens een van de clausules 26-30, waarbij de neuzen (17, 18) een bovenste en/of onderste afstandshouder (47, 48) hebben die zich in de richting van het zx-vlak uitstrekt, en waarbij het bovenste en/of onderste geleidingsvlak (45, 46) bezien vanaf
-31 het vrije eind (43, 44) van de neus (17, 18) en in de richting van het centrale deel (30) grenst aan de bovenste respectievelijk onderste afstandshouder (47, 48).
32] Afdekelement (150) volgens clausule 31, waarbij de bovenste en/of onderste afstandshouder (47, 48) een lengte (V1 respectievelijk V2) heeft gemeten langs de z-as (Z), welke lengte (V1, V2) groter is dan 20%, zoals ten minste 30%, van de breedte (B1) van de eerste poot (31), respectievelijk de breedte (B2) van de tweede poot (32).
33] Afdekelement (150) volgens een der voorgaande clausules 26-32, waarbij elke neus (17, 18) een onderste en bovenste steunvlak (41,42) heeft.
34] Afdekelement (150) volgens een der voorgaande clausules 26-33, waarbij de eerste breedte (B1) van de eerste poot (31) gelijk is aan de tweede breedte (B2) van de tweede poot (32).
35] Afdekelement (150) volgens een der voorgaande clausules, waarbij de z-as (Z) en x-as (X) een zx-vlak definiëren;
waarbij de neuzen (17, 18) zich uitstrekken vanaf het centrale deel (30) in de richting van de z-as (Z) in ten opzichte van elkaar tegenovergestelde richtingen, en de eerste en de tweede poot (31,32) zich uitstrekken vanaf het centrale deel (30) in de richting van de x-as (X);
waarbij ten minste één van de neuzen (17, 18) een neusuitsparing (55) heeft die zich uitstrekt vanaf een eerste langszijde (50) van de neus (17, 18) tot en met een tegenover de eerste langszijde (50) gelegen tweede langszijde (51) van de neus (17, 18).
37] Afdekelement (150) volgens clausule 35 of 36, waarbij de neusuitsparing (55) een in het vrije eind (43, 44) van de neus (17, 18) gevormde verdieping is.
38] Afdekelement (150) volgens een der clausule 35-37, waarbij een denkbeeldige verbindingslijn (54) tussen de eerste langszijde (50) en de tweede langszijde (51), door de neusuitsparing (55) heen getrokken kan worden, waarbij deze verbindingslijn (54) onder een hoek staat ten opzichte van het zx-vlak.
39] Afdekelement (150) volgens een der clausules 35-38, waarbij beide neuzen (17, 18) een genoemde neusuitsparing (55) hebben.
40] Afdekelement (150) volgens een der clausules 35-39, waarbij de neusuitsparing (55) een diepte (U1) heeft in de richting van de z-as (Z), waarbij de neuzen (17, 18), beschouwd in de richting van de z-as (Z), en gemeten vanaf het centrale deel (30) tot aan het vrije eind (43, 44) van de respectieve neus (17, 18), een neuslengte (N) hebben, en waarbij de diepte (U) van de neusuitsparing (55) ten hoogste 60%, zoals ten hoogste 40%, van de neuslengte (N) is.
41] Afdekelement (150) volgens een der clausules 35-40, waarbij de diepte (U1) van de neusuitsparing (55) ten minste 5%, zoals ten minste 10% van de neuslengte (N) is.
42] Afdekelement (150) volgens een der voorgaande clausules,
-32waarbij de z-as (Z) en x-as (X) een zx-vlak definiëren;
waarbij de neuzen (17, 18) een bovenste en onderste steunvlak (41, 42) hebben, welke steunvlakken (41,42) zich uitstrekken hoofdzakelijk evenwijdig aan het zx-vlak; waarbij de neuzen (17, 18) zich uitstrekken vanaf het centrale deel (33) in de richting van de z-as (Z) in ten opzichte van elkaar tegenovergestelde richtingen, en de eerste en de tweede poot (31,32) zich uitstrekken vanaf het centrale deel (30) in de richting van de x-as (X); en waarbij het onderste steunvlak (42), in de richting van de x-as (X), ten opzichte van het bovenste steunvlak (41) verschoven is, en waarbij het bovenste en onderste steunvlak (41,
42] , in de richting van de y-as (Y), elkaar ten hoogste gedeeltelijk overlappen.
43] Afdekelement (150) van beton voor een golfbrekende of golfremmende constructie, zoals een talud, waarbij een z-as (Z), een x-as (X) en een y-as (Y) een imaginair stelsel van orthogonale assen definieert en waarbij de z-as (Z) en x-as (X) een zx-vlak definiëren;
waarbij het afdekelement (150) een centraal deel (30), twee neuzen (17, 18), een eerste poot (31) en een tweede poot (32) omvat, waarbij het centrale deel (30), de twee neuzen (17, 18) en de eerste en tweede poot (31,32) als een geheel gevormd zijn, waarbij de neuzen (17, 18) zich uitstrekken vanaf het centrale deel (30) in de richting van de z-as (Z) in ten opzichte van elkaar tegenovergestelde richtingen, en de eerste en de tweede poot (31,32) zich uitstrekken vanaf het centrale deel (30) in de richting van de x-as (X)· waarbij de neuzen (17, 18) een bovenste en onderste steunvlak (41,42) hebben, welke steunvlakken (41,42) zich uitstrekken hoofdzakelijk evenwijdig aan het zx-vlak;
waarbij het onderste steunvlak (42), in de richting van de x-as (X), ten opzichte van het bovenste steunvlak (41) verschoven is; en waarbij het bovenste en onderste steunvlak (41,42), in de richting van de y-as (Y), elkaar ten hoogste gedeeltelijk overlappen.
44] Afdekelement (150) volgens clausule 42 of 43, waarbij het bovenste en onderste steunvlak(41,42) zover ten opzichte van elkaar verschoven zijn in de richting van de x-as dat het onderste en bovenste steunvlak (41,42), beschouwd in de richting van de y-as, geen overlap met elkaar hebben.
45] Afdekelement (150) volgens een van de clausules 42-44, waarbij het bovenste en onderste steunvlak (41,42) grenzen aan het vrije eind (43, 44) van de neus (17, 18) waarop ze voorzien zijn.
46] Afdekelement (150) volgens een van de clausules 26-45, waarbij het afdekelement (150) verder een derde (33) en een vierde poot (34) omvat die als een geheel met het centrale deel (30) gevormd zijn en die zich vanaf het centrale deel (30) in de richting van de y-as (Y) in ten opzichte van elkaar tegenovergestelde richtingen uitstrekken.
-3347] Afdekelement (150) volgens een van de clausules 1-45, waarbij het afdekelement (150) verder een derde poot (33) omvat die als een geheel met het centrale deel (30) gevormd is en die zich vanaf het centrale deel in de richting van de y-as (Y) uitstrekt.
48] Golfbrekend of golfremmend constructie (200) omvattende een veelheid aan afdekelementen (100, 110, 120, 130, 140, 150) van het type gevormd uit een X-vormig of Hvormig plaatdeel (16) met:
• vier door de X-vorm of H-vorm bepaalde poten (31,32, 33, 34) waarvan er twee (33, 34) op een eerste diagonaal (2) van het plaatdeel (16) liggen en twee (31,32) op een tweede diagonaal (3) van het plaatdeel (16); en • met twee dwars op het plaatdeel staande, in tegenovergestelde richting van het plaatdeel uitstekende neuzen (17, 18), waarbij tenminste een van de twee op een eerste diagonaal gelegen poten (33, 34) van het plaatdeel (16) verwijderd is;
waarbij de veelheid afdekelementen (100, 110, 120, 130, 140, 150) in horizontale, tegen een talud (200) boven elkaar liggende rijen (203, 204, 205, 206) geordend is met per rij de neuzen (17, 18) van de aangrenzende afdekelementen (100, 110, 120, 130 140, 150) op een lijn liggend en met per afdekelement (100, 110, 120, 130 140, 150) de tweede diagonaal (3) horizontaal georiënteerd;
waarbij per rij (204, 205, 206) een eerste (33) van de op de tweede diagonaal (3) gelegen poten van de afdekelementen (100, 110, 120, 130, 140, 150) uit die rij (204,205, 206) telkens afsteunt op twee aangrenzende neuzen (17, 18) van aangrenzende afdekelementen (100, 110, 120, 130, 140, 150) uit een onderliggende rij (203, 204, 205) terwijl de andere (32) van de op de tweede diagonaal gelegen poten van de afdekelementen uit die rij afsteunt op het talud.
49] Golfbrekend of golfremmend constructie (200) omvattende een veelheid aan afdekelementen (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een van de clausules 1-47.
50] Constructie (200) volgens clausule 49, waarbij de afdekelementen (100, 120, 130, 140, 150) zijn geplaatst in horizontale, tegen het talud (200) boven elkaar liggende rijen (203, 204, 205, 206) met de eerste plaatdiagonaal (2) in wezen vertikaal;
waarbij per rij (203, 204, 205, 206) de neuzen (17, 18) van de aangrenzende afdekelementen (100, 110, 120, 130 140, 150) op een lijn liggen;
waarbij een op de tweede plaatdiagonaal (3) gelegen eerste hoekdeel (24) van een afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) uit een bovenliggende rij (204,205, 206) telkens afsteunt op twee aangrenzende neuzen (17, 18) van aangrenzende afdekelementen (100, 110, 120, 130, 140, 150) uit een onderliggende rij (203, 204, 205); en
-34waarbij de neuzen (17, 18) van een afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) uit een bovenliggende rij (204, 205, 206) telkens afsteunen op een op de tweede plaatdiagonaal (3) gelegen tweede hoekdeel (25) van een afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) uit een onderliggende rij (203, 204, 205).
51] Constructie (200) volgens clausule 50 in combinatie met tenminste een van de clausules 7-9, waarbij het afgesneden hoekdeel (7) op de tweede plaatdiagonaal (3) telkens van het talud afgekeerd is met de tweede snijlijn (23) omhoog gekeerd.
-35Lijst van verwijzingsnummers en tekens bij de figuren
1 (imaginaire) plaat 54 verbindingslijn
2 eerste plaatdiagonaal 55 uitsparing
3 tweede plaatdiagonaal 60 tussenruimte tussen neuzen
4 plaathoek op 1ste plaatdiagonaal
5 plaathoek op 2e plaatdiagonaal 100 afdekelement eerste uitvoering
6 plaathoek op 1ste plaatdiagonaal 110 afdekelement tweede uitvoering
7 plaathoek op 2e plaatdiagonaal 120 afdekelement derde uitvoering
8 plaatrand 130 afdekelement vierde uitvoering
9 Plaatrand 140 afdekelement vijfde uitvoering
10 Plaatrand 150 afdekelement zesde uitvoering
11 Plaatrand
12 eerste plaatvlak 200 talud
13 tweede plaatvlak 201 helling
14 Plaatuitsparing 202 voet/teen
15 Plaatuitsparing 203 onderste rij
16 Plaatdeel 204 tussen rij
17 Neus 205 tussen rij
18 Neus 206 bovenste rij
19 Plaatuitsparing
20 plaatuitsparing A diepte plaatuitsparing
21 Hoek van neus B dikte neus in richting van diepte plaatuitsparing
22 Eerste snijlijn B1 breedte eerste poot
23 tweede snijlijn B2 breedte tweede poot
24 Eerste hoekdeel C breedte plaatuitsparing
25 Tweede hoekdeel
D1 eerste afmeting
30 Centrale deel D2 tweede afmeting
31 Eerste poot E breedte neus
32 Tweede poot F breedte bodem van plaatuitsparing
33 Derde poot H hoogte van de neus
34 Vierde poot N neuslengte
T dikte plaatdeel
41 Bovenste steunvlak U1 Diepte neusuitsparing
42 Onderste steunvlak U4 Lengte bovenste steunvlak
43 vrije eind van neus 17 U5 Lengte onderste steunvlak
44 vrije eind van neus 18 V afstand tot uiteinde neus
45 bovenste geleidingsvlak op neus V1 lengte bovenste afstandhouder
46 onderste geleidingsvlak op neus V2 lengte onderste afstandhouder
47 bovenste afstandhouder neus
48 onderste afstandhouder neus X x-as
Y y-as
50 ene langszijde neus z z-as
51 andere langszijde neus
52 onderzijde eerste poot α hoek eerste snijlijn tov eerste plaatdiagonaal
53 bovenzijde tweede poot

Claims (23)

  1. CONCLUSIES
    Eerste aspect
    1 ] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) van beton voor een golfbrekende of golfremmende constructie, zoals een talud of golfbreker,
    - waarbij een x-as (X), een y-as (Y) en een z-as (Z) een imaginair stelsel van assen, zoals een stelsel van orthogonale assen, definieert en waarbij de x-as (X) en y-as (Y) een xy-vlak definiëren en de z-as loodrecht op het xy-vlak staat;
    - waarbij het afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) een plaatdeel (16) en twee neuzen (17, 18) omvat, waarbij het plaatdeel (16) zich uitstrekt in de richting van het xy-vlak en een dikte (T) heeft die zich uitstrekt in de richting van de z-as (Z) en waarbij de twee neuzen (17, 18) in de richting van de z-as, in ten opzichte van elkaar tegenovergestelde richting vanaf het plaatdeel (16) uitsteken en als een geheel met het plaatdeel gevormd zijn;
    - waarbij het plaatdeel (16) imaginair is op te vatten als:
    o gevormd uit een vierhoekige plaat (1) met een eerste plaatdiagonaal (2) die zich evenwijdig aan de y-as uitstrekt en een tweede plaatdiagonaal (3) die zich evenwijdig aan de x-as uitstrek, waarbij die plaat (1) in het xy-vlak is begrensd door vier plaathoeken (4, 5, 6, 7) en vier plaatranden (8, 9, 10, 11);
    o van welke plaat (1) twee tegenoverliggende plaatranden (8, 10) elk, bij het midden van de respectieve plaatrand, zijn ingesneden voor het vormen van een plaatuitsparing (14, 15); en o van welke plaat (1) tenminste een van de op de eerste plaatdiagonaal (2) gelegen hoeken (4, 6) is afgesneden langs een eerste snijlijn (22) die beide aan de respectieve hoek grenzende imaginaire plaatranden (8 en 9 respectievelijk 10 en 11) snijdt;
    - waarbij het plaatdeel (16) een eerste afmeting (D1) heeft gemeten langs de eerste plaatdiagonaal (2) en een tweede afmeting (D2) heeft gemeten langs de tweede plaatdiagonaal (3); en
    - waarbij de eerste afmeting (D1) kleiner is dan de tweede afmeting (D2).
  2. 2] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens conclusie 1, waarbij van de plaat (1) beide op de eerste plaatdiagonaal (2) gelegen hoeken (4, 6) zijn afgesneden langs een genoemde eerste snijlijn (22).
    -373] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande conclusies, waarbij:
    • genoemde eerste afmeting (D1) 35% tot 65% van de lengte van de eerste plaatdiagonaal (2) bedraagt, zoals 40% tot 50% van de lengte van de eerste plaatdiagonaal (2) bedraagt;
    en/of • de eerste snijlijn (22) recht is en onder een hoek (a) van 70° a 90° - meer in het bijzonder onder een hoek (a) van 80° a 90°, zoals 90° - ten opzichte van de eerste plaatdiagonaal (2) staat.
  3. 4] Afdekelement (100, 110, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande conclusies, waarbij het plaatdeel (16) verder imaginair is op te vatten als dat alle vier de plaatranden (8, 9, 10, 11) elk, bij het midden van de respectieve plaatrand, zijn ingesneden voor het vormen van een genoemde plaatuitsparing (14, 15, 19, 20).
  4. 5] Afdekelement (140, 150) volgens conclusie 4, waarbij het plaatdeel verder imaginair is op te vatten als dat een van de op de tweede plaatdiagonaal (3) gelegen hoeken (7) is afgesneden langs een tweede snijlijn (23) die enerzijds kruiselings snijdt met een van de eerste snijlijnen (22) en anderzijds kruiselings snijdt met een van de plaatranden (8 of 11), die aan de langs de tweede snijlijn (23) afgesneden hoek (7) grenst, en waarbij de tweede snijlijn (23):
    • zich kan uitstrekken evenwijdig aan een van de plaatranden (8) die aan de langs de tweede snijlijn (23) afgesneden hoek (7) grenst;
    en/of • kan raken aan het diepste punt van de plaatuitsparing (14) ingesneden in een van de imaginaire plaatranden (8) die aan de langs de tweede snijlijn afgesneden hoek (7) grenst.
  5. 6] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande conclusies, waarbij een genoemde respectieve plaatuitsparing (14, 15, 19, 20) een diepte (A) heeft, die, gemeten vanaf en loodrecht op de bijbehorende plaatrand (8, 10, 9, 11), tenminste 20%, zoals tenminste 25% of tenminste 30%, van een in dezelfde richting gemeten dikte (B) van de neus (17, 18) bedraagt, waarbij deze dikte (B) van de neus (17, 18) is gemeten op een afstand (V) vanaf het uiteinde van de neus (17, 18), die (V) circa 20% van de dikte (T) van de plaat (1) bedraagt.
    -387] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande conclusies, waarbij een genoemde respectieve plaatuitsparing (14, 15, 19, 20) een breedte (C) heeft, die, op en langs de bijbehorende plaatrand (8, 10, 9, 11), tenminste 80%, zoals tenminste 95% of tenminste 100%, van een in dezelfde richting gemeten breedte (E) van de neus (17, 18) bedraagt, waarbij deze breedte (E) van de neus (17, 18) is gemeten op een afstand (V) vanaf het uiteinde van de neus (17, 18), die (V) circa 20% van de dikte (T) van de plaat (1) bedraagt.
  6. 8] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de plaatuitsparingen (14, 15, 19, 20), beschouwd in het xy-vlak, trapeziumvormig zijn met de langste zijde van de trapezium gelegen op de bijbehorende plaatrand (8, 10, 9, 11).
  7. 9] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de neuzen (17, 18):
    • beschouwd in de richting van de z-as (Z), een hoogte (H) hebben, die tenminste 80%, zoals 100% of meer, van de dikte (T) van het plaatdeel (16) bedraagt;
    en/of • gecentreerd zijn op het midden van de imaginaire vierhoekige plaat (1);
    en/of • beschouwd in de richting van het xy-vlak, een vierhoekige, in het bijzonder vierkante, dwarsdoorsnede vorm hebben, waarbij:
    o elke hoek (21) van de vierhoekige dwarsdoorsnede vorm van een genoemde neus (17, 18), beschouwd bij loodrechte projectie van de respectieve neus (17, 18) op de plaat (1), ongeveer kan liggen op een imaginaire lijn die het middelpunt van een genoemde plaatrand (8, 9, 10, 11) verbindt met het middelpunt van de neus (17, 18);
    o elke hoek (21) van de vierhoekige dwarsdoorsnede vorm van een genoemde neus (17, 18), beschouwd bij loodrechte projectie van de respectieve neus (17, 18) op de plaat (1), ongeveer kan liggen op de eerste of tweede plaatdiagonaal.
  8. 10] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de dikte (T) van het plaatdeel (16):
    • ongeveer 25% tot 42%, zoals ongeveer 1/3-deel, van de lengte van een van de plaatranden (8, 9, 10, 11) bedraagt;
    -39en/of • ongeveer 20% tot 30% van de langs de tweede plaatdiagonaal (3) gemeten tweede afmeting (D2) bedraagt;
    en/of • ligt in het bereik van 30 cm tot 150 cm cm.
  9. 11] Afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een der voorgaande conclusies, waarbij:
    • een van de plaatranden (8, 9, 10, 11) een lengte heeft in het bereik van 90 cm tot 450 cm;
    en/of • de plaatranden (8, 9, 10, 11) onderling ongeveer gelijke lengtes hebben.
    Derde aspect
  10. 12] Afdekelement (150) volgens een der voorgaande conclusies,
    - waarbij de z-as (Z) en x-as (X) een zx-vlak definiëren;
    - waarbij het plaatdeel (1) een centraal deel (30), een eerste poot (31) en een tweede poot (32) omvat;
    - waarbij de neuzen (17, 18) zich uitstrekken vanaf het centrale deel (30) in de richting van de z-as (Z) in ten opzichte van elkaar tegenovergestelde richtingen, en de eerste en de tweede poot (31,32) zich uitstrekken vanaf het centrale deel (30) in de richting van de x-as (X);
    - waarbij de onderzijde (52) van de eerste poot (31) een eerste breedte (B1) heeft evenwijdig aan de z-as (Z), de bovenzijde (53) van de tweede poot (32) een tweede breedte (B2) heeft evenwijdig aan de z-as (Z);
    - waarbij de neuzen (17, 18) een bovenste en/of onderste steunvlak (41,42) hebben, welke steunvlakken (41,42) zich in hoofdzaak evenwijdig aan het zx-vlak uitstrekken en grenzen aan het vrije eind (43, 44) van de respectieve neus (17, 18); en waarbij, in een richting evenwijdig aan de z-as (Z), de steunvlakken (41,42) een lengte (U4, U5) hebben, welke lengte (U4, U5) kleiner is dan 50% van de breedte (B1) van de eerste poot (31), respectievelijk de breedte (B2) van de tweede poot (32).
  11. 13] Afdekelement (150) volgens conclusie 12, waarbij de lengte (U4, U5) van het bovenste en/of onderste steunvlak (41,42):
    -40• ten hoogste 40%, zoals ten hoogste 35%, van de breedte (B1) van de eerste poot (31) , respectievelijk de breedte (B2) van de tweede poot (32) is; en/of • ten minste 15%, zoals ten minste 25%, van de breedte (B1) van de eerste poot (31), respectievelijk de breedte (B2) van de tweede poot (32) is.
  12. 14] Afdekelement (150) volgens een van de conclusies 12-13, waarbij:
    • de neuzen (17, 18) een bovenste en/of onderste geleidingsvlak (45, 46) hebben dat ten opzichte van het zx-vlak schuin staat, en waarbij het bovenste en/of onderste steunvlak (41,42), bezien vanaf het vrije eind (43, 44) van de respectieve neus (17, 18) en in de richting van het centrale deel (30), grenst aan het bovenste respectievelijke onderste geleidingsvlak (45, 46);
    en/of • de neuzen (17, 18) een bovenste en/of onderste afstandshouder (47, 48) hebben die zich in de richting van het zx-vlak uitstrekt, en waarbij het bovenste en/of onderste geleidingsvlak (45, 46) bezien vanaf het vrije eind (43, 44) van de neus (17, 18) en in de richting van het centrale deel (30) grenst aan de bovenste respectievelijk onderste afstandshouder (47, 48), waarbij de bovenste en/of onderste afstandshouder (47,
    48) een lengte een lengte (V1, V2) kan hebben, gemeten langs de z-as (Z), welke lengte (V1, V2) optioneel groter is dan 20%, zoals ten minste 30%, van de breedte (B1) van de eerste poot (31), respectievelijk de breedte (B2) van de tweede poot (32) ; en/of • waarbij elke neus (17, 18) een onderste en bovenste steunvlak (41,42) heeft; en/of • waarbij de eerste breedte (B1) van de eerste poot (31) gelijk is aan de tweede breedte (B2) van de tweede poot (32).
    Vierde aspect
  13. 15] Afdekelement (150) volgens een der voorgaande conclusies,
    - waarbij de z-as (Z) en x-as (X) een zx-vlak definiëren;
    - waarbij de neuzen (17, 18) zich uitstrekken vanaf het centrale deel (30) in de richting van de z-as (Z) in ten opzichte van elkaar tegenovergestelde richtingen, en de eerste en de tweede poot (31,32) zich uitstrekken vanaf het centrale deel (30) in de richting van de x-as (X);
    -41 - waarbij ten minste één van de neuzen (17, 18) een neusuitsparing (55) heeft die zich uitstrekt vanaf een eerste langszijde (50) van de neus (17, 18) tot en met een tegenover de eerste langszijde (50) gelegen tweede langszijde (51) van de neus (17, 18).
  14. 16] Afdekelement (150) volgens conclusie 15, waarbij de neusuitsparing (55) een in het vrije eind (43, 44) van de neus (17, 18) gevormde verdieping is.
  15. 17] Afdekelement (150) volgens een der conclusies 15-16, waarbij er een denkbeeldige verbindingslijn (54) tussen de eerste langszijde (50) en de tweede langszijde (51), door de neusuitsparing (55) heen getrokken kan worden, waarbij deze verbindingslijn (54) onder een hoek staat ten opzichte van het zx-vlak.
  16. 18] Afdekelement (150) volgens een der conclusies 15-17, waarbij • beide neuzen (17, 18) een genoemde neusuitsparing (55) hebben;
    en/of • de neusuitsparing (55) een diepte (U1) heeft in de richting van de z-as (Z), waarbij de neuzen (17, 18), beschouwd in de richting van de z-as (Z), en gemeten vanaf het centrale deel (30) tot aan het vrije eind (43, 44) van de respectieve neus (17, 18), een neuslengte (N) hebben, en waarbij de diepte (U1) van de neusuitsparing (55) ten hoogste 60%, zoals ten hoogste 40%, van de neuslengte (N) is;
    en/of • de diepte (U1) van de neusuitsparing (55) ten minste 5%, zoals ten minste 10% van de neuslengte (N) is.
    Vijfde aspect
  17. 19] Afdekelement (150) volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de z-as (Z) en x-as (X) een zx-vlak definiëren;
    waarbij de neuzen (17, 18) een bovenste en onderste steunvlak (41,42) hebben, welke steunvlakken (41,42) zich uitstrekken hoofdzakelijk evenwijdig aan het zx-vlak; waarbij de neuzen (17, 18) zich uitstrekken vanaf het centrale deel in de richting van de z-as (Z) in ten opzichte van elkaar tegenovergestelde richtingen, en de eerste en de tweede poot (31,32) zich uitstrekken vanaf het centrale deel (30) in de richting van de xas (X); en
    -42 waarbij het onderste steunvlak (42), in de richting van de x-as (X), ten opzichte van het bovenste steunvlak (41) verschoven is, en waarbij het bovenste en onderste steunvlak (41,42), in de richting van de y-as (Y), elkaar ten hoogste gedeeltelijk overlappen.
  18. 20] Afdekelement (150) volgens conclusie 19, waarbij • het bovenste en onderste steunvlak (41,42) zover ten opzichte van elkaar verschoven zijn in de richting van de x-as dat het onderste en bovenste steunvlak (41,42), beschouwd in de richting van de y-as, geen overlap met elkaar hebben;
    en/of • het bovenste en onderste steunvlak (41, 42) grenzen aan het vrije eind (43, 44) van de neus (17, 18) waarop ze voorzien zijn.
  19. 21] Afdekelement (150) volgens een der voorgaande conclusies, • waarbij het afdekelement (150) verder een derde (33) en een vierde poot (34) omvat die als een geheel met het centrale deel (30) gevormd zijn en die zich vanaf het centrale deel (30) in de richting van de y-as (Y) in ten opzichte van elkaar tegenovergestelde richtingen uitstrekken;
    of • waarbij het afdekelement (150) verder een derde poot (33) omvat die als een geheel met het centrale deel (30) gevormd is en dat zich vanaf het centrale deel in de richting van de y-as (Y) uitstrekt.
    Tweede aspect
  20. 22] Golfbrekend of golfremmend constructie (200) omvattende een veelheid aan afdekelementen (100, 110, 120, 130, 140, 150) van het type gevormd uit een X-vormig of H-vormig plaatdeel (16) met:
    • vier door de X-vorm of H-vorm bepaalde poten (31,32, 33, 34) waarvan er twee (33, 34) op een eerste diagonaal (2) van het plaatdeel (16) liggen en twee (31,32) op een tweede diagonaal (3) van het plaatdeel (16); en • met twee dwars op het plaatdeel staande, in tegenovergestelde richting van het plaatdeel uitstekende neuzen (17, 18), waarbij tenminste een van de twee op een eerste diagonaal gelegen poten (33, 34) van het plaatdeel (16) verwijderd is;
    waarbij de veelheid afdekelementen (100, 110, 120, 130, 140, 150) in horizontale, tegen een talud (200) boven elkaar liggende rijen (203, 204, 205, 206) geordend is met per rij
    -43de neuzen (17, 18) van de aangrenzende afdekelementen (100, 110, 120, 130 140,
    150) op een lijn liggend en met per afdekelement (100, 110, 120, 130 140, 150) de tweede diagonaal (3) horizontaal georiënteerd;
    waarbij per rij (204, 205, 206) een eerste (31) van de op de tweede diagonaal (3) gelegen poten van de afdekelementen (100, 110, 120, 130, 140, 150) uit die rij (204,205, 206) telkens afsteunt op twee aangrenzende neuzen (17, 18) van aangrenzende afdekelementen (100, 110, 120, 130, 140, 150) uit een onderliggende rij (203, 204, 205) terwijl de andere (32) van de op de tweede diagonaal gelegen poten van de afdekelementen uit die rij afsteunt op het talud.
  21. 23] Golfbrekend of golfremmend constructie (200) omvattende een veelheid aan afdekelementen (100, 110, 120, 130, 140, 150) volgens een van de conclusies 1-21.
  22. 24] Constructie (200) volgens conclusie 23, waarbij de afdekelementen (100, 120, 130, 140, 150) zijn geplaatst in horizontale, tegen het talud (200) boven elkaar liggende rijen (203, 204, 205, 206) met de eerste plaatdiagonaal (2) in wezen vertikaal;
    waarbij per rij (203, 204, 205, 206) de neuzen (17, 18) van de aangrenzende afdekelementen (100, 110, 120, 130 140, 150) op een lijn liggen;
    waarbij een op de tweede plaatdiagonaal (3) gelegen eerste hoekdeel (24) van een afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) uit een bovenliggende rij (204,205, 206) telkens afsteunt op twee aangrenzende neuzen (17, 18) van aangrenzende afdekelementen (100, 110, 120, 130, 140, 150) uit een onderliggende rij (203, 204, 205);
    en waarbij de neuzen (17, 18) van een afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) uit een bovenliggende rij (204, 205, 206) telkens afsteunen op een op de tweede plaatdiagonaal (3) gelegen tweede hoekdeel (25) van een afdekelement (100, 110, 120, 130, 140, 150) uit een onderliggende rij (203, 204, 205).
  23. 25] Constructie (200) volgens conclusie 24 in combinatie met tenminste een van de conclusies 5, waarbij het afgesneden hoekdeel (7) op de tweede plaatdiagonaal (3) telkens van het talud afgekeerd is met de tweede snijlijn (23) omhoog gekeerd.
    Fig. 1b
    Fig. 3a
    Fig. 3b
    Fig. 4b
    200 oo m μ cm
    140
    XI
    X
    150
NL2017461A 2016-09-14 2016-09-14 Betonnen afdekelement voor een golfbrekende of golfremmende constructie, alsmede constructie voorzien van een veelheid van dergelijke afdekelementen NL2017461B1 (nl)

Priority Applications (19)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2017461A NL2017461B1 (nl) 2016-09-14 2016-09-14 Betonnen afdekelement voor een golfbrekende of golfremmende constructie, alsmede constructie voorzien van een veelheid van dergelijke afdekelementen
BR112019004688-7A BR112019004688B1 (pt) 2016-09-14 2017-09-14 Elemento de cobertura de concreto para uma construção de quebramar ou píer, e, construção de quebra-mar ou píer
MYPI2019001352A MY198048A (en) 2016-09-14 2017-09-14 Cover element of concrete for a breakwater or jetty construction, as well as breakwater or jetty construction provided with a plurality of such elements
PL17781570.1T PL3513005T3 (pl) 2016-09-14 2017-09-14 Element osłonowy z betonu do konstrukcji falochronu lub ostrogi oraz konstrukcja falochronu lub ostrogi wyposażona w wiele takich elementów
ES17781570T ES3057336T3 (en) 2016-09-14 2017-09-14 Cover element of concrete for a breakwater or jetty construction, as well as breakwater or jetty construction provided with a plurality of such elements
MX2019002905A MX2019002905A (es) 2016-09-14 2017-09-14 Elemento de cubierta de hormigon para una construccion de rompeolas o escolleras, asi como con la construccion de rompeolas o escolleras proporcionada con una pluralidad de dichos elementos.
EP17781570.1A EP3513005B1 (en) 2016-09-14 2017-09-14 Cover element of concrete for a breakwater or jetty construction, as well as breakwater or jetty construction provided with a plurality of such elements
MA046241A MA46241A (fr) 2016-09-14 2017-09-14 Élément de couverture en béton pour construction de digue ou de jetée, ainsi que construction de digue ou de jetée pourvue d'une pluralité de tels éléments
US16/333,089 US10745878B2 (en) 2016-09-14 2017-09-14 Cover element of concrete for a breakwater or jetty construction, as well as breakwater or jetty construction provided with a plurality of such elements
PE2019000498A PE20190875A1 (es) 2016-09-14 2017-09-14 Elemento de cubierta de hormigon para una construccion de rompeolas o escolleras, asi como con la construccion de rompeolas o escolleras proporcionada con una pluralidad de dichos elementos
JP2019514213A JP6852149B2 (ja) 2016-09-14 2017-09-14 防波堤/突堤構造物のためのコンクリート製被覆エレメント、並びに当該エレメントを複数設けた防波堤/突堤構造物
AU2017328274A AU2017328274B2 (en) 2016-09-14 2017-09-14 Cover element of concrete for a breakwater or jetty construction, as well as breakwater or jetty construction provided with a plurality of such elements
PCT/NL2017/050603 WO2018052292A1 (en) 2016-09-14 2017-09-14 Cover element of concrete for a breakwater or jetty construction, as well as breakwater or jetty construction provided with a plurality of such elements
CN201780056249.6A CN109844227B (zh) 2016-09-14 2017-09-14 用于防波堤或突堤结构的混凝土的覆盖元件以及设置有多个此类元件的防波堤或突堤结构
CL2019000606A CL2019000606A1 (es) 2016-09-14 2019-03-11 Elemento de cubierta de hormigón para una construcción de rompeolas o escolleras, así como con la construcción de rompeolas o escolleras proporcionada con una pluralidad de dichos elementos.
PH12019500523A PH12019500523A1 (en) 2016-09-14 2019-03-11 Cover element of concrete for a breakwater or jetty construction, as well as breakwater or jetty construction provided with a plurality of such elements
SA519401327A SA519401327B1 (ar) 2016-09-14 2019-03-14 عنصر تغطية خرساني لكاسر أمواج أو إنشاء حائل للأمواج، بالإضافة إلى كاسر أمواج أو إنشاء حائل للأمواج مُزود بمجموعة من هذه العناصر
ZA2019/01819A ZA201901819B (en) 2016-09-14 2019-03-25 Cover element of concrete for a breakwater or jetty construction, as well as breakwater or jetty construction provided with a plurality of such elements
CONC2019/0003403A CO2019003403A2 (es) 2016-09-14 2019-04-05 Elemento de cubierta de hormigón para una construcción de rompeolas o escolleras, así como con la construcción de rompeolas o escolleras proporcionada con una pluralidad de dichos elementos

Applications Claiming Priority (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2017461A NL2017461B1 (nl) 2016-09-14 2016-09-14 Betonnen afdekelement voor een golfbrekende of golfremmende constructie, alsmede constructie voorzien van een veelheid van dergelijke afdekelementen

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL2017461B1 true NL2017461B1 (nl) 2018-03-22

Family

ID=57104157

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL2017461A NL2017461B1 (nl) 2016-09-14 2016-09-14 Betonnen afdekelement voor een golfbrekende of golfremmende constructie, alsmede constructie voorzien van een veelheid van dergelijke afdekelementen

Country Status (19)

Country Link
US (1) US10745878B2 (nl)
EP (1) EP3513005B1 (nl)
JP (1) JP6852149B2 (nl)
CN (1) CN109844227B (nl)
AU (1) AU2017328274B2 (nl)
BR (1) BR112019004688B1 (nl)
CL (1) CL2019000606A1 (nl)
CO (1) CO2019003403A2 (nl)
ES (1) ES3057336T3 (nl)
MA (1) MA46241A (nl)
MX (1) MX2019002905A (nl)
MY (1) MY198048A (nl)
NL (1) NL2017461B1 (nl)
PE (1) PE20190875A1 (nl)
PH (1) PH12019500523A1 (nl)
PL (1) PL3513005T3 (nl)
SA (1) SA519401327B1 (nl)
WO (1) WO2018052292A1 (nl)
ZA (1) ZA201901819B (nl)

Families Citing this family (10)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US7653425B2 (en) 2006-08-09 2010-01-26 Abbott Diabetes Care Inc. Method and system for providing calibration of an analyte sensor in an analyte monitoring system
EP4276652A3 (en) 2009-07-23 2024-01-31 Abbott Diabetes Care, Inc. Real time management of data relating to physiological control of glucose levels
NL2023195B1 (en) 2019-05-24 2020-12-02 Koninklijke Bam Groep Nv Crest element for a breakwater, armour layer assembly for a breakwater, breakwater, method of cresting a breakwater, and method of providing an armour on a breakwater.
IT202000004801A1 (it) * 2020-03-06 2020-06-06 Hallmann Annabel Barbara Struttura monolitica per scogliera artificiale aperta e scogliera comprendente una pluralità di dette strutture
KR102246192B1 (ko) * 2020-10-23 2021-04-28 정규순 소파블록
KR102235904B1 (ko) * 2021-02-05 2021-04-05 (주)유주 소파용 콘크리트 블록 및 이를 이용한 소파용 콘크리트 블록 조립체
US11555286B1 (en) * 2022-02-25 2023-01-17 Natrx, Inc. Stabilizing structural fills
EP4249683A1 (en) 2022-03-21 2023-09-27 Holcim Technology Ltd Block for building hydraulic structures
NL2034112B1 (en) 2023-02-08 2024-08-29 Koninklijke Bam Groep Nv Wave/water-retarding slope
CA223111S (en) * 2023-07-26 2024-09-23 Entreprises Bastech 2014 Inc Reef block

Citations (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
JPS4810989Y1 (nl) * 1969-11-05 1973-03-24
WO2004009910A2 (en) * 2002-07-24 2004-01-29 Hbg Civiel B.V. Protective element for a breakwater or wave-retarding construction

Family Cites Families (8)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
FR1148412A (fr) 1953-07-06 1957-12-09 Neyrpic Ets Perfectionnements aux blocs artificiels pour la construction d'ouvrages hydrauliques
US3614866A (en) 1969-02-21 1971-10-26 Kyowa Concrete Kogyo Sapporo S Polypod structure for civil engineering uses
JPS57130613A (en) 1981-02-04 1982-08-13 Takeo Sakuragi Block
JPH06235210A (ja) * 1993-02-08 1994-08-23 Fr Bussan Kk 消波堤築造方法
JPH0977460A (ja) * 1995-09-13 1997-03-25 Tetra Co Ltd 消波ブロック等の運搬装置
FR2791370B1 (fr) 1999-03-22 2001-05-25 Sogreah Bloc de carapace a surface rugueuse
AP2927A (en) 2007-01-31 2014-06-30 Us Government Armor unit
CN202466602U (zh) * 2011-12-02 2012-10-03 陈凡 连锁式护坡砌块及连锁式护坡

Patent Citations (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
JPS4810989Y1 (nl) * 1969-11-05 1973-03-24
WO2004009910A2 (en) * 2002-07-24 2004-01-29 Hbg Civiel B.V. Protective element for a breakwater or wave-retarding construction

Also Published As

Publication number Publication date
AU2017328274B2 (en) 2023-06-01
PH12019500523A1 (en) 2020-02-24
SA519401327B1 (ar) 2022-09-07
PL3513005T3 (pl) 2026-03-16
EP3513005C0 (en) 2025-10-29
JP6852149B2 (ja) 2021-03-31
CN109844227A (zh) 2019-06-04
MY198048A (en) 2023-07-28
EP3513005B1 (en) 2025-10-29
BR112019004688A2 (pt) 2019-05-28
BR112019004688B1 (pt) 2023-04-18
WO2018052292A1 (en) 2018-03-22
PE20190875A1 (es) 2019-06-18
MX2019002905A (es) 2019-09-18
ZA201901819B (en) 2020-08-26
CL2019000606A1 (es) 2019-08-16
JP2019529747A (ja) 2019-10-17
AU2017328274A1 (en) 2019-03-28
US20190271128A1 (en) 2019-09-05
CO2019003403A2 (es) 2019-06-19
US10745878B2 (en) 2020-08-18
MA46241A (fr) 2019-07-24
ES3057336T3 (en) 2026-02-27
EP3513005A1 (en) 2019-07-24
CN109844227B (zh) 2021-05-11

Similar Documents

Publication Publication Date Title
AU2017328274B2 (en) Cover element of concrete for a breakwater or jetty construction, as well as breakwater or jetty construction provided with a plurality of such elements
JP2019529747A5 (nl)
US20180245358A1 (en) Method and apparatus for forming a formwork for a concrete slab
RU2008128314A (ru) Маячный рельс
RU2558055C2 (ru) Поддерживающий несущий элемент
CN104364444A (zh) 用于摊铺机支座的止动器
US10626614B2 (en) Masonry block with leveling pads
AU2016200075B2 (en) Composite deck plate integrated with a bar truss and method for manufacturing same
US20240110340A1 (en) Tongue and Groove Interlocking Pavers
KR20230012351A (ko) 소파블록 및 이를 이용한 해양구조물
KR102343393B1 (ko) 소파블록 및 소파블록의 배치구조
NL2025377B1 (nl) Fietspad met op een fundering aanwezige wegplaten
JP7502989B2 (ja) 屋根材の積層体
KR102688888B1 (ko) 타이바 삽입홈이 형성된 골형 데크 및 이를 이용한 철골 수평 조립체
CN215518820U (zh) 坡面格构模板加固装置
CN214302735U (zh) 一种瓷砖选砖器
JP2019015088A (ja) 間詰めブロックセットおよび法面構造
JP2001234615A (ja) 平板瓦
NL1041228B1 (nl) Oeverbekledingselement.
NL1037719C2 (nl) Bekistingselement en werkwijze voor het vervaardigen van een fundering.
JP2927779B1 (ja) のし積み棟工法と、のし積みの棟構造、及びのし瓦
JP2009052262A (ja) 谷を含む瓦葺き方法
TH24649A (th) โครงสร้างที่สามารถประกอบขึ้นแบบติตตั้งในลักษณะสาม?มิติ
GB2325677A (en) Shuttering member for use in casting a beam
TH13505B (th) โครงสร้างที่สามารถประกอบขึ้นแบบติตตั้งในลักษณะสาม?มิติ