NL8200780A - Landbouwinstallatie. - Google Patents
Landbouwinstallatie. Download PDFInfo
- Publication number
- NL8200780A NL8200780A NL8200780A NL8200780A NL8200780A NL 8200780 A NL8200780 A NL 8200780A NL 8200780 A NL8200780 A NL 8200780A NL 8200780 A NL8200780 A NL 8200780A NL 8200780 A NL8200780 A NL 8200780A
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- coupling part
- installation according
- channel
- coupling
- reservoir
- Prior art date
Links
- 230000008878 coupling Effects 0.000 title claims abstract description 168
- 238000010168 coupling process Methods 0.000 title claims abstract description 168
- 238000005859 coupling reaction Methods 0.000 title claims abstract description 168
- 239000000463 material Substances 0.000 claims abstract description 34
- 238000007789 sealing Methods 0.000 claims abstract description 29
- 238000009434 installation Methods 0.000 claims description 52
- 238000003860 storage Methods 0.000 claims description 25
- 238000010276 construction Methods 0.000 claims description 10
- 230000006835 compression Effects 0.000 claims description 8
- 238000007906 compression Methods 0.000 claims description 8
- 239000002002 slurry Substances 0.000 abstract 3
- 210000003608 fece Anatomy 0.000 description 8
- 239000007788 liquid Substances 0.000 description 8
- 239000010871 livestock manure Substances 0.000 description 8
- 238000003892 spreading Methods 0.000 description 7
- 230000002349 favourable effect Effects 0.000 description 4
- 238000010079 rubber tapping Methods 0.000 description 3
- 230000006978 adaptation Effects 0.000 description 1
- 230000002411 adverse Effects 0.000 description 1
- 230000005540 biological transmission Effects 0.000 description 1
- 238000009826 distribution Methods 0.000 description 1
- 230000000694 effects Effects 0.000 description 1
- 230000004720 fertilization Effects 0.000 description 1
- 230000003054 hormonal effect Effects 0.000 description 1
- 239000012535 impurity Substances 0.000 description 1
- 210000003127 knee Anatomy 0.000 description 1
- 238000004519 manufacturing process Methods 0.000 description 1
- 230000002093 peripheral effect Effects 0.000 description 1
- 230000035939 shock Effects 0.000 description 1
Classifications
-
- F—MECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
- F16—ENGINEERING ELEMENTS AND UNITS; GENERAL MEASURES FOR PRODUCING AND MAINTAINING EFFECTIVE FUNCTIONING OF MACHINES OR INSTALLATIONS; THERMAL INSULATION IN GENERAL
- F16L—PIPES; JOINTS OR FITTINGS FOR PIPES; SUPPORTS FOR PIPES, CABLES OR PROTECTIVE TUBING; MEANS FOR THERMAL INSULATION IN GENERAL
- F16L37/00—Couplings of the quick-acting type
- F16L37/58—Couplings of the quick-acting type the extremities of the two halves of the joint being pressed against each other without being locked in position
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01C—PLANTING; SOWING; FERTILISING
- A01C23/00—Distributing devices specially adapted for liquid manure or other fertilising liquid, including ammonia, e.g. transport tanks or sprinkling wagons
- A01C23/04—Distributing under pressure; Distributing mud; Adaptation of watering systems for fertilising-liquids
Landscapes
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- General Engineering & Computer Science (AREA)
- Water Supply & Treatment (AREA)
- Soil Sciences (AREA)
- Environmental Sciences (AREA)
- Mechanical Engineering (AREA)
- Catching Or Destruction (AREA)
Description
ï -i 4 *
V
C. van der Lely N.V., Maasland "Landbouwinstallatie"
De uitvinding heeft betrekking op een landbouw-installatie die een transporteerbaar reservoir omvat dat van een inlaatkanaal is voorzien dat aansluitbaar is aan ©n met een voorraadruimte in verbinding staand toevoerkanaal voor het 5 transporteren van materiaal tussen het reservoir en de voorraadruimte via het toevoerkanaal en het inlaatkanaal.
Ben doel van de uitvinding is de verbinding tussen het inlaatkanaal en het toevoerkanaal te vergemakkelijken. Volgens de uitvinding kan dit bereikt worden wanneer 10 althans één van de op elkaar aansluitende kanalen een koppeldeel omvat dat beweegbaar is ten opzichte van de rest van dit kanaal, een en ander zodanig, dat het koppeldeel luchtdicht aansluitbaar is tegen het andere kanaal wanneer de kanalen onder een hoek ten opzichte van elkaar zijn gelegen.
15 Hiermede wordt het aanrijden van het transporteerbaar reservoir zodanig dat het inlaatkanaal op het toevoerkanaal aansluitbaar is vereenvoudigd, daar de beide op elkaar aan te sluiten kanaaleinden niet exact in eikaars verlengde behoeven te liggen.
20 Sen gunstig uitvoeringsvoorbeeld van de inrichting volgens de uitvinding wordt verkregen wanneer het koppeldeel ten minste één afdichtrand omvat die verend beweegbaar is ten opzichte van de rest van het kanaal. Door de verende beweegbaarheid van de afdichtrand zal deze gemakkelijker op 25 het andere kanaal, aansluiten.
Een eenvoudig uitvoeringsvoorbeeld wordt verkregen wanneer het koppeldeel uit buigzaam materiaal bestaat.
Hierbij kan het koppeldeel qua constructie zeer eenvoudig gehouden worden. De fabricage wordt hierdoor vereenvoudigd 30 terwijl verder het koppeldeel bestand is tegen stoten en schokken zodat het niet gemakkelijk beschadigd wordt.
Verder is hierbij het koppeldeel gemakkelijk in stand te houden.
De aansluiting van de kanalen op elkaar wordt 35 verder vereenvoudigd wanneer de afdichtrand een grootste diameter heeft die althans ongeveer drie maal zo groot is ;· als de diameter van het pijpdeel. De afdichtrand zal hierbij 8200780 % i ^ * - 2 - gemakkelijk op de aansluitmond van het andere kanaal aan te sluiten zijn daar een grote speling tussen de afdichtrand en de aansluitmond van het andere kanaal aanwezig is. Een goede aansluiting van de kanalen op elkaar kan op gunstige 5 wijze verkregen worden wanneer het koppeldeel bestaat uit twee of meer lagen materiaal die ten opzichte van elkaar beweegbaar zijn. Elk van de lagen vormt hierbij als het ware een apart koppeldeel dat in meer of mindere mate onafhankelijk van het andere koppeldeel zijn functie uitoefent.
10 Volgens een verdere constructie van de uitvinding is het koppeldeel gekoppeld met veren zodanig dat deze veren — bij aansluiting van het koppeldeel aan het aansluitdeel een drukkracht op dit koppeldeel uitoefenen. Hiermede kan op eenvoudige wijze verzekerd worden dat het koppeldeel met een U zekere kracht op het aansluitdeel aansluit. Hierbij kan het koppeldeel zijn koppelende functie goed uitoefenen ondanks dat het reservoir bijvoorbeeld enige beweging ten opzichte van het andere kanaal maakt..
Een gunstige konstruktie kan hierbij verkregen wor-20 den wanneer het koppeldeel in zijn geheel beweegbaar met het overige deel van het kanaal is gekoppeld, waarbij het koppeldeel beweegbaar ten opzichte van het overige deel van het kanaal is evenwijdig aan de richting waarin het kanaal-einde zich uitstrekt. Het koppeldeel kan hierbij op gunstige 25 wijze ondersteund worden wanneer het door middel van een parallellograrakonstruktie scharnierend aan de steunarm is verbonden.
De aansluiting van het koppeldeel aan het andere kanaal is in het bijzonder op goede wijze door te voeren 30 wanneer het andere kanaal is voorzien van een aansluitdeel waarop het koppeldeel aansluitbaar is. Hierbij kan het aansluitdeel een stijf orgaan zijn zodat het koppeldeel zich daaraan gemakkelijk kan aanpassen.
De koppeling tussen beide kanalen wordt zeer gunstig 35 beïnvloed wanneer de doorsnede van het aansluitdeel aanzienlijk groter is dan de doorsnede van het koppeldeel, een en ander zodanig, dat bij het koppelen van het koppeldeel aan het aansluitdeel de hartlijnen van de mondingen van de kanalen naast elkaar kunnen zijn gelegen bij een met elkaar gekoppeld 8200780 - 3 - fc' * zijn van de kanalen. Op deze wijze wordt de aansluiting van de kanalen op elkaar binnen ruime grenzen mogelijk zodat de koppeling gemakkelijker is door te voeren.
De uitvinding zal nader worden toegelicht aan de 5 hand van de tekeningen, van enkele uitvoeringsvoorbeelden van een installatie volgens de uitvinding.
Fig. 1 is een zijaanzicht van een eerste uitvoe-ringsvoorbeeld van een konstruktie volgens de uitvinding.
Fig. 2 is een aanzicht van een gedeelte van de 10 in fig. 1 weergegeven installatie, gezien volgens de lijn II-II in fig. 1.
Fig. 3 geeft op vergrote schaal een dwarsdoorsnede weer van het koppeldeel van het inlaatkanaal in aansluiting op een toevoerkanaal.
15 Fig. 4 geeft een met fig. 3 overeenkomende doorsnede weer waarbij het toevoerkanaal en het invoerkanaal ten opzichte van elkaar in een andere stand staan.
Fig. 5 geeft op vergrote schaal een zijaanzicht weer van een ander uitvoeringsvoorbeeld van een deel van de 20 installatie volgens de uitvinding.
Fig. 6 is een bovenaanzicht van het uitvoeringsvoor-beeld volgens fig, 5, gezien in de richting volgens de pijl VI in fig. 5.
Fig. 7 geeft op vergrote schaal een doorsnede weer 25 van een ander uitvoeringsvoorbeeld van het koppeldeel en een aansluiteinde van een inlaatkanaal en een toevoerkanaal.
Fig. 8 geeft in doorsnede weer een ander uitvoeringsvoorbeeld weer van het koppeldeel en aansluitdeel van een inlaatkanaal en een toevoerkanaal.
30 Het in de figuren 1-4 weergegeven uitvoeringsvoor beeld van de installatie volgens de uitvinding omvat een als tankwagen uitgevoerde landbouwwagen 1 die in het bijzonder geschikt is voor het vervoer en verspreiden van vloeibare mest. De landbouwwagen 1 omvat een gestel 2 waaraan een 35 reservoir 3 is aangebracht. Het gestel 1 is voorzien van loopwielen 4 en heeft een trekoog 5 waarmede de inrichting aan een trekker of ander der gelijk voertuig gekoppeld kan 8200780 *> * - 4 - worden. De landbouwwagen omvat een op liet gestel 1 aange-brachte zuig-perspomp 7 die door middel van een leiding 8 met de bovenzijde van het reservoir 3 is verbonden. De pomp 7 kan door middel van een tussenas 9 met de aftakas 10 van 5 de trekker 6 gekoppeld worden zoals in fig. 1 is weergegeven. Het reservoir 3 beeft een uitlaat 15 die is voorzien van een spreidplaat 16 en een afsluiter 17· De afsluiter 17 is door middel van een stangenstelsel 18 met een bedieningshefboom 19 verbonden. Ten opzichte van de normale voortbewegings-10 richting 20 is de uitlaat 15 aan de onderzijde van het achtereinde van het reservoir aangebracht. De bedieningsarm 19 is aan de voorzijde van het reservoir 3 aangebracht voor bediening vanaf de trekker 6.
Het reservoir 3 is aan de bovenzijde nabij de 15 achterzijde van het reservoir voorzien van een inlaatkanaal 23 dat een stijf pijpdeel 22 omvat dat is voorzien van een afsluiter 24. De afsluiter 24 is door middel van een stangen-stelsel 25 met een aan de voorzijde van het reservoir aangebrachte bedieningshefboom 26 verbonden. Het inlaatkanaal 20 23 omvat een koppeldeel 27 dat flexibel is uitgevoerd en toetervormig is gevormd. Het koppeldeel bestaat hierbij uit buigzaam materiaal en omvat drie beweegbaar ten opzichte van elkaar en buigzame lagen met een buitenlaag 28, een tussenlaag 29 en een binnenlaag 30. Het koppeldeel 27 is 25 door middel van een klemring 31 aan het pijpvormige deel 22 geklemd en daarbij tegen een aan het pijpdeel 22 aangebrachte kraagring 32 gelegen. Het koppeldeel strekt zich vanaf de pijp 22 divergerend uit /heeft, aan het uiteinde van het koppeldeel een buitendiameter 33» die ongeveer drie maal zo 30 groot is als de buitendiameter van de.inlaatpijp 22. Het koppeldeel 27 verloopt aan de buitenomtrek volgens een holle kromming, gezien in doorsnede, en heeft een kromtestraal 35 die in de onbelaste toestand van het koppeldeel .ongeveer gelijk is aan de lengte 36 waarmede het koppeldeel buiten 35 de pijp 22 uitsteekt. Het koppeldeel 27 ligt concentrisch om de hartlijn 37 van de monding van het inlaatkanaal 23·
Hierbij ligt de hartlijn 37 evenwijdig aan de hartlijn 38 van het reservoir 3· Bij horizontale stand van de landbouw- 8200780 * * - 5 - wagen ligt het reservoir 3 schuin naar beneden naar achteren onder een hoek 39 ten opzichte van het horizontale vlak van bijvoorbeeld 4 è. 5°. Hierbij ligt, in onbelaste toestand van het koppeldeel, de aansluitmonding van het koppeldeel 27 in een 5 vlak 40 dat een met de hoek 39 overeenkomstige hoek met de verticaal insluit en loodrecht op de hartlijn 37 is gelegen.
De installatie volgens de uitvinding omvat verder een toevoerleiding 45 die is voorzien van een als plaat uitgevoerd aansluitdeel 46. De aansluitplaat 46 is zodanig 1Q aangebracht dat, in de onbelaste omhooggerichte stand van de putleiding 45, de plaat 46 evenwijdig ligt aan het aansluit-vlak 40 van'het koppeldeel 27. Het toevoerkanaal 45 is aangebracht aan het draaggestel 47 dat nabij een voorraad-ruimte 48 is aangebracht waarin het toevoerkanaal 45 reikt.
•J5 Het draaggestel 47 is bij voorkeur vast opgesteld nabij de voorraadruimte 48, hoewel het draaggestel 47 op zichzelf verplaatsbaar kan zijn. Het toevoerkanaal 45 is door middel van een horizontale schamieras 49 beweegbaar ten opzichte van het draaggestel 47 daaraan gekoppeld. De schamieras 49 20 is hierbij nabij de bodem met de onderzijde van het draaggestel 47 verbonden. Het toevoerkanaal 45 is verder met het draaggestel 47 gekoppeld door een verbindingsstang 50, die in zijn lengterichting beweegbaar aan een schamieras is gekoppeld waarmede het scharnierend met het draaggestel 25 47 is verbonden. De verbindingsstang 51 is door middel van een scharnier 52 met het toevoerkanaal 45 gekoppeld. Tussen de scharnieren 51 sn 52 is om de stang 50 een drukveer 53 aangebracht zodanig dat de uiteinden van de veer 53 tegen de scharnieren 51, 52 steunt en eventueel daarmede is 3Q verbonden. De verbindingsstang 50 is met het van de schamieras 52 afgekeerde einde gekoppeld met een arm 54 van een kniehefboom 55. De kniehefboom 55 is scharnierbaar om een as 56 die aan een draagarm 57 Υ3Ώ· bet draaggestel 47 is aangebracht. De arm 58 van de kniehefboom 55 is scharnierend 35 gekoppeld met een stuurstang 59 die omhoogreikt tot boven de plaat 46 en met het boveneinde is gekoppeld met een stuurarm 60 van een wijzer 61 die langs een aanwijsplaat 62 beweegbaar is. De aanwijsplaat 62 wordt gedragen door een ..... 8200780 i % - 6 - draagarm 63 die vast is bevestigd aan het toevoerkanaal 45. Het toevoerkanaal is voorzien van een lekbak 64, die zich onder de aansluitplaat 46 uitstrekt en een afvoerpijp 65 heeft die langs het toevoerkanaal 45 tot in de voorraad-5 ruimte 48 reikt.
Bij het gebruik van de inrichting wordt deze zoals in fig. 1 is weergegeven via het trekoog 5 niet de trekker 6 of ander voertuig gekoppeld waarmede de wagen 1 kan worden voortbewogen. Bij deze koppeling met de trekker of ander 10 voertuig wordt de pomp 7 door middel van de tussenas 9 met de aftakas gekoppeld. Met de weergegeven installatie kan materiaal vanuit de voorraadruimte 48 "in het reservoir 3 opgenomen worden en worden vervoerd naar een plaats waar het materiaal bijvoorbeeld moet worden verspreid. Het 15 toevoerkanaal 45 is" met het gestel 47 nabij de voorraadruimte 48 opgesteld. Voor het vullen van het reservoir 3 vanuit de voorraadruimte 48 wordt de wagen 1 door middel van de trekker achteruit, .dit is tegengesteld aan de pijlrichting 20, met het koppeldeel 27 tegen de aansluitplaat 46 gereden. 20 Daar de aansluitplaat 46 zo hoog boven de grond staat dat deze over het reservoir 3 heen kan worden gezien vanaf de bestuurderszitplaats van de trekker, terwijl het koppeldeel 27 eveneens vanaf de bestuurderszitplaats kan worden gezien, vormt het koppelgedeelte 27 en de aansluitplaat 46 een 25 richting bepalende aanwijs inrichting om het koppeldeel 27 op de aansluitplaat te kunnen aanrijden. Bij het achteruitrijden kan het koppeldeel 27 zodanig tegen de aansluitplaat 46 aangereden worden dat het flexibele koppeldeel 27 met de in het vlak 40 gelegen aansluitranden 41, 42 en 43 stijf 30 tegen de plaat 46 wordt gedrukt. Hierbij kunnen de aansluitranden 41 - 43 verend t.o.v. de pijp 22 bewegen vanwege het buigzame materiaal waaruit de lagen 28 - 30 bestaan. Het toevoerkanaal 45 kan onder druk van het koppeldeel 27 tegen de plaat 46 enigszins uitwijken door scharnieren om de as 49. 35 Hiervoor ligt de as 49 loodrecht op de normale richting waarin het koppeldeel 46 op de plaat wordt aangereden, oftewel evenwijdig aan de aansluitplaat 46. Wanneer het koppeldeel 27 tegen de plaat 46 komt en Zodanige druk daarop uitoefent dat het toevoerkanaal 46 om de sehamieras 49 8 2 0 0 7 8 0 # *· - 7 - gaat draaien zal deze beweging via de stang 50 en de knie-hefboom 55 naar de stuurstang 59 worden over gebracht. De stuurstang 59 beweegt via de stuurann 60, die met de aanwijzer 61 -op dezelfde as 67 is aangebracht, de aanwijzer 5 61 langs de schaalverdeling van de aanwijsplaat 62. Op deze wijze kan geconstateerd worden of het koppeldeel 27 met voldoende kracht tegen de aansluitplaat 46 aanligt. Hiervoor is de schaalverdeling op de aansluitplaat 62 zodanig ingesteld en is het overbrengingsmechanisme tussen de seharaieras 52 10 en de aanwijzer 61 zodanig geconstrueerd dat de beweging van de aanwijzer langs de aanwijsplaat de bestuurder van de trekker een aanwijzing geeft dat het koppeldeel 27 met voldoende druk tegen de plaat 46 aanligt.
Bij een gewenste aansluiting van het koppeldeel 27 15 tegen de aansluitplaat 46 kan vloeistof vanuit de put 48 in het reservoir gezogen worden. Hiervoor wordt de afsluiter 17 gesloten of gesloten gehouden, terwijl de afsluiter 24 via het stangenstelsel 25 door de bedieningshefboom 26 wordt geopend. De pomp 7 wordt via de af takas 10 aangedreven 20 waarbij de zuigzijde van de pomp met de leiding 8 wordt gekoppeld en lucht uit het reservoir 3 kan worden gezogen.
Door het aanzuigen van lucht uit het reservoir 3 wordt onderdruk in het reservoir en in de kanalen 23 en 45 ontwikkeld waardoor de aan te zuigen vloeistof uit de 25 voorraadruimte 48 door de leidingen in het reservoir 3 wordt gedrukt door de buitenlucht. Door het drukverschil tussen de buitenlucht én het reservoir met de kanalen 23 en 45 zal de buitendruk op de buitenzijde van het flexibele koppeldeel 27 een druk uitoefenen zodanig dat daardoor het koppeldeel 30 27 onder luchtdruk van de buitenlucht vast tegen het plaat-deel 46 wordt gedrukt. Hiervoor is het van voordeel dat het koppeldeel 27 vanaf de aansluiting op de pijp 22 naar de diameter 33 toe volgens een kromming verloopt die naar de buitenzijde toe hol is. De aansluitranden 41 - 43 van het 35 koppeldeel 27 moeten luchtdicht op de platen 46 aansluiten. Hiervoor is het van voordeel dat het koppeldeel 27 uit meerdere flexibele lagen 28 - 30 bestaat, die ten opzichte van elkaar beweegbaar zijn. In dit uitvoeringsvoorbeeld zijn drie lagen 28, 29 en 30 aanwezig die met de buitenranden 8200780 s % - 8 - 41 - 43 in het vlak 40 uitmonden waarbij iedere rand 41» 42 of 43 een op de plaat 46 aansluitende afdichtring vormt.
Elke afdichtrand 41, 42 of 43 is aldus onafhankelijk van de andere randen werkzaam. De aansluiting van de randen 5 41 - 43 op de aansluitplaat 46 wordt gunstig beïnvloed daar de afsluitranden buigzaam zijn door het buigzame materiaal waaruit de lagen 28 - 30 bestaan. Hierdoor kan elke afsluit-ring zich gemakkelijk aanpassen aan de vorm van de af sluitplaat of eventuele ongerechtigheden die daaraan vast zitten.
10 Hoewel in dit uitvoeringsvoorbeeld het koppeldeel 27 uit drie lagen bestaat die in onbelaste toestand van het koppeldeel tegen elkaar aanliggen is het ook mogelijk het koppeldeel uit een ander aantal lagen op te bouwen, die bijvoorbeeld op korte afstand van elkaar kunnen zijn gelegen. De onafhankelijke 15 aanpassing van aan elke laag-gevormde afdichtrand zal hierdoor vergroot worden. Wanneer het reservoir 3 is volgezogen wordt de afsluiter 24 gesloten door bediening van de bedie-ningarm 26 en wordt de aanzuiging uit het reservoir van de lucht via de leiding 8 afgesloten. Hierna kan de inrichting 20 in de richting volgens de pijl 20 worden weggereden waardoor het koppeldeel 27 loskomt van de plaat .46. Door het sluiten van de afsluiter 24 zal de druk in de leiding weer gelijk worden aan de buitenlucht zodat het koppeldeel 24 gemakkelijk van de plaat 46 kan loskomen.. Men kan ook, indien dit gewenst 25 is wanneeer het koppeldeel 27 niet gemakkelijk loskomst van de pijp 46, de leiding 8 op de persleiding van de pomp 7 aansluiten en de afsluiter 24 even openen zodat de druk binnen het koppeldeel 27 groter wordt dan de buitenlucht, waardoor het koppeldeel 27 gemakkelijk zal loskomen van het deel 46.
30 Bij het loskomen van het koppeldeel 27 van de plaat 46 zal eventueel nog in het koppeldeel 27 aanwezig materiaal daaruit wegstromen langs de plaat 46 en in de lekbak 64 terechtkomen. Vanuit deze lekbak 64 kan het door de afvoerleiding 65 weer in de voorraadruimte 48 terugstromen. Op deze wijze kan ook 35 eventueel uit de bovenzijde van het toevoerkanaal 45 langs de plaat 46 stromend materiaal in de bak 64 vloeien. Ha het losnemen van het koppeldeel 27 van de plaat 46 zal het toevoerkanaal 45 weer in de verticale of andere rechtopstaande stand komen. Deze vertikale stand vormt een ruststand of nul-* 8200780 * * - 9 - stand, waarbij de wijzer 61 bij de nul of onbelaste stand van de schaalverdeling op de aanwijsplaat 62 zal komen te staan, een en ander zoals in fig. 2 is weergegeven·
Na het vullen van het reservoir en het loskoppelen 5 van het kanaal 45 kan de landbouwwagen en daarmede het eraan aangebrachte reservoir 3 getransporteerd worden naar een plaats waar men het materiaal heen wil brengen. Het materiaal kan uit het reservoir afgevoerd worden via de uitlaat 15*
Het vullen van het reservoir zal bijzonder gunstig 10 kunnen geschieden door het op de bovenzijde van het reservoir aangebrachte inlaatkanaal 23* Het pijpgedeelte 22 kan naar wens meer of minder ver in het reservoir naar beneden reiken. Het is mogelijk de pijp 22 nabij de bovenzijde of nabij de bodem van het reservoir daarin te laten eindigen.
15 Het in de 'figuren weergegeven, een laadruimte vormend, reservoir is voorzien van een verspreidorgaan dat wordt gevormd door de uitlaat 15 en de verspreidplaat 16. De landbouwwagen vormt aldus een verspreidinrichting waarmede hét materiaal bij het voortbewegen van de wagen over een brede strook verspreid 20 kan worden. Hiervoor wordt de perszijde van de pomp met de leiding 8 gekoppeld, zodat lucht in het' reservoir gepomp kan worden. Wanneer het materiaal in het reservoir onder druk staat kan de afsluiter 17 in de uitlaat 15 worden geopend, zodat het materiaal onder druk de uitlaat 15 zal verlaten en 25 onder druk tegen de verspreidplaat zal komen en deze waaiervormig zal verlaten. Bij het voortbewegen zal het materiaal aldus .over een brede strook verdeeld kunnen worden over het te bestrooien oppervlak.
De weergegeven installatie is aldus zeer goed 30 te gebruiken voor het verwerken van fluïdumachtige materialen.
In het bijzonder is de weergegeven installatie geschikt voor het verwerken van vloeibare mest. De mest kan dan uit een voorraadruimte met mest opgenomen en over het land uitgestrooid.worden. Bij deze verwerking behoeft de 35 bedienende persoon van bijvoorbeeld de trekker niet van zijn plaats te komen voor het vullen van het reservoir en voor het verspreiden van de mest over het land. De 8200780 - 10 - bedienend persoon behoeft dan niet delen te bedienen die . door de mest bevuild zijn. Ook behoeft geen aparte handeling verricht te worden om het invoerkanaal met het toevoerkanaal te koppelen resp. deze van elkaar te ontkoppelen.
5 Om de drok waarmede het koppeldeel 27 tegen de plaat 46 kan worden gedrukt zonder dat de putleiding 45 op ongewenste wijze uit zijn ruststand komt te staan, kan de veer 53 eventueel instelbaar zijn. De veerdruk 53 zal althans zodanig sterk gekozen worden dat de gewenste druk tussen het koppel-10 deel 27 en de plaat kan worden teweeggebracht voor een goede koppeling van het inlaatkanaa! 23 met het toevoerkanaal 45· Door de koppeling tussen de leiding 23’ en de leiding 45 via het buigzaam koppeldeel' 27 kan de koppeling ook plaats vinden wanneer het einde van de pijp 22 niet geheel in het 15 verlengde of evenwijdig ligt aan het einddeel 66 van het toevoerkanaal 45. In fig. 4 is een horizontale doorsnede weergegeven waarbij de pijp 22 scheef ten opzichte van de hartlijn 68 van het· einddeel 66 van het toevoerkanaal 45 staat. Bij deze stand van de op elkaar aansluitende delen 20 van de kanalen 23 en 34 waarbij zij onder een hoek van kleiner dan 180° op elkaar aansluiten zal het flexibele koppeldeel 27 zodanig vervormd kunnen worden dat zij met haar aansluitranden '41 - 43 toch nog voldoende af dicht end tegen de plaat 46 komt te liggen en een goede koppeling 25 tussen de kanalen 23 >en 45 mogelijk blijft. Op deze wijze wordt het aankoppelen van het invoerkanaal 23 op het toevoerkanaal 45 vergemakkelijkt daar het kanaal 23 niet exact in het verlengde behoeft te liggen of evenwijdig behoeft te liggen aan het einddeel 66. De diameter 33 van 30 het koppeldeel 27 is zoveel groter dan de diameter van de monding 66 die gelijk is aan de diameter van de pijp 23» dat de omtreksranden van het koppeldeel 27 niet exact centrisch om de monding 66 van het kanaal behoeven te liggen voor een goede koppeling van de kanalen. Ook hierdoor wordt de 35 aansluiting van het koppeldeel 27 op de plaat 46 vergemakkelijkt. De plaat 46 heeft bij voorkeur een zodanig grote diameter 69 dat.de randen 41-43 aan een kant juist nabij de monding van het kanaaldeel 66 kunnen liggen terwijl de radiaal tegenover liggende kant toch nog tegen de plaat 8200780 - 11 - 46 rust. De diameter 33 is bij voorkeur ongeveer 50 cm terwijl de diameter 34 bij voorkeur ongeveer 12 cm is. Bij voorkeur, is de diameter 33 niet kleiner dan ongeveer drie maal de diameter 34. Aldus zal een af standverschil tussen de 5 bij voorkeur zich althans nagenoeg in horizontale richting uitstrekkende en op elkaar aansluitbare einddelen van de kanalen 23 en 45 gemakkelijk overbrugd kunnen worden zonder dat de koppeling voor het transport van materiaal door de kanalen naar het reservoir of eventueel omgekeerd nadelig 10 wordt beïnvloed.
Het zal duidelijk zijn dat het bij voorkeur vast nabij de voorraadruimte 48 geplaatste gestel 47 met het kanaal 45 losneembaar en/of verplaatsbaar kan zijn om bij een andere voorraadruimte te kunnen worden opgesteld.
15 Hoè.wel in het weergegeven uitvoeringsvoorbeeld het flexibele koppelingsdeel 27 aan het kanaal 23 is aangebracht en de aansluitplaat 46 aan het kanaal 45 is het ook mogelijk het koppelingsdeel aan het kanaal 45 en de aansluitplaat 46 aan het kanaal 23 aan te brengen.
20 In de figuren 5 en 6 is een ander uitvoeringsvoorbeeld weergegeven van een inlaatkanaal dat aan een reservoir 70 is aangebracht dat overeenkomt met het reservoir 3 uit het eerste uitvoeringsvoorbeeld. Hierom is in dit uitvoeringsvoorbeeld slechts de achterzijde van het reservoir 70 25 weergegeven. Aan de achterzijde van het reservoir 70 is een uitlaat 71 aangebracht met een spreidplaat 72 en een afsluiter 73 dre door middel van een stangenstelsel 74 met een bedieningshefboom aan de voorzijde van het reservoir is verbonden. Een en ander overeenkomstig het uitvoerings-30 voorbeeld volgens de figuren 1-4· Bij dit uitvoeringsvoorbeeld is het reservoir voorzien van een inlaatkanaal 76 dat op gelijke hoogte als de uitlaat 71 nabij de onderzijde van de achterzijde van het reservoir is aangebracht. Het inlaatkanaal 76 heeft een afsluiter 77* die door middel van 35 een stangenstelsel 78 met een bedieningshefboom, overeenkomstig de bedieningshefboom 19 in fig. 1, is gekoppeld.
Het inlaatkanaal 76 is voorzien van een*bevestigingsplaat 79* die met een aan het reservoir 70 aangebrachte plaat gekoppeld kan worden.Het inlaatkanaal 76 heeft een koppeldeel 81 dat 8200780
V
- 12 - gedragen wordt door een draagmechanisme 82. Het koppeldeel 81 is door middel van een flexibel hormonika-ach t i g deel 83 met het stijve pijpvormig deel 84 van het inlaatkanaal 76 gekoppeld. Het'koppeldeel 81 is omgeven door een draagring 85, 5 die is bevestigd aan een uit twee evenwijdige strippen gevormde draagarm 86. De draagarm 86 is scharnierend gekoppeld met twes. paar .armen 87 en 88 die scharnierend zijn aangebracht aan een ondersteuning 89, een en ander zodanig dat de ondersteuning 89 en de armen 87 en 88 met de draagarm 86 een 10 parallellogramconstructie vormen. Hierbij is het koppeldeel 81 evenwijdig aan zichzelf beweegbaar ten opzichte van de ondersteuning 89 en het reservoir 70.
De ondersteuning 89 is vast bevestigd aan strippen 90 die vast zijn aangebracht aan de plaat 79· De draagarm 86 is 15 voorzien van een dwarsarm 91 die aan de tegenover elkaar gelegen zijden van de arm 86 gelegen einden is voorzien van niet-nader weergegeven openingen waarin geleidingspennen 91 beweegbaar zijn gelagerd. De geleidingspennen 92 zijn bevestigd aan de plaat 79· Om de pennen 92 zijn drukveren 93 20 aangebracht die zich uitstrekken tussen de plaat 79 en tegen . de dwarsarm aangebrachte ringen 94. De uiteinden van de geleidingspennen 92 zijn voorzien van moeren 95·
Het inlaatkanaal 76 kan samenwerken met een toevoer-leiding 100 die in een voorraadruimte 101 reikt, die met de 25 voorraadruimte 48 overeenkomt. De toevoerleiding 100 wordt gedragen door een draaggestel 102 dat vast dóch verplaatsbaar nabij .de voorraadruimte 101 is aangébracht. Het toevoerkanaal 100 wordt gedragen door armen 103 en 104, die als parallellogramconstructie het toevoerkanaal 100 dragen.
30 Hierbij is het toevoerkanaal 100 evenwijdig aan zichzelf in hoogterichting beweegbaar ten opzichte van het draaggestel 102. Het draaggestel 102 is voorzien van een steunarm 105 waarin een draagpen 106 in hoogterichting beweegbaar is gelagerd. De pen 106 is beweegbaar aangebracht in/aan het 35 kanaal 100 aangebrachte lip 107 en onder de lip 107 voorzien van een aanslag 108. Boven de steunarm 105, dit is aan de andere zijde als waar de lip 107 zich bevindt, is om de geleidingspen 106 een drukveer 109 aangebracht. De drukveer 109 ligt tussen de steunarm 105 en een beweegbaar om de pen 8200780 - 13 - 106 aangebrachte steunring 110 waarboven twee moeren 111 zijn aangebracht op het van draad voorziene einde 112 van de pen 106. Het in horizontale richting omgebogen boveneinde 113 van het toevoerkanaal is voorzien van een treehtervormig aansluit-5 deel 114* In het aansluitdeel 114 is een stootrand 117 aangebracht.
In dit uitvoeringsvoorbeeld is het pijpvormig deel 129 van het koppeldeel 81 voorzien van een flexibele stootrand 126. Het koppelingsdeel omvat verder een uit buigzaam 10 materiaal bestaande flexibele koppelingsrand 127» die in onbelaste vorm vlak is (fig. 6) en concentrisch om het pijp-“ deel 129 van het inlaatkanaal is gelegen. Het deel 127 kan · ook conischvoimig zijn. De koppelingsrand 127 is hierbij aan het vaste pijpdeel 129 bevestigd op korte afstand van 15 het uiteinde 128 daarvan.
Bij het gebruik van de inrichting wordt deze op overeenkomstige wijze als voor het eerste uitvoeringsvoorbeeld is beschreven met een trekker of dergelijk voertuig gekoppeld. Hierbij kan de installatie evenals het eerste uit-20 voeringsvoorbeeld gebruikt worden voor het aanzuigen van vloeistof uit een voorraadruimtè 101 en het transporteren naar en verspreiden van de vloeistof waar dit gewenst is.
De koppeling tussen het inlaatkanaal 76 en het toevoerkanaal 100 wordt teweeggebracht door het achteruitrijden 25 van de landbouwwagen waarbij het koppeldeel 81 in het conischvoimig aansluitdeel 114 wordt gebracht. De buitendiameter 120 van het conischvormige aansluitdeel 114 is zoveel groter dan de diameter van het pijpdeel 129» dat dit koppeldeel gemakkelijk bij het achteruitrijden in het conischvoimige 30 aansluitdeel 114 kan worden gemanoeuvreerd.
Bij het inbrengen van het koppeldeel 81 in het aansluitdeel 114 zal het uit buigzaam materiaal bestaande flexibele deel 127 van het koppeldeel 81 dichtend op de binnenomtrek van het conischvormige aansluitdeel 114 passen. Het 35 koppeldeel 81 kan zover binnen het aansluitdeel 114 worden gebracht dat ook de aansluitrand 116 tegen de afdichtings-ring 117 kan worden gedrukt. Door de kracht waarmede het koppelingsdeel 81 tegen hefcaansluitdeel 114 wordt gedrukt kan het koppeldeel 81 in een richting naar het reservoir 70 8200780 - 14 - toe verend uitwijken door beweging van de arm 86 scharnierend ten opzichte van de armen 87 en 88 die kunnen scharnieren ten opzichte van de steunaim 89· Hierbij zal de dwarsarm 91 een druk uitoefenen op de drukveren 93 om de ge-5 leidingspennen 92· Naarmate de veer 93 meer of minder wordt ingedrukt zullen de moeren 95 op de pennen 92 meer of minder verwijderd komen te liggen van de dwarsarm 91· Deze beweging van het koppeldeel 81 ten opzichte van het pijpdeel 84 is mogelijk door het flexibele deel 83 van het inlaatkanaal 76. 10 Aldus is het koppeldeel 81 flexibel ten opzichte van het reservoir in een inch ting nagenoeg evenwijdig aan de hartlijn 118 en de rijrichting 20. Met deze verende beweeglijkheid van het koppeldeel 81 ten opzichte van het reservoir wordt bereikt dat het koppeldeel 81 ook goed tegen het aan-15 sluitdeel blijft liggen als bijvoorbeeld de landbouwwagen tijdens het vullen van het reservoir 70 met het réservoir enigszins beweegt ten opzichte van de toevoerleiding 100· Indien.dit gewenst is, kan voor de wielen, zoals de wielen 4 van de landbouwwagen, een stootblok op een juiste 20 afstand van de monding van het toevoerkanaal 100 aangebracht worden om te voorkomen dat het koppeldeel 81 te ver en/of met te grote druk binnen het aansluitdeel tl4 en tegen de afdichting 117 wordt gebracht. Het stootblok kan zodanig aangebracht zijn, dat wanneer de wielen daar tegenaan komen de 25 spanning in de veren 93 voldoende groot is om het koppeldeel 81 met de juiste druk tegen het aansluitdeel 114· te kunnen houden. Eet zal duidelijk zijn dat het stootblok ook gebruikt kan worden in het uitvoeringsvoorbeeld volgens de figuren 1 - 4»om te voorkomen dat het koppeldeel 27 met te 30 grote kracht tegen het aansluitdeel wordt gedrukt.
Voor het verkrijgen van een goede aansluiting van het koppeldeel 81 binnen het aansluitdeel 114 is het aansluitdeel 114 met het toevoerkanaal 100 enigszins in hoogte-richting verend beweegbaar. Hiervoor is het toevoerkanaal 35 100 onder veerspanning van de veer 109 opgehangen aan het draaggestel 102. Hierdoor zal bij het inbrengen van het koppeldeel 81 in het conischvomige aansluitdeel 114» dit aansluitdeel 114 in hoogterichting kunnen bewegen bij het aansluiten van de buitenomtrek 115 op het binnenomtrek van 8200780 * - 15 - het aansluitdeel 114. De druk van de veer 109 kan meer of minder ingesteld worden door verdraaien van de moeren 111 om het draadeinde 112 van de pen 106· Hierdoor zal ook de hoogte van het aansluitdeel 114 boven de grond in onbelaste 5 toestand ingesteld kunnen worden.
Bij het achteruit rijden van de wagen zal het flexibele koppelde el 127 vervormen en tegen de binnenzijde van het conische aansluitdeel 114 komen te liggen, zoals in fig.
5 is weergegeven. Het koppeldeel 127 is zodanig flexibel 10 dat het zich aan de vele standen die het pijpdeel 129 binnen het conischvormig aansluitdeel 114 kan hebben kan aanpassen.
— Hierdoor wordt steeds een goede aansluiting tussen de koppe- lingsrand 127 van het koppeldeel 81 en de binnenomtrek van het aansluitdeel 114 verkregen zoals in fig. 5 en 7--is weer-15 gegeven. De flexibele koppelingsrand 127 maakt het mogelijk dat het pijpdeel 129 niet exact in’het verlengde behoeft te liggen van het zich praktisch horizontaal uitstrekkende einddeel 113 van de toevoerleiding 100, waardoor de koppeling tussen de kanalen wordt vergemakkelijkt. Bij het aan-20 zuigen van de vloeistof in het reservoir door de kanalen 100 en 76 zal daarin een onderdruk ontstaan, die zodanig is dat de koppelingsrand 127 door de buitenlucht tegen de binnenwand van het aansluitdeel 114 wordt gedrukt. Hierdoor wordt een goede aansluiting verkregen. De flexibele afsluit-25 ring 126 voorkomt dat de monding 128 van de inlaatpijp het binnenvlak van de aansluitplaat 114 kan beschadigen en vormt aldus een stootrand. Wanneer de op elkaar aansluitende pijp-delen praktisch in eikaars verlengde liggen vormt de rand 126 ook een tegen de stootrand 117 aanliggende afdichtraad. Even-30 als in het eerste uitvoeringsvoorbeeld kan dus een snelle en goede aansluiting verkregen worden tussen het inlaatkanaal van het reservoir op de landbouwwagen en het toevoerkanaal 100 van de voorraadruimte.
Wanneer de aansluitring tussen het inlaatkanaal 76 35 en het toevoerkanaal 100 tot stand is gebracht op de wijze zoals hiervoor is beschreven, kan lucht uit het reservoir 70 worden gezogen door een zuig/perspomp overeenkomstig als hiervoor is beschreven voor het eerste uitvoeringsvoorbeeld. Hierbij kan de afsluiter 77 geopend worden via het stangen- 8200780 - 16 - stelsel 78 en een niet nader weergegeven met de arm 19 overeenkomende bedieningsarm, Hierdoor zal het materiaal uit de voorraadruimte 101 via het toevoerkanaal 100 in het inlaat-kanaal 76 en het reservoir 70 stromen· Wanneer het reservoir 5 geheel is gevuld kan de zuigwerking van de pomp op het reservoir worden opgeheven en de afsluiter 77 worden gesloten. Hierna kan de landbouwwagen weggereden worden in een richting overeenkomstig de pijl 20, zoals ten aanzien van het voorgaande uitvoeringsvoorbeeld is beschreven, waarbij het 10 koppeldeel 81 uit het conischvormige aansluitdeel 114 zal bewegen. Hierdoor zal de spanning in de veren 93, de arm 86 bewegen in een richting vanaf het reservoir 70", zodat de dwarsarm 91 tegen de moeren 95 aan zal komen te liggen.
Bij het loskomen van het koppeldeel 81 zal het materiaal 15 vanuit het toevoerkanaal terugstromen in de voorraadruimte 101, terwijl nog eventueel in het inlaatkanaal 76 buiten de afsluiter 77 aanwezige materiaal eruit zal vloeien. Hiervoor kan evenals in het voorgaande uitvoeringsvoorbeeld een lekbak aangebracht zijn van waauit het materiaal kan terug-20 vloeien in de voorraadruimte 101.
.Na het transporteren van dé landbouwwagen naar de.______ plaats waar het materiaal moet worden gebracht of' verspreid, kan zoals hiervoor is beschreven ten aanzien van het eerste uitvoeringsvoorbeeld het materiaal uit het reservoir 70 wor-25 den verwijderd via de uitlaat 71· Hiervoor zal het materiaal in het reservoir onder druk gebracht worden en de afsluiter 73 via het stangenstelsel 74 worden geopend. Het materiaal kan dan bij voortbewegen van de inrichting via de spreid-plaat 72 over het te bestrooien oppervlak uitgestrooid wor-30 den. De ligging van de plaat 72 en het koppeldeel 81 ten opzichte van elkaar zal zodanig gekozen worden dat het via de plaat 72 verspreide materiaal niet tegen het koppeldeel 81 aankomt. Ook hierbij is de inrichting op gunstige wijze te gebruiken om bijvoorbeeld mest uit een mestput 101 te ver-35 wijderen en naar het land te brengen voor het bemesten daarvan.
Het zal duidelijk zijn dat de constructie die in de figuren 5 en 6 is weergegeven ook gebruikt kan worden wanneer het inlaatkanaal aan de bovenzijde van het reser- 8200780 * - 17 - voir is aangebracht, zoals in het eerste uitvoeringsvoorbeeld, Omgekeerd kan de constructie van het eerste uitvoeringsvoorbeeld ook toegepast worden hij een inlaat die nabij de onderzij,de van het reservoir is aangebracht, zoals 5 in de figuren 5 en 6 .is weergegeven·
In figuur 8 is een uitvoeringsvoorbeeld weergegeven van een koppeldeel 132, 135 dat de plaats in kan nemen van het koppeldeel 81 in de figuren 5 en 6, zodat overeenkomstige onderdelen met dezelfde verwijzingscijfers zijn aangegeven. 10 In dit uitvoeringsvoorbeeld is een pijpdeel 130 weergegeven, dat is voorzien van een met de afdicht- of stootrand 126 overeenkomende flexibele rand 131· In dit uitvoeringsvoorbeeld is om het pijpdeel 130 een afdichtrand 132 aangebracht, die een diameter 133 heeft die groter is dan de diameter 134 15 van de inlaatpijp 130* In dit uitvoeringsvoorbeeld is de dia-meter 133 ongeveer 1,5 maal zo groot als de diameter 134.
De afdichtring 132 is aangebracht aan een flexibel harmonka-achtig gevormd deel 135» dat enigszins conischvormig is en met een aansluitrand 136 om het pijpdeel 130 is gelegen en 20 daaraan is bevestigd. Binnen het flexibele gedeelte 135 is een conischvormige drukveer 137 aangebracht, die met één einde tegen de dichtingsring 132 is gelegen en met het smalle einde tegen de rand 136 om de inlaat 130 is gelegen. In dit uitvoeringsvoorbeeld wordt evenals 'in het voorgaande uitvoe-25 ringsvoorbeeld de inlaatpijp 130 binnen het conischvormige aansluitdeel 114 gebracht, waarbij de afdichtrand 132 dichtend tegen de binnenzijde van het aansluitdeel 1H wordt gedrukt. De stootrand 131 voorkomt beschadiging van de binnenzijde van het aansluitdeel 114. De inlaatpijp 130 wordt 30 zover binnen het aansluitdeel 114 gebracht, dat de veer 137 voldoende onder spanning komt te staan om de afdichtrand 132 met voldoende kracht tegen de binnenzijde van de plaat 114 te kunnen drukken. Door de beweeglijkheid van het flexibele orgaan 135 au de daarbinnen aangebraehte veer 137 kan 'de in-35 laatpijp 130 onder verschillende hoeken kleiner dan 180° ten opzichte van het aansluitdeel 114 en de pijp 113 aangebracht worden, terwijl toch een goede koppeling tussen de kanalen tot stand komt. Hierdoor kan het aanbrengen van de 8200780
v V
- 18 - inlaat 130 op de monding 113 gemakkelijk geschieden door het achteruit manoeuvreren van de landhouwwagen met reservoir.
Bij het aanzuigen van de vloeistof vanuit de voorraadruimte in het reservoir zal een onderdruk in de kanalen ontstaan 5 waardoor buitenlucht via het flexibele deel 135 naast de druk van de veer 137 hog medewerkt een goede aansluiting van de dichtingsring 132 op de binnenzijde van de wand 114 te bevorderen.
De uitvinding is niet beperkt tot datgenen wat is be-10 schreven doch strekt zich ook uit tot datgene wat in de tekeningen is weergegeven, doch niet is beschreven.
Λ -Conclusies- *· T'
S
8200780
Claims (41)
1, LandbouwinstalLatie die een transport eerbaar reservoir omvat, dat van een inlaatkanaal is voorzien dat aan-sluitbaar is aan een met een voorraadruimte in verbinding staand toevoerkanaal voor het transporteren van materiaal 5 tussen het reservoir en de voorraadruimte via het toevoerkanaal en het inlaatkanaal, met het kenmerk, dat althans één van de op elkaar aansluitende kanalen een koppeldeel omvat dat beweegbaar is ten opzichte van de rest van dit kanaal, een en ander zodanig, dat het koppeldeel luchtdicht aan-10 sluitbaar is tegen het andere kanaal wanneer de kanalen onder een hoek ten opzichte van elkaar zijn gelegen.
2. Installatie volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat het koppeldeel ten minste één ,afdichtrand omvat, die verend beweegbaar is ten opzichte van de rest van het kanaal.
3. Installatie volgens conclusie 2, met het kenmerk, - t dat de afdichtingsrand een buigzame rand is.
4. Installatie volgens conclusie 3, met het kenmerk, dat het koppeldeel uit buigzaam materiaal bestaat.
5. Installatie volgens een der voorgaande conclusies, 20 met het kenmerk, dat het koppeldeel een deel van het kanaal vormt.
6. Installatie volgens conclusie 5» met het kenmerk, dat het koppeldeel met een einde is gekoppeld aan een stijf pijpdeel van het kanaal, waarbij het koppeldeel zich vanaf 25 dit pijpdeel divergerend uitstrekt.
7. Installatie volgens conclusie 6, met het kenmerk, dat het koppeldeel vanaf het pijpdeel naar buiten toe gekromd is.
8. Installatie volgens conclusie 7» met het kenmerk, 30 dat het gekromde divergerende koppeldeel naar de buitenomtrek - toe hol gekromd- is.
9. Installatie volgens een der conclusies 2-8, met het kenmerk, dat de afdichtrand een grootste diameter heeft die althans ongeveer driemaal zo groot is als de diameter 35 van het pijpdeel.
10. Installatie volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het koppeldeel bestaat uit twee of meer lagen materiaal die ten opzichte van elkaar beweegbaar zijn. 8200780 * - 20 -
11. Installatie volgens conclusie 10, met liet kenmerk, dat de twee of meerdere lagen in onbelaste toestand van bet koppeldeel althans ongeveer uitmonden in eenzelfde vlak.
12. Installatie volgens conclusie 11, met het kenmerk, 5 dat het vlak zich loodrecht uitstrekt op de hartlijn van de monding van het pijpdeel waaraan het koppeldeel is aangebracht ·
13. Installatie volgens een der conclusies 5 - 12, met het kenmerk, dat het koppeldeel zich in onbelaste toestand 10 over een afstand buiten de monding van het pijpdeel uitstrekt die groter is dan de diameter van het pijpdeel.
14. Installatie volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het koppeldeel is gekoppeld met veren zodanig dat deze veren bij aansluiting van het koppeldeel aan 15 het aansluitdeel een drukkracht op dit koppeldeel uitoefenen.
15. Installatie volgens conclusie 14, met het kenmerk, dat het koppeldeel in zijn geheel beweegbaar met het overige deel van het kanaal is gekoppeld, waarbij het koppeldeel beweegbaar ten opzichte van het overige deel van het kanaal is 20 evenwijdig aan de richting waarin het kanaaleinde zich uitstrekt . ·
16. Installatie volgens conclusie 14 of 15, met hét"ken-----—- merk, dat het koppeldeel door middel van een flexibel kanaal- deel met het vaste kanaaldeel van het kanaal is gekoppeld.
17. Installatie volgens conclusie 16, met het kenmerk, dat het flexibele kanaaldeel harminkavormig is gevormd.
18. Installatie volgens een der conclusies 14 - 17, met het kenmerk, dat het koppeldeel beweegbaar aan een vast met het kanaaldeel verbonden steun arm is gekoppeld.
19. Installatie volgens conclusie 18, met het kenmerk, dat het koppeldeel althans nagenoeg evenwijdig aan zichzelf beweegbaar is.
20. Installatie volgens conclusie 18 of 19, met het kenmerk, dat het koppeldeel door middel van een parallello- 35 gramconstructie scharnierend aan :de steunarm is verbonden.
21. Installatie volgens conclusie 18, 19 of 20, met het kenmerk, dat een draagarm waaraan het koppeldeel is bevestigd samenwerkt met ten minste één veer die tussen de koppelarm en een vast met het kanaal verbonden plaat is gelegen. 8200780 τ - 21 - '
22· Installatie volgens een der conclusies 18 - 21, met het kenmerk, dat de draagarm is voorzien van glijsteunen waarin aan de plaat bevestigde pennen zijn gelagerd waarom drukveren zijn aangebracht.
23. Installatie volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het koppeldeel een vast pijpdeel omvat, waarom.een zich vanaf dit pijpdeel divergerend uitstrekkend flexibel orgaan is gelegen, dat aan het uiteinde is. voorzien van een afdichtraad.
24. Installatie volgens conclusie 23, met het kenmerk, dat de af dichtraad is gekoppeld met een drukveer die met het — pijpdeel is gekoppeld.
25. Installatie volgens conclusie 23 of 24, met het ken- . merk, dat de veer een divergerende schroefveer is.
26. Installatie volgens conclusie 24 of 25, met het ken merk, dat de af dichtraad in onbelaste toestand van de veer althans nagenoeg is gelegen nabij het vlak dat de monding van het kanaal bevat.
27· Installatie volgens een der voorgaande conclusies, 20 met het kenmerk, dat het koppeldeel in onbelaste toestand concentrisch om de hartlijn van het uiteinde van het kanaal is gelegen.
28. Installatie volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het koppeldeel aan het kanaal is aange- 25 bracht dat met het reservoir is verbonden.
29. Installatie volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het andere kanaal is voorzien van een aansluitdeel waarop het koppeldeel aansluitbaar is.
30. Installatie volgens conclusie 29, met het kenmerk, 30 dat het aansluitdeel stijf is.
31. Installatie volgens conclusie 29 of 30, met het kenmerk, dat het aansluitdeel een plaat is met een vlakke zijde waarop het koppeldeel aansluitbaar is.
32. Installatie volgens conclusie 31, met het kenmerk, 35 dat de aansluitplaat zich althans nagenoeg loodrecht uitstrekt op de hartlijn van de monding van het andere kanaal.
33. Installatie volgens een der conclusies 29 - 32, met het kenmerk, dat de doorsnede van het aansluitdeel aanzienlijk groter is dan de doorsnede van het koppeldeel, een en 8200780 - 22 - ander^zyDdanig, dat bij bet koppelen van het koppeldeel aan - bet aansluitdeel de hartlijnen van de mondingen van de kanalen naast elkaar kunnen zijn gelegen bij een met elkaar gekoppeld zijn van de kanalen.
34. Installatie volgens een der conclusies 29 - 33» met het kenmerk» dat het aansluitdeel concentrisch om de hartlijn van de monding van het kanaal is gelegen waaraan het is aangebracht.
35. Installatie volgens conclusie 29 of 30, of conclusie 10 33 of 34, voor zover onafhankelijk van conclusie 31 of 32, met het kenmerk, dat het aansluitdeel konischvormig is. _
36· Installatie volgens conclusie 35, met het kenmerk, dat het koppeldeel een stootrand omvat die bij koppeling van de kanaaldelen binnen het konischvormig aansluitdeel is ge-15 legen.
37· Installatie volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het koppeldeel is aangebracht aan een aan het bovenste deel van het reservoir aangebracht inlaat-kanaal.
38. Installatie volgens een der conclusies 29 - 37, met het kenmerk, dat het aansluitdeel aan een toevoerkanaal is aangebracht dat aan een tijdens bedrijf vast op de grond geplaatst draaggestel is aangebracht en ten opzichte van dit draaggestel verend beweegbaar is.
39. Installatie zoals hiervoor is beschreven en in de tekeningen is weergegeven.
40. Landbouwwagen voorzien van een reservoir met een inlaatkanaal dat is voorzien van een koppeldeel volgens een der voorgaande conclusies, kennelijk bestemd om te worden toe-30 gepast bij een installatie volgens een der voorgaande conclusies.
- 41. Toevoerkanaal met een draaggestel dat aansluitbaar is aan een voorraadruimte en kennelijk is bestemd om te worden toegepast bij een installatie volgens een der voorgaande 35 conclusies. -o-o-o-o-o- 8200780
Priority Applications (4)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL8200780A NL8200780A (nl) | 1982-02-26 | 1982-02-26 | Landbouwinstallatie. |
| FR8302755A FR2522244A1 (fr) | 1982-02-26 | 1983-02-21 | Installation de remplissage pour reservoirs mobiles notamment pour les tonnes a lisier |
| DE19833306379 DE3306379A1 (de) | 1982-02-26 | 1983-02-24 | Anlage mit einem geraet zum ausbringen fluessiger stoffe, insbesondere guelle |
| GB08305492A GB2115509B (en) | 1982-02-26 | 1983-02-28 | Equipment comprising a mobile container and inlet coupling therefor |
Applications Claiming Priority (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL8200780 | 1982-02-26 | ||
| NL8200780A NL8200780A (nl) | 1982-02-26 | 1982-02-26 | Landbouwinstallatie. |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL8200780A true NL8200780A (nl) | 1983-09-16 |
Family
ID=19839326
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL8200780A NL8200780A (nl) | 1982-02-26 | 1982-02-26 | Landbouwinstallatie. |
Country Status (1)
| Country | Link |
|---|---|
| NL (1) | NL8200780A (nl) |
Cited By (1)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| AT523281A4 (de) * | 2020-08-14 | 2021-07-15 | Qontour Eng Gmbh | Multikupplung zum Kuppeln von Leitungen mit einer Ausrichthilfe |
-
1982
- 1982-02-26 NL NL8200780A patent/NL8200780A/nl not_active Application Discontinuation
Cited By (2)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| AT523281A4 (de) * | 2020-08-14 | 2021-07-15 | Qontour Eng Gmbh | Multikupplung zum Kuppeln von Leitungen mit einer Ausrichthilfe |
| AT523281B1 (de) * | 2020-08-14 | 2021-07-15 | Qontour Eng Gmbh | Multikupplung zum Kuppeln von Leitungen mit einer Ausrichthilfe |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| US20220234818A1 (en) | Seed carrier with pivoting conveyor | |
| US8479911B2 (en) | Movable conveyor for loading a container | |
| US5718555A (en) | Seed loading and transport apparatus | |
| US7488149B2 (en) | Movable conveyor for loading a container | |
| US6928796B2 (en) | Wrapping implement | |
| US4163626A (en) | Erection means for a transport trailer | |
| US6901719B2 (en) | Combination of a large round baler and wrapping implement | |
| FR2563411A1 (fr) | Capot pour pulverisateur agricole et pulverisateur equipe d'un tel capot | |
| US5520495A (en) | Method and means for filling field planters from bulk seed containers | |
| US3378155A (en) | Hauling apparatus for slag and the like | |
| US3489320A (en) | Device for spreading liquid manure | |
| NL8200780A (nl) | Landbouwinstallatie. | |
| US5603382A (en) | Shovel attachment with ejector blade for tractors | |
| US7159889B2 (en) | Articulated liquid manure spreader | |
| US20120243967A1 (en) | Movable conveyor for loading a container | |
| US5913369A (en) | Air cart manifold lift | |
| GB2115509A (en) | Equipment comprising a mobile container and inlet coupling therefor | |
| US5228279A (en) | Tray for fruit harvesting system | |
| NL8200781A (nl) | Landbouwinstallatie. | |
| FR2629434A1 (fr) | Tremie a flanc deformable et hauteur de chargement reduite | |
| EP0805624B1 (en) | Rollable container | |
| USRE35150E (en) | Tray for fruit harvesting system | |
| JPH10290611A (ja) | 農作業装置 | |
| US4644983A (en) | Spill reducing system | |
| CA2751354C (en) | Movable conveyor for loading a container |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| A85 | Still pending on 85-01-01 | ||
| BV | The patent application has lapsed |