<Desc/Clms Page number 1>
Voorafwikkelaar voor weefmachines. Deze uitvinding heeft betrekking op een voorafwikkelaar voor weefmachines.
Zoals algemeen bekend wordt bij weefmachines het inslaggaren van bobijnen afgetrokken en vervolgens intermitterend in de gaap van de weefmachine gebracht door middel van inslaginbrengmiddelen. Het is eveneens bekend dat tussen de bobijnen en de inslaginbrengmiddelen een voorafwikkelaar wordt geplaatst.
Zoals beschreven in het Amerikaanse oktrooi nr 4. 280. 668 bestaat zulke voorafwikkelaar doorgaans uit een vaste wikkeltrommel, een wikkelarm en aandrijfmiddelen om de wikkelarm te verdraaien, een en ander zodanig dat het inslaggaren door de beweging van de wikkelarm op de wikkeltrommel wordt gewikkeld. Het inslaggaren kan vervolgens intermitterend van de wikkeltrommel worden getrokken.
<Desc/Clms Page number 2>
Het gebruik van de voornoemde voorafwikkelaars heeft als nadeel dat de spanning waarmee de wikkelingen op de wikkeltrommel worden gelegd varieert in funktie van de diameter van de bobijn, dit omdat de weerstand om een draad van een bobijn te trekken afhankelijk is van de diameter van deze bobijn.
Dit heeft op zijn beurt dan weer tot gevolg dat de te overwinnen weerstand om het inslaggaren van de wikkeltrommel te trekken ook afhankelijk is van de diameter van de bobijn. Bij een luchtweefmachine, waarbij de trekkracht op het inslaggaren geleverd wordt door middel van een blazer, heeft dit tot gevolg dat de tijd nodig om een inslagdraad in-de gaap te brengen eveneens varieert gedurende het weven,-wat in weeffouten kan resulteren.
Bij een luchtweefmachine heeft dit ook tot gevolg dat de lengte van de inslagdraad eveneens varieert gedurende het weven, wat in weeffouten kan resulteren daar deze lengte bepaald wordt door het vrijgeven van een aantal wikkelingen en kleiner wordt naar mate de voornoemde spanning groter wordt.
Het gebruik dat de voornoemde voorafwikkelaars heeft ook als nadeel dat, wanneer de weerstand om een draad van een bobijn te trekken hoog is, de spanning waarmee het inslaggaren op de wikkeltrommel wordt gewikkeld ook hoog
<Desc/Clms Page number 3>
is. Dit geeft aanleiding tot het ontstaan van draadbreuken, vooral ter hoogte van de wikkelarm van de voorafwikkelaar. Hierdoor wordt eveneens de snelheid waarmee geweven kan worden, beperkt.
De huidige uitvinding heeft een voorafwikkelaar tot doel waarbij de voornoemde nadelen zijn uitgesloten of beperkt zijn tot een minimum.
De huidige uitvinding betreft hiertoe een voorafwikkelaar, die bedoeld is om tussen een bobijn en de inslaginbrengmiddelen van een weefmachine te worden geplaatst, die het voordeel biedt dat de spanning in het inslaggaren klein is bij het opwikkelen op de wikkeltrommel ; dat deze spanning vrijwel konstant is, onafhankelijk van de spanning waarmee het inslaggaren van de bobijn wordt getrokken ; en dat bijgevolg met hogere snelheden kan worden geweven zonder dat de kans op draadbreuken en/of weeffouten wordt verhoogd.
Tot dit doel bestaat de uitvinding in een voorafwikkelaar, voorzien van een vaste wikkeltrommel, een roteerbaar wikkelelement en aandrijfmiddelen om het wikkelelement aan te drijven, daardoor gekenmerkt dat de voorafwikkelaar een door de voornoemde aandrijfmiddelen aangedreven garenaftrekelement vertoont.
<Desc/Clms Page number 4>
Het garenaftrekelement bestaat uit een wiel dat toelaat een trekkracht op het inslaggaren uit te oefenen alvorens dit inslaggaren aan de ingang van het wikkelelement wordt toegevoerd. Het inslaggaren wordt hierbij langs het oppervlak van dit wiel geleid.
Het wiel wordt zodanig aangedreven dat, wanneer de voornoemde aandrijfmiddelen zijn ingeschakeld, de omtreksnelheid van dit wiel groter is dan de snelheid waarmee het inslaggaren op de wikkeltrommel wordt gewikkeld. Bij voorkeur vertoont het wiel een diameter die groter is dan de diameter van de wikkeltrommel.
Met het inzicht de kenmerken volgens de uitvinding beter aan te tonen, is hierna als voorbeeld zonder enig beperkend karakter een voorkeurdragend uitvoeringsvorm beschreven, met verwijzing naar de bijgaande tekeningen, waarin : figuur 1 schematisch een perspektiefzicht weergeeft van een voorafwikkelaar volgens de uitvinding ; figuur 2 in doorsnede een praktische uitvoeringsvorm weergeeft van een voorafwikkelaar volgens de uitvinding.
<Desc/Clms Page number 5>
Zoals weergegeven in figuur 1 bestaat een voorafwikkelaar 1 hoofdzakelijk uit een vaste wikkeltrommel 2, een roteerbaar wikkelelement 3 en aandrijfmiddelen 4, bijvoorbeeld een elektrische motor, om het wikkelelement 3 aan te drijven. Hierbij wordt het inslaggaren 5 van de bobijn 6 door middel van het wikkelelement 3 op de wikkeltrommel 2 gewikkeld.
Zoals bekend wordt het inslaggaren 5 tijdens het weven intermitterend in de gaap 7 van de weefmachine gebracht, door middel van inslaginbrengmiddelen 8. In het geval van een luchtweefmachine bestaan deze inslaginbrengmiddelen 8 uit een blazer, bijvoorbeeld zoals weergegeven in figuur 1.
Om te beletten dat het inslaggaren 5 op ongewenste ogenblikken vanaf het kopvlak van de wikkeltrommel 2 wordt getrokken kunnen langs de omtrek hiervan één of meer elektromagnetisch bedienbare blokkeerelementen 9 zijn aangebracht.
Het bijzondere van de uitvinding bestaat erin dat de voorafwikkelaar 1 is uitgerust met een door de aandrijfmiddelen 4 aangedreven en met het wikkelelement 3 meedraaiend garenaftrekelement 10.
<Desc/Clms Page number 6>
Dit garenaftrekelement 10 bestaat hoofdzakelijk uit een wiel 11, een en ander zodanig dat het inslaggaren 5 langs de omtrek van dit wiel 11 wordt geleid alvorens het aan de ingang 12 van het wikkelelement 3 wordt toegevoerd.
Ten einde het inslaggaren 5 rond het wiel 11 en vervolgens naar de ingang 12 te geleiden is de voorafwikkelaar 1 voorzien van verscheidene geleidingen 13 tot 17. De geleidingen 13 en 14 zijn bij voorkeur zodanig geplaatst dat het inslaggaren 5 drie kwart toer tot een toer rond het wiel 11 wordt geleid.
Belangrijk is hierbij dat de wrijving tussen het inslaggaren 5 en het wiel 11 groter is dan de som van de wrijvingen die het inslaggaren 5 ondervindt in de geleidingen 13 tot 17 en in het wikkelelement 3 zelt.
Wanneer het inslaggaren 5 ongeveer langs de volledige omtrek van het wiel 11 wordt geleid en bij het gebruik van het weergegeven aantal draadogen hebben proeven uitgewezen dat een goede werking wordt verkregen vanaf het ogenblik dat de wrijvingscoëfficiënt van het inslaggaren 5 op het wiel 11 groter is dan"0, 1". Hiertoe kan het wiel 11 uit een geschikt materiaal vervaardigd worden.
<Desc/Clms Page number 7>
In figuur 2 is een praktische uitvoeringsvorm van de uitvinding weergegeven. Het wikkelelement 3 bestaat hierbij in hoofdzaak uit een wikkelarm 18 die gemonteerd is op een as 19. De as 19 is hierbij gelagerd in het frame 20 door middel van lagers 21.
De wikkeltrommel 2 bestaat uit een aantal langs de omtrek verspreide elementen 22, dewelke een geheel vormen dat door middel van lagers 23 op de as 19 is gemonteerd.
De wikkeltrommel 2 is op bekende wijze tegen verdraaiing vergrendeld bijvoorbeeld door middel van een op de as 19 gemonteerd wiebelend element 24 dat bij zijn vrije uiteinden kan samenwerken met vergrendelingselementen 25 die vast aan het frame 20 zijn gemonteerd. Volgens een variante kan de wikkeltrommel 2 door middel van magneten worden vastgehouden.
Het voornoemde wiel 11 is op de as 19 gemonteerd en bevindt zich ter hoogte van de wikkelarm 18.
Om te bekomen dat de omtreksnelheid van het wiel 11 groter is dan de snelheid waarmee het inslaggaren 5 op de wikkeltrommel 2 wordt gewikkeld is de diameter van
<Desc/Clms Page number 8>
het wiel 11 groter dan de diameter van de wikkeltrommel 2.
Opdat het wiel 11 zo weinig mogelijk plaats zou innemen is het bij voorkeur gemonteerd ter hoogte van het vrije uiteinde 26 van de wikkelarm 18.
De voornoemde geleidingselementen 13 en 14 bestaan in de uitvoeringsvorm van figuur 2 uit openingen in het frame 20. Het draadgeleidingselement 15 komt niet voor in de uitvoeringsvorm van figuur 2.
De werking van. de voorafwikkelaar 1 kan eenvoudig uit de figuren 1 en 2 worden afgeleid.
Doordat het inslaggaren 5 rond het wiel 11 wordt geleid wordt, wanneer de aandrijfmiddelen 4 ingeschakeld zijn, het inslaggaren 5 door de wrijving met het wiel 11 meegenomen en van de bobijn 6 getrokken.
Door het feit dat de diameter van het wiel 11 groter is dan deze van de wikkeltrommel 2 wordt minder inslaggaren 5 door de wikkelarm 18 opgenomen dan door het wiel 11 wordt aangevoerd. Hierdoor komt het inslaggaren 5 los op het wiel 11 te liggen, waardoor het wiel 11 langs het inslaggaren 5 slipt. Tijdens de normale werking stelt
<Desc/Clms Page number 9>
zich hierbij een evenwicht in waarbij het inslaggaren 5 door het wiel 11 van de bobijn 6 wordt getrokken en door de wikkelarm 18 op de wikkeltrommel 2 wordt gelegd met een welbepaalde snelheid.
De spanning waarmee de wikkelingen op de wikkeltrommel 2 worden gelegd is hierbij lager dan bij een voorafwikkelaar zonder wiel 11 en is vrijwel onafhankelijk van de spanning waarmee het inslaggaren 5 van de bobijn 6 wordt getrokken.
Hierdoor kan sneller geweven worden zonder gevaar voor draadbreuken en komen minder weeffouten voor als gevolg van variaties in de spanning waarmee een inslaggaren 5 van een bobijn 6 wordt getrokken.
Bij een weefmachine heeft een voorafwikkelaar volgens de uitvinding het voordeel dat de bobijn 6, zoals weergegeven in figuren 1 en 2, naast, onder of boven de voorafwikkelaar 1 kan worden opgesteld, waardoor de axiale lengte van het geheel gevormd door de voorafwikkelaar 1 en de bijhorende bobijn 6, kleiner kan zijn dan bij klassieke weefmachines, zodat de totale lengte van de weefmachine beperkt kan worden.
<Desc/Clms Page number 10>
Volgens een niet weergegeven variante kunnen, om de wrijving van het inslaggaren 5 op het wiel 11 te vergroten, bijvoorbeeld middelen aanwezig zijn die het inslaggaren 5 plaatselijk op het wiel drukken of kan een V-vormige groef voorzien worden in het oppervlak van het wiel waarin het inslaggaren 5 loopt.
Het is duidelijk dat het samen met wikkelelement 3 en door de aandrijfmiddelen ; 4 aangedreven garenaftrekelement 10 niet noodzakelijk dient gemonteerd te zijn op de as 19 van de wikkelarm 18 maar ook op een andere as kan gelagerd worden. Deze as kan al dan niet een hoek maken met de voornoemde as 19. Dit garenaftrekelement 10 kan hierbij al dan niet via. een overbrenging aangedreven worden door de voornoemde aandrijfmiddelen 4, echter wel zodanig dat de snelheid van het inslaggaren 5 langs de omtrek van het wiel 11 groter is dan de snelheid waarmee het inslaggaren 5 op de wikkeltrommel 2 wordt gelegd.
Het is eveneens duidelijk dat naast de weergegeven onderdelen er nog andere onderdelen, zoals bijvoorbeeld draadremmen en dergelijke, kunnen voorzien worden bijvoorbeeld op een plaats tussen de bobijn 6 en de voorafwikkelaar 1 of tussen de voorafwikkelaar 1 en de inslaginbrengmiddelen 8.
<Desc/Clms Page number 11>
De huidige uitvinding is geenszins beperkt tot de als voorbeeld beschreven en in de figuren weergegeven uitvoeringsvorm, doch dergelijke voorafwikkelaar kan in verschillende vormen en afmetingen worden verwezenlijkt zonder buiten het kader der uitvinding te treden.