<Desc/Clms Page number 1>
POLYMEERSAMENSTELLING
De uitvinding heeft betrekking op een polymeersamenstelling bevattende een polymeer A dat vinylaromatische monomeereenheden en acrylonitrilmonomeereenheden bevat en een polymeer B dat vinylaromatische monomeereenheden bevat.
Een dergelijke polymeersamenstelling is bekend uit DE-A-3. 332. 326.
De bekende polymeersamenstelling bezit een goede verwerkbaarheid en een hoge stijfheid. Alhoewel de polymeersamenstelling een relatief goede vormvastheid bij verhoogde temperatuur bezit, is voor een groot aantal toepassingen de vormvastheid bij verhoogde temperatuur nog steeds onvoldoende.
Doel van de uitvinding is een polymeersamenstelling te verschaffen die bovengenoemd nadeel niet bezit.
Dit wordt bereikt doordat in de polymeersamenstelling volgens de uitvinding polymeer B ten minste 1 gew. % spirodilactonmonomeereenheden bevat.
Door de aldus verbeterde vormvastheid bij verhoogde temperatuur kan de polymeersamenstelling volgens de uitvinding worden toegepast in artikelen die aan hogere temperaturen worden blootgesteld. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk de polymeersamenstelling volgens de uitvinding toe te passen in automobielonderdelen die aan of direct in de buurt van de motor worden gemonteerd, terwijl dat met de bekende polymeersamenstelling niet goed mogelijk is.
Een verder voordeel van de polymeersamenstelling volgens de uitvinding is de sterk verbeterde thermische stabiliteit ten opzichte van de bekende polymeersamenstelling. Hierdoor kan de polymeersamenstelling bij nog hogere temperaturen, en dientengevolge met lagere
<Desc/Clms Page number 2>
viscositeit, worden verwerkt tot artikelen met een meer complexe vormgeving. Tevens kan de polymeersamenstelling worden toegepast in artikelen die ook gedurende lange perioden aan verhoogde temperatuur zijn blootgesteld.
Polymeer A bevat over het algemeen 2-50 gew. % acrylonitrilmonomeereenheden en 50-98 gew. % vinylaromatische monomeereenheden. Geschikte vinylaromatische monomeren zijn bijvoorbeeld styreen, alpha-metylstyreen, para-methylstyreen of een mengsel daarvan. Bij voorkeur wordt styreen toegepast. Verder kan polymeer A geringe hoeveelheden van een of meer andere monomeereenheden zoals methylmethacrylaat monomeereenheden bevatten.
Bij voorkeur bezit polymeer A een gewichtsgemiddeld molecuulgewicht tussen 30. 000 en 150. 000 kg/kmol.
Polymeer B is op zichzelf bekend uit WO-90/06956.
Polymeer B kan worden bereid door in een eerste stap met behulp van een van de bekende werkwijzen een polymeer C te bereiden dat dicarbonzuuranhydridemonomeereenheden en vinylaromatische monomeereenheden bevat en in een tweede stap polymeer C om te zetten in polymeer B.
Geschikte vinylaromatische monomeren zijn bijvoorbeeld styreen, alpha-methylstyreen, para-methylstyreen en mengsels daarvan. Bij voorkeur wordt styreen toegepast.
EMI2.1
Geschikte dicarbonzuur anhydriden zijn bijvoorbeeld maleinezuuranhydride, chloormaleïnezuuranhydride, citraconzuuranhydride, cyclohexylmaleinezuuranhydride, benzylmaleinezuuranhydride, phenylmaleinezuuranhydride, aconietzuuranhydride, propylmaleïnezuuranhydride en mengsels hiervan. Bij voorkeur wordt maleïnezuuranhydride (MZA) toegepast.
De omzetting van polymeer B naar polymeer C kan plaatsvinden door verhitting tot een temperatuur van bijvoorkeur 200-300 C.
Tijdens de verhitting vindt in de keten van het pclymeer een omzetting plaats, waarbij dicarbonzuuranhydride-viyl- aromatisch monomeer-dicarbonzuuranhydride (Form. l) reageert tot spirodilacton (Form. II) volgens de reactievergelijking :
<Desc/Clms Page number 3>
EMI3.1
Het polymeer dient gedurende voldoende lange tijd verhit te worden om de gewenste omzetting te doen plaats vinden. Er bestaat echter het gevaar dat na verloop van tijd, voordat de gewenste omzetting is bereikt, secundaire thermische afbraakprocessen in het polymeer een rol van betekenis gaan spelen. Mede daarom wordt de verhitting bij voorkeur uitgevoerd in aanwezigheid van een basische katalysator.
Door het gebruik van de katalysator kan de gewenste omzetting sneller en bij lagere temperatuur worden bereikt.
Voorbeelden van geschikte katalysatoren zijn tertiaire amines, bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van triethylamine (TEA) of 1, 4-diazabicyclo[2, 2, 2]oetaan (DABCO).
De reactie kan worden uitgevoerd door het polymeer als zodanig te verhitten, waarbij de reactie plaats vindt terwijl het polymeer zich in de gesmolten toestand bevindt.
Het is ook mogelijk de reactie uit te voeren terwijl het polymeer zieh in oplossing bevindt. Geschikte oplosmiddelen zijn bijvoorbeeld dimethylformamide, tetrahydrofuran, aceton en methylethylketon of andere ketonen.
<Desc/Clms Page number 4>
De vormvastheid bij verhoogde temperatuur van de polymeersamenstelling neemt toe naarmate het gehalte spirodilactonmonomeereenheden in polymeer B hoger is. Daarom bevat polymeer B bij voorkeur ten minste 2 gew. % spirodilactonmonomeereenheden. In een verdere voorkeursuitvoeringsvorm bevat polymeer B ten minste 4 gew. % spirodilactonmonomeereenheden. In een nog verdere voorkeursuitvoeringsvorm bevat polymeer B ten minste 6 gew. % spirodilactonmonomeereenheden.
Bij voorkeur bezit polymeer B een gewichtsgemiddeld molecuulgewicht tussen 30. 000 en 200. 000 kg/kmol.
Bij voorkeur bevat polymeer B dicarbonzuuranhydridemonomeereenheden.
EMI4.1
Geschikte dicarbonzuur anhydriden zijn bijvoorbeeld maleïnezuuranhydride, chloormaleinezuuranhydride, citraconzuuranhydride, cyclohexylmaleinezuuranhydride, benzylmaleinezuuranhydride, phenylmaleinezuuranhydride, aconietzuuranhydride, propylmaleinezuuranhydride en mengsels hiervan. Bij voorkeur wordt maleinezuuranhydride (MZA) toegepast.
Indien polymeer B, zoals in het voorgaande beschreven, wordt bereid uit polymeer C dan zal, onder andere afhankelijk van de het gehalte aan dicarbonzuuranhydride-en vinylaromatische monomeereenheden in het polymeer C en de verdeling daarvan over de keten van dit polymeer, na de omzetting tot het spirodilacton het aldus verkregen polymeer B nog steeds een bepaalde hoeveelheid van de dicarbonzuurhydridemonomeereenheden bevatten.
Het is ook mogelijk de omzetting naar het spirodilacton slechts gedeeltelijk uit te voeren, waardoor een nog hoger gehalte aan dicarbonzuuranhydridemonomeereenheden in het polymeer B aanwezig is.
Op deze manier wordt een polymeer B verkregen dat nog beter mengbaar is met het polymeer A, waardocr eigenschappen van de polymeersamenstelling volgens de uitvinding, zoals de vormvastheid bij verhoogde temperatuur, verder worden verbeterd.
<Desc/Clms Page number 5>
Bij voorkeur bevat polymeer B 3-35 gew. % spirodilactonmonomeereenheden en 5-45 gew. % dicarbonzuuranhydridemonomeereenheden.
Een nog betere mengbaarheid wordt verkregen indien de verhouding tussen het gehalte aan acrylonitrilmonomeereenheden in polymeer A en het gehalte aan dicarbonzuuranhydridemonomeereenheden in polymeer B tussen 0, 3 en 2, 2 ligt. Bij voorkeur ligt de verhouding tussen het gehalte aan acrylonitrilmonomeereenheden in polymeer A en het gehalte aan dicarbonzuuranhydridemonomeereenheden in polymeer B tussen 0, 7 en 1, 6. Op deze wijze wordt een polymeersamenstelling volgens de uitvinding verkregen, waarin polymeer A en polymeer B in elke mengverhouding volledig moleculair mengbaar zijn. Dit kan onder andere worden afgeleid uit het feit dat de polymeersamenstelling een enkele, scherpe glasovergangstemperatuur vertoont.
Verder is de polymeersamenstelling, indien de polymeersamenstelling naast polymeer A en polymeer B geen verdere toevoegingen zoals bijvoorbeeld vulstoffen bevat, volledig transparant.
In een verdere uitvoeringsvorm kan het polymeer B van de polymeersamenstelling volgens de uitvinding imidemonomeereenheden bevatten.
Als imide kunnen in polymeer B N-phenyl-maleimide, malimide, citraconimide, itaconimide, aconimide, N-methylmaleimide of mengsels daarvan worden toeqepast.
Een polymeersamenstelling volgens de uitvinding met goede slagvastheid wordt verkregen indien de polymeersamenstelling een rubber bevat als slagvastheidsverbeteraar.
Over het algmeen wordt hiervoor een rubber gebruikt met een glasovergangstemperatuur van minder dan -100C. Voorbeelden van geschikte rubbers zijn polybutadieen, EPDM, gehydroxyleerde EPDM, polybutylacrylaat en siliconenrubber.
Bij voorkeur is het rubber geënt met een polymeer dat mengbaar is met de polymeersamenstelling. Zo is het mogelijk dat het rubber is geënt met polymeer A of polymeer B. Bij voorkeur wordt met styreen-acrylonitrilcopolymeer (SAN) geënte polybutadieenrubber toegepast.
<Desc/Clms Page number 6>
De polymeersamenstelling volgens de uitvinding kan de gebruikelijke toevoegingen zoals stabilisatoren, verwerkingshulpstoffen, vulstoffen en vezels, zoals glasvezels bevatten.
De polymeersamenstelling is zeer geschikt om te worden toegepast voor de vervaardiging van bijvoorbeeld automobielonderdelen zoals dashboards, kleppendeksels, verdeelkappen, behuizing voor elektronische en elektrotechnische apparatuur, schakelaars, connectoren e. d.
De uitvinding wordt verder toegelicht aan de hand van de volgende voorbeelden zonder zich daartoe te beperken.
Voorbeeld I
Verschillende polymeer B monsters werden bereid door styreen-maleïnezuuranhydridecopolymeren (polymeer C) met een gehalte maleinezuuranhydridemonomeereenheden (MZA) van respectievelijk 28,32 en 36 gew. % en een gewichtsgemiddeld molecuulgewicht van 110. 000 kg/kmol te extruderen via een co-roterende W & P (R) dubbelschroefsextruder van het type ZSK 30 geleverd door Werner en Pfleiderer uit Duitsland.
De doorzet bedroeg 6 kg/uur. De smelttemperatuur was 250 C.
In de extruder werd continue TEA geinjecteerd en met het gesmolten polymeer gemengd.
Door de aldus aan het polymeer toegevoegde gehalte TEA te varieren werden monsters 1-15 van het polymeer B verkregen met een varierend gehalte aan spirodilactonmonomeereenheden.
Het MZA gehalte in de monsters en in de uitgangspolymeren C werd bepaald met behulp van een Perkin Eimer (R) IR-apparaat, type 1760 FT-IR. Hieruit werd het gehalte spirodilactonmonomeereenheden in de monsters berekend, uitgaande van de reactievergelijking zoals hievoor gegeven in de tekst van deze aanvrage en onder de aannname dat geen nevenreacties optraden.
De glasovergangstemperatuur (Tg) werd bepaald met behulp van een Perkin Eimer (R) DSC-apparaat, type DSC 7. De monstergrootte bedroeg 10-15 mg. De opwarmsnelheid was
<Desc/Clms Page number 7>
10 C/minuut.
De resultaten zijn vermeld in tabel 1.
Tabel l
EMI7.1
<tb>
<tb> monster <SEP> MZA <SEP> in <SEP> C <SEP> TEA <SEP> MZA <SEP> in <SEP> B <SEP> spirodilacton <SEP> Tg
<tb> gew. <SEP> % <SEP> gew. <SEP> % <SEP> gew. <SEP> % <SEP> gew. <SEP> % <SEP> C <SEP>
<tb> ref. <SEP> 28 <SEP> 0 <SEP> 28, <SEP> 0 <SEP> 0 <SEP> 161. <SEP> 5 <SEP>
<tb> 1 <SEP> 28 <SEP> 0, <SEP> 01 <SEP> 20, <SEP> 8 <SEP> 9, <SEP> 4 <SEP> 167
<tb> 2 <SEP> 28 <SEP> 0, <SEP> 10 <SEP> 17, <SEP> 6 <SEP> 13, <SEP> 5 <SEP> 171
<tb> 3 <SEP> 28 <SEP> 0, <SEP> 50 <SEP> 15, <SEP> 5 <SEP> 16, <SEP> 3 <SEP> 174
<tb> 4 <SEP> 28 <SEP> 1, <SEP> 0 <SEP> 16, <SEP> 2 <SEP> 15, <SEP> 3 <SEP> 173
<tb> 5 <SEP> 28 <SEP> 5, <SEP> 0 <SEP> 15, <SEP> 2 <SEP> 16, <SEP> 6 <SEP> 175
<tb> 6 <SEP> 28 <SEP> 0, <SEP> 01 <SEP> 21, <SEP> 8 <SEP> 8, <SEP> 2 <SEP> 170
<tb> 7 <SEP> 28 <SEP> 0, <SEP> 05 <SEP> 20, <SEP> 1 <SEP> 10.
<SEP> 3 <SEP> 170, <SEP> 5 <SEP>
<tb> 8 <SEP> 28 <SEP> 0, <SEP> 10 <SEP> 17, <SEP> 1 <SEP> 14, <SEP> 2 <SEP> 174
<tb> 9 <SEP> 28 <SEP> 0, <SEP> 50 <SEP> 16, <SEP> 4 <SEP> 15, <SEP> 1 <SEP> 177
<tb> 10 <SEP> 32 <SEP> 0, <SEP> 01 <SEP> 21, <SEP> 7 <SEP> 13, <SEP> 4 <SEP> 180
<tb> 11 <SEP> 32 <SEP> 0, <SEP> 05 <SEP> 17, <SEP> 7 <SEP> 18, <SEP> 6 <SEP> 185
<tb> 12 <SEP> 32 <SEP> 0, <SEP> 10 <SEP> 14, <SEP> 9 <SEP> 22, <SEP> 2 <SEP> 185
<tb> 13 <SEP> 32 <SEP> 0, <SEP> 20 <SEP> 14, <SEP> 2 <SEP> 23, <SEP> 1 <SEP> 186
<tb> 14 <SEP> 36 <SEP> 0, <SEP> 05 <SEP> 20, <SEP> 5 <SEP> 20, <SEP> 2 <SEP> 183
<tb> 15 <SEP> 36 <SEP> 0, <SEP> 10 <SEP> 15, <SEP> 9 <SEP> 26, <SEP> 1 <SEP> 191
<tb>
Mengsels werden bereid van de polymeer B monsters 1-15 met styreen-acrylonitrilcopolymeren (SAN)
door een granulaat van een monster met granulaat van een SAN-copolymeer te mengen in een mengverhouding van 50/50 gew. % en vervolgens te extruderen via de bovengenoemde dubbelschroefextruder.
De gebruikte SAN copolymeren het gehalte acrylonitril- monomeereenheden (AN), de Tg en de molecuulgewichten zijn gegeven in tabel 2.
<Desc/Clms Page number 8>
Tabel 2
EMI8.1
<tb>
<tb> monster <SEP> AN-gehalte <SEP> Mn. <SEP> Mw <SEP> Tg
<tb> gew. <SEP> % <SEP> 10 <SEP> kg/kmol <SEP> 10 <SEP> kg/kmol <SEP> C <SEP>
<tb> SAN <SEP> 13, <SEP> 8 <SEP> 13, <SEP> 8--104 <SEP>
<tb> SAN <SEP> 18, <SEP> 3 <SEP> 18, <SEP> 3--103 <SEP>
<tb> SAN <SEP> 20 <SEP> 20 <SEP> 69 <SEP> 160 <SEP> 103
<tb> SAN <SEP> 24 <SEP> 24 <SEP> 51 <SEP> 72 <SEP> 104
<tb> SAN <SEP> 26 <SEP> 26 <SEP> 67 <SEP> 135 <SEP> 104
<tb> SAN <SEP> 29 <SEP> 29 <SEP> 75 <SEP> 147 <SEP> 105
<tb> SAN <SEP> 33 <SEP> 33 <SEP> 49 <SEP> 78 <SEP> 104
<tb>
In de voorbeelden worden de mengsels Polymeer A/ Polymeer B als volgt aangeduid : SAN 20/2 is een mengsel van 50 gew. % SAN 20 (Tabel 2) en 50 gew. % monster 2 (Tabel 1).
In tabel 3,4 en 5 is de invloed van het gehalte spirodilactonmonomeereenheden in polymeer B op de glasovergangstemperatuur van mengsels SAN 26 en polymeer B monsters 1, 2,5, 7,10, 11,12, 14,15 gegeven.
Tabel 3
EMI8.2
<tb>
<tb> Mengsel <SEP> MZA <SEP> in <SEP> B <SEP> spirodilacton <SEP> Tg
<tb> gew. <SEP> % <SEP> gew. <SEP> % <SEP> C <SEP>
<tb> SAN <SEP> 26/5 <SEP> 15, <SEP> 2 <SEP> 16, <SEP> 6 <SEP> 139
<tb> SAN <SEP> 26/12 <SEP> 14, <SEP> 9 <SEP> 22, <SEP> 2 <SEP> 145
<tb> SAN <SEP> 26/15 <SEP> 15, <SEP> 9 <SEP> 26, <SEP> 1 <SEP> 148 <SEP>
<tb>
<Desc/Clms Page number 9>
Tabel 4
EMI9.1
<tb>
<tb> Hengsel <SEP> MZA <SEP> in <SEP> B <SEP> spirodilacton <SEP> Tg
<tb> gew. <SEP> % <SEP> gew. <SEP> % <SEP> C <SEP>
<tb> SAN <SEP> 26/2 <SEP> 17, <SEP> 6 <SEP> 13, <SEP> 5 <SEP> 138
<tb> SAN <SEP> 26/11 <SEP> 17, <SEP> 7 <SEP> 18, <SEP> 6 <SEP> 145
<tb>
Tabel 5
EMI9.2
<tb>
<tb> Mengsel <SEP> MZA <SEP> in <SEP> B <SEP> spirodilacton <SEP> Tg
<tb> gew. <SEP> % <SEP> gew.
<SEP> % <SEP> C <SEP>
<tb> SAN <SEP> 26/1 <SEP> 20, <SEP> 8 <SEP> 9, <SEP> 4 <SEP> 136
<tb> SAN <SEP> 26/7 <SEP> 20, <SEP> 1 <SEP> 10, <SEP> 3 <SEP> 137
<tb> SAN <SEP> 26/10 <SEP> 21, <SEP> 7 <SEP> 13, <SEP> 4 <SEP> 142
<tb> SAN <SEP> 26/14 <SEP> 20, <SEP> 5 <SEP> 20, <SEP> 2 <SEP> 144
<tb>
Het MZA-gehaltes in de polymeer B monsters van de mengsels uit tabel 3, respectievelijk tabel 4 en 5 zijn vergelijkbaar.
Uit tabel 3-5 blijkt dat de glasovergangstemperatuur van de mengsels in belangrijke mate toeneemt met het gehalte spirodilactonmonomeereenheden in polymeer B.
Voorbeeld II
De mengbaarheid van polymeer A en polymeer B werd bepaald door met behulp van DSC de glasovergangstemperaturen van de mengsels te meten. De polymeren A en B zijn volledig mengbaar als het mengsel een glasovergangstemperatuur bezit.
De polymeren A en B zijn gedeeltelijk mengbaar als het mengsel twee glasovergangstemperaturen bezit, die ten opzichte van de glasovergangstemperaturen van de gebruikte polymeren A en B zijn verschoven naar een hogere, respectievelijk een lagere waarde.
<Desc/Clms Page number 10>
In tabel 6 zijn de resultaten gegeven van een serie mengsels van verschillende SAN copolymeren en monster 2, in tabel 7 zijn de resultaten gegeven van een serie mengsels van verschillende SAN copolymeren en monster 10.
Tabel 6 Tabel 7
EMI10.1
<tb>
<tb> Mengsel <SEP> Tg <SEP> Mengsel <SEP> Tg
<tb> C <SEP> C
<tb> SAN <SEP> 13, <SEP> 8/ <SEP> 2 <SEP> 107/165 <SEP> SAN <SEP> 13, <SEP> 8/ <SEP> 10 <SEP> 105/168
<tb> SAN <SEP> 18, <SEP> 3/ <SEP> 2 <SEP> 130 <SEP> SAN <SEP> 18, <SEP> 3/ <SEP> 10 <SEP> 131
<tb> SAN <SEP> 20, <SEP> 4/ <SEP> 2 <SEP> 131 <SEP> SAN <SEP> 20, <SEP> 4/ <SEP> 10 <SEP> 134
<tb> SAN <SEP> 24/2 <SEP> 132 <SEP> SAN <SEP> 24/10 <SEP> 131
<tb> SAN <SEP> 26/2 <SEP> 133 <SEP> SAN <SEP> 26/10 <SEP> 134
<tb> SAN <SEP> 29/2 <SEP> 123/159 <SEP> SAN <SEP> 29/10 <SEP> 135
<tb> SAN <SEP> 33/2 <SEP> 98/133 <SEP> SAN <SEP> 33/10 <SEP> 133
<tb>
Polymeren A en B zijn in de mengsels SAN 13, 8/ 2, SAN 29/2, SAN 33/2 en SAN 13, 8/ 10 gedeeltelijk mengbaar en in de overige mengsels volledig mengbaar.
Het blijkt dat met toenemend MZA-gehalte in polymeer B (monster 2, 17, 6 gew. % MZAi monster 10, 21, 7 gew. % MZA) de mengbaarheid daarvan met SAN toeneemt. voorbeeld III
De polymeer B monsters 1-15 werden gemengd met ABS, type Ronfalin (R) TZ 220 van DSM, zoals aangegeven in voorbeeld 1.
De mengverhouding bedroeg telkens 60 gew. % ABS en 40 gew. % polymeer B. De mengsels werden met behulp van een Arburg (R), type Allround 220-90-350 spuitgietmachine verwerkt tot vlakke platen met een dikte van 3 mm en een lengte en een breedte van 65 mm. De smelttemperatuur van het mengsel in de spuitgietmachine was 310 C, de verblijftijd van het mengsel bij deze temperatuur was 5 min.
<Desc/Clms Page number 11>
De oppervlaktekwaliteit - het aantal silver streaks per oppervlakte-eenheid - van de vlakke platen was een maat voor de thermische stabiliteit (TS) van de mengsels. De platen werden vergeleken met standaardplaten en aldus beoordeeld van 0-10 : 0= zeer veel oppervlaktedefecten, slechte thermische stabilteit ; 10=geen oppervlaktedefecten, zeer goede thermische stabiliteit.
De resultaten zijn weergegeven in tabel 8.
Tabel 8
EMI11.1
<tb>
<tb> mengsel <SEP> MZA <SEP> in <SEP> C <SEP> MZA <SEP> in <SEP> B <SEP> spirodilacton <SEP> TS
<tb> gew. <SEP> % <SEP> gew. <SEP> % <SEP> gew. <SEP> % <SEP>
<tb> ABS/ref. <SEP> 28 <SEP> 28, <SEP> 0 <SEP> 0 <SEP> 0
<tb> ABS/1 <SEP> 28 <SEP> 20, <SEP> 8 <SEP> 9, <SEP> 4 <SEP> 5
<tb> ABS/2 <SEP> 28 <SEP> 17, <SEP> 6 <SEP> 13, <SEP> 5 <SEP> 9
<tb> ABS/3 <SEP> 28 <SEP> 15, <SEP> 5 <SEP> 16, <SEP> 4 <SEP> 10
<tb> ABS/4 <SEP> 28 <SEP> 16, <SEP> 2 <SEP> 15, <SEP> 3 <SEP> 10
<tb> ABS/5 <SEP> 28 <SEP> 15, <SEP> 2 <SEP> 16, <SEP> 6 <SEP> 10
<tb> ABS/6 <SEP> 28 <SEP> 21, <SEP> 8 <SEP> 8, <SEP> 2 <SEP> 7
<tb> ABS/7 <SEP> 28 <SEP> 20, <SEP> 1 <SEP> 10, <SEP> 3 <SEP> 9
<tb> ABS/8 <SEP> 28 <SEP> 17, <SEP> 1 <SEP> 14, <SEP> 2 <SEP> 10
<tb> ABS/9 <SEP> 28 <SEP> 16, <SEP> 4 <SEP> 15, <SEP> 1 <SEP> 10
<tb> ABS/10 <SEP> 32 <SEP> 21, <SEP> 7 <SEP> 13,
<SEP> 4 <SEP> 5
<tb> ABS/11 <SEP> 32 <SEP> 17, <SEP> 7 <SEP> 18, <SEP> 6 <SEP> 8
<tb> ABS/12 <SEP> 32 <SEP> 14, <SEP> 9 <SEP> 22, <SEP> 2 <SEP> 9
<tb> ABS/13 <SEP> 32 <SEP> 14, <SEP> 2 <SEP> 23, <SEP> 1 <SEP> 10
<tb> ABS/14 <SEP> 36 <SEP> 20, <SEP> 5 <SEP> 20, <SEP> 2 <SEP> 0
<tb> ABS/15 <SEP> 36 <SEP> 15, <SEP> 9 <SEP> 26, <SEP> 1 <SEP> 4
<tb>
Het blijkt dat maarmate de omzetting naar spirodilacton in polymeer B toeneemt de thermische stabiliteit van het mengsel toeneemt.
<Desc/Clms Page number 12>
EMI12.1
Vergelijkend experiment Mengsels werden bereid van 50 gew. N 26 en een 50 gew. nezuuranhydridecopolymeren zoals aangegeven in voorbeeld I. De gehaltes MZA-monomeereenheden in de SMA-copolymeren en het gewichtsgemiddeld molecuulgewicht daarvan is gegeven in tabel 9.
De Tg van de mengsels werd bepaald zoals aangegeven in voorbeeld I. De resultaten zijn vermeld in tabel 9.
Tabel 9
EMI12.2
<tb>
<tb> mengsel <SEP> MSA <SEP> Mw. <SEP> Tg
<tb> gew. <SEP> % <SEP> 10 <SEP> kg/kmol <SEP> oc
<tb> SAN <SEP> 26/SMA <SEP> 18 <SEP> 18 <SEP> 110 <SEP> 121
<tb> SAi\1 <SEP> 26/SMA <SEP> 21 <SEP> 21 <SEP> 112 <SEP> 124
<tb>
De gehaltes MZA-monomeereenheden in de achtereenvolgende SMA-copolymeren uit tabel 9 is vergelijkbaar met de gehaltes MZA-monomeereenheden van de polymeer B monsters uit tabel 4, respectievelijk tabel 5. vergelijking van de mengsels uit tabel 9 met de mengsels uit de tabellen 4 en 5 laat zien dat door de aanwezigheid van spirodilactonmonomeereenheden in polymeer B de glasovergangstemperaturen aanzienlijk hoger liggen.