<Desc/Clms Page number 1>
RUBBER GEMODIFICEERDE POLYMEERSAMENSTELLING
De uitvinding heeft betrekking op een polymeersamenstelling bevattende (A) een entcopolymeer van vinylaromatische en vinylcyanide monomeereenheden op een rubber, (B) een thermoplastisch polymeer met polaire groepen, en (C) een polymeer dat een vinylaromatisch monomeer, acrylonitril, en een a. ss-onverzadigde dicarbonzuuranhydride-houdende verbinding bevat.
Een dergelijke polymeersamenstelling is bekend uit EP-B-0, 202, 214. In EP-B-0, 202, 214 wordt een polymeersamenstelling van een polyamide, een acrylonitril-butadieen-styreen entcopolymeer (ABS), en een terpolymeer, verkregen door polymerisatie van styreen, acrylonitril en maleïnezuuranhydride beschreven. Polyamide polymeren en entcopolymeren van het type ABS zijn niet mengbaar en vormen daarom bij menging twee separate fasen. De slechte mengbaarheid resulteert in een polymeersamenstelling met relatief slechte mechanische eigenschappen. Het hierboven beschreven terpolymeer functioneert als compatibiliteitsverhogend middel tussen het polyamide en het ABS polymeer, en de toepassing ervan in de samenstelling resulteert in een verhoogde slagvastheid.
Het nadeel van de bekende polymeersamenstelling is dat haar slagvastheid sterk afhankelijk is van de temperatuur. Zo is de slagvastheid bij lage temperaturen, bijvoorbeeld bij- 200C (de zogenaamde "koude slagvastheid") laag. Voor toepassing van de bekende polymeersamenstelling in vormdelen voor bijvoorbeeld de automobielindustrie is dit een groot nadeel. Zo is bijvoorbeeld een hoge koude slagvastheid vereist voor polymeersamenstellingen die in bumpers worden toegepast.
<Desc/Clms Page number 2>
Het doel van de uitvinding is een polymeersamenstelling te verschaffen die het genoemde nadeel niet bezit.
De polymeersamenstelling volgens de uitvinding heeft daartoe het kenmerk dat de molmassa van het polymeer (C) begrepen is tussen 160000 g/mol en 230000 g/mol.
In het kader van deze aanvrage wordt met molmassa bedoeld het gewichtsgemiddelde moleculair gewicht.
In EP-B-0, 202, 214 wordt op pagina 4, lijnen 14-16 gesteld dat de molmassa van het bekende compatibiliteitsverhogend terpolymeer kan varieren van 40000 g/mol tot beduidend meer dan 200000 g/mol, doch dat de molmassa bij voorkeur lager is dan 100000 g/mol.
Terpolymeren met molmassa's hoger dan 100000 g/mol zijn minder goed in te mengen in de te compatibilizeren polymeren, bereiken minder gemakkelijk het grensvlak tussen de - in fasen gescheiden-polymeren en oefenen daardoor hun compatibilizerende werking niet of in mindere mate uit.
Gegeven het bovenstaande is het verrassend dat de toepassing van het polymeer (C) van de onderhavige uitvinding in een polymeersamenstelling die een ABS en een polymeer van het polyamide type bevat, de polymeersamenstelling een bijzonder hoge koude slagvastheid geeft.
In EP-A-0, 402, 528 wordt eveneens een polymeersamenstelling van een polyamide, een acrylonitril-butadieen-styreen entcopolymeer (ABS), en een terpolymeer verkregen door polymerisatie van styreen, acrylonitril en maleinezuuranhydride beschreven. Om de gewenste hoge slagvastheid te verkrijgen bij temperaturen lager dan OOC wordt een specifiek type ABS gebruikt met een gemiddelde deeltjesgrootte van de polybutadieenrubber tussen 0. 2 en 1. 0 pm, een entgraad van 40 tot 80 % en een molmassa
<Desc/Clms Page number 3>
van 220000 tot 450000 g/mol. Bij gebruik van de gangbare types ABS in de polymeersamenstelling wordt een hoge koude slagvastheid niet bereikt. Bovendien vertoont een polymeersamenstelling, zoals beschreven in EP-A-0, 402, 528 een beperkte vloei.
Een verder voordeel van de polymeersamenstelling volgens de uitvinding is het feit dat deze een uitstekende vloei vertoont. Hiermee wordt bedoeld dat, in tegenstelling tot wat zou worden verwacht op basis van de relatief hoge molmassa van het terpolymeer, de vloei van de polymeersamenstelling, zoals gemeten door middel van de Melt Flow Index (MFI) niet noemenswaardig verschilt van de MFI van de bekende polymeersamenstelling. Een goede vloei is van groot belang bij het vervaardigen van grote vormdelen door middel van processen als spuitgieten.
Bij voorkeur wordt de polymeersamenstelling volgens de uitvinding gekenmerkt doordat de molmassa van het polymeer (C) begrepen is tussen 190000 g/mol en 215000 g/mol. Hierdoor wordt een verder verhoogde koude slagvastheid verkregen.
Het entcopolymeer in de polymeersamenstelling volgens de uitvinding omvat een entcopolymeer van een vinylaromatische verbinding, een vinylcyanide en eventueel een derde monomeer op een rubber. Geschikt toe te passen vinylaromatische verbindingen worden bijvoorbeeld gekozen uit de groep styreen, a-methyl- styreen, o-vinyltolueen, m-vinyltolueen en/of p-vinyltolueen, vinylnaftaleen, dimethylstyreen, t-butylstyreen en gehalogeneerde styreenderivaten, zoals bijvoorbeeld chlorostyreen of bromostyreen. Bij voorkeur is de toegepaste vinylaromatische verbinding styreen en/of a-methylstyreen. Geschikt toe te passen vinylcyanideverbindingen worden bijvoorbeeld gekozen uit de groep gevormd door acrylonitril en cyanoalkyleenverbindingen, die 4-7 koolstofatomen bevatten, zoals bijvoorbeeld methacrylonitril.
Bij voorkeur is de
<Desc/Clms Page number 4>
toegepaste vinylcyanideverbinding acrylonitril en/of methacrylonitril. Geschikt toe te passen derde monomeren worden bijvoorbeeld gekozen uit de groep van acrylaten en methacrylaten, zoals bijvoorbeeld methylmethacrylaat en ethylacrylaat, en van al dan niet gesubstitueerde imidederivaten van a, ss-onverzadigde
EMI4.1
dicarbonzuren en a, dicarbonzuuranhydriden, zoals bijvoorbeeld malelmide en N-fenyl- ss-onverzadigdemaleimide.
De rubber, die wordt toegepast in het entcopolymeer kan worden gekozen uit de bekende rubbers.
In het algemeen hebben deze rubbers een glasovergangstemperatuur lager dan-10'C. Geschikt toe te passen rubbers worden bijvoorbeeld gekozen uit de groep van butadiêenrubbers en etheen-propeen copolymeren, die desgewenst een derde copolymeriseerbaar diêenmonomeer bevatten, zoals bijvoorbeeld 1, 4-he- xadiêen, dicyclopentadiêen, dicyclooctadieen, methyleennorborneen, ethylideennorborneen en tetrahydroindeen. Desgewenst bevat het entcopolymeer tevens een ondergeschikte hoeveelheid natuurlijk rubber en/of een elastomeer, dat in hoofdzaak is opgebouwd uit 1, 3-diêenverbindingen, zoals bijvoorbeeld butadien-1, 3, isopreen en 2, 3-dimethylbutadiêen-l, 3.
De voorkeur wordt gegeven aan polybutadienen- homopolymeren of aan butadiêen-copolymeren met een butadiöen-gehalte van 60-90 gew. %. Bijzonder geschikte entcopolymeren in de polymeersamenstelling volgens de uitvinding zijn acrylonitril-styreen-butadiêen (ABS), acrylonitril-styreen-acrylaat (ASA) en een
EMI4.2
etheen-propeen-diêen rubber, gepolymeriseerd met styreen en acrylonitril (AES). Met de meeste voorkeur wordt een acrylonitril-butadiêen-styreen (ABS) entcopolymeer toegepast in de samenstelling volgens de uitvinding.
De hoeveelheid rubber in het entcopolymeer is bij voorkeur gelegen tussen 20-70 gew.-%, met meer voorkeur
<Desc/Clms Page number 5>
tussen 35-65 gew.-%. Met de meeste voorkeur ligt het percentage rubber tussen 40-50 gew.-%. De gemiddelde deeltjesgrootte van het polybutadieenrubber kan binnen brede grenzen worden gekozen. Bij voorkeur ligt de gemiddelde deeltjesgrootte tussen 0. 1 en 0. 5 pm. Het is mogelijk rubberdeeltjes toe te passen met een bimodale deeltjesgrootte verdeling, i. e. een deeltjesgrootte verdeling waarbij de deeltjesgroottes gegroepeerd zijn rond twee van elkaar verschillende gemiddelden.
Het entcopolymeer kan met behulp van algemeen bekende werkwijzen worden gesynthetiseerd. Voorbeelden van dergelijke werkwijzen zijn processen voor massapolymerisatie, emulsiepolymerisatie, suspensiepolymerisatie en massa-suspensiepolymerisatie. Bij voorkeur wordt emulsiepolymerisatie gebruikt. Verder wordt bij voorkeur de polymerisatie dusdanig uitgevoerd dat een entefficiêntie (de monomeerfraktie die wordt geent op de rubber) van tenminste 20 gew.-% wordt bereikt. Met meer voorkeur is de entefficiêntie tenminste 40 gew.-%.
De wijze waarop dit kan worden bereikt is de vakman bekend.
Bij de polymerisatie kunnen de gebruikelijke hulpstoffen worden toegepast. Voorbeelden van dergelijke stoffen zijn ketenregelaars, emulgatoren, en vrije radikalen leverende verbindingen. De molmassa van het entcopolymeer kan binnen brede grenzen worden gekozen. Het is bijvoorbeeld mogelijk molmassa's tussen 80000 g/mol en meer dan 200000 g/mol toe te passen in de polymeersamenstelling. Bij voorkeur wordt de molmassa van het entcopolymeer hoger dan 80000 g/mol gekozen omdat anders de mechanische eigenschappen van de polymeersamenstelling verslechteren. Het heeft verder voordelen de polymerisatie dusdanig uit te voeren dat de molmassa van het entcopolymeer lager is dan 200000 g/mol, met meer voorkeur lager dan 170000 g/mol. Met de meeste voorkeur bedraagt de molmassa van het entcopolymeer tenhoogste 130000 g/mol.
Hierdoor
<Desc/Clms Page number 6>
wordt de vloei van de polymeersamenstelling volgens de uitvinding verder verbeterd, zonder dat de hoge koude slagvastheid van de samenstelling noemenswaardig achteruitgaat.
Desgewenst kan aan het entcopolymeer een separaat verkregen copolymeer van vinylaromatische en vinylcyanide monomeereenheden, bij voorkeur styreen en acrylonitril, worden toegevoegd.
De thermoplastische polymeren met polaire groepen die kunnen worden toegepast in de polymeersamenstelling volgens de uitvinding zijn algemeen bekende polymeren zoals bijvoorbeeld polycarbonaten, polyacetalen, vinylaromatische polymeren, vinylchloride polymeren, polyamiden, polyesters of mengsels van deze polymeren. Bij voorkeur is het thermoplastisch polymeer met polaire groepen een polyamide polymeer.
Met polyamiden worden de conventionele polyamide harsen bedoeld, die onder de naam nylon bekend zijn, inclusief de alifatische polylactams.
Polyamiden worden verkregen door polycondensatie van alifatische, alicyclische en aromatische diaminen en dicarbonzuren. Geschikte polyamides zijn bijvoorbeeld nylon 6 (polycaprolactam), nylon 11, nylon 12 (polylauryllactam), nylon 4. 6, nylon 6. 6
EMI6.1
(polyhexamethyleen adipamide), nylon 6. (polyhexamethyleen sebaccamide), nylon 6.
(polyhexamethyleen azelamide), en random copolymeren van nylon 6 en 6. 6, nylon 6. 6 en 6. 10 en nylon 6 en 11.
Bij voorkeur is het polyamide een nylon 6, nylon 6, 6 en/of een random copolymeer van nylon 6, 6 en nylon 6.
De molmassa van het polyamide bedraagt bij voorkeur tenminste 20000 g/mol. Eveneens geschikt toe te passen polyamiden in de polymeersamenstelling volgens de uitvinding zijn stervormig vertakte polyamiden, bijvorbeeld verkrijgbaar door ringopeningspolymerisatie van een lactam met een multifuctioneel kernmolecule,
<Desc/Clms Page number 7>
zoals bijvoorbeeld beshcreven in J. M. Waratomski, Chem.
Mater. 4, 1000-04, (1992). Deze stervormig vertakte polyamiden zijn bijzonder geschikt omdat zij een uitstekende eigenschappen/vloeibalans vertonen.
Polymeren worden in het kader van deze aanvraag mengbaar geacht als ze een samenstelling vormen bestaande uit één enkele fase. Zijn polymeren niet of slechts gedeeltelijk mengbaar dan vormen zij in hun samenstelling separate fasen. De specifiek gevormde morfologie hangt af van de relatieve hoeveelheden en van de aard van de samenstellende polymeren. Wordt een overmaat van één polymeer gebruikt dan zal dit polymeer over het algemeen een continue fase vormen, waarin het andere polymeer is gedispergeerd. Bij toepassen van ongeveer gelijke hoeveelheden van de polymeren kan een morfologie met een cocontinue struktuur ontstaan.
Polymeren worden compatibel geacht indien ze een stabiele meerfazige samenstelling vormen met bruikbare en synergistische mechanische eigenschappen, voor de samenstelling volgens de uitvinding in het bijzonder een hoge slagvastheid en/of rek bij breuk.
Incompatibele polymeren daarentegen vormen een meerfazige samenstelling met inferieure eigenschappen ten opzichte van de polymeren afzonderlijk.
Polyamides zijn over het algemeen noch mengbaar, noch compatibel met koolwaterstofharsen, zoals bijvoorbeeld polystyreen of acrylonitrilbutadieen-styreen entcopolymeren.
Een compatibele samenstelling van polyamide en entcopolymeren van het ABS type wordt verkregen door toepassing van terpolymeer (C) dat als compatibilizerend middel werkt. Het polymeer (C) in de samenstelling volgens de uitvinding bevat typisch (Cl) een vinylaromatisch monomeer, (C2) tenminste een monomeer gekozen uit de groep van Cl tot C4 alkyl methacrylaten, Cl tot C4 alkyl acrylaten, methacrylonitril en acrylonitril, en (C3) een
<Desc/Clms Page number 8>
a, ss-onverzadigde dicarbonzuuranhydride-houdende verbinding.
Bij voorkeur wordt de polymeersamenstelling volgens de uitvinding gekenmerkt doordat component (C) van de polymeersamenstelling een terpolymeer is van styreen, acrylonitril en maleinezuuranhydride. Dit terpolymeer verbeterd de koude slagvastheid van de in de aanhef genoemde polymeersamenstellingen in hoge mate.
De hoeveelheid maleinezuuranhydride in het terpolymeer kan binnen brede grenzen worden gekozen. Het heeft echter voordelen de polymeersamenstelling volgens de uitvinding te kenmerken doordat de hoeveelheid maleinezuuranhydride in component (C) van de polymeersamenstelling begrepen is tussen 0, 2 en 5 mol%.
Met de meeste voorkeur is de hoeveelheid maleinezuuranhydride in component (C) van de polymeersamenstelling begrepen tussen 0, 5 en 1, 5 mol%.
Hierdoor wordt een goede balans bereikt tussen enerzijds de slagvastheid en koude slagvastheid, en anderszijds de verwerkbaarheid van de polymeersamenstelling.
Het terpolymeer kan op gebruikelijke wijze worden bereid. Een geschikte werkwijze bestaat erin de monomeren waaruit het terpolymeer is opgebouwd, bijvoorbeeld styreen, maleinezuuranhydride en acrylonitril, op te lossen in een geschikt oplosmiddel, bijvoorbeeld methylethylketon (MEK). Aan deze oplossing worden één of, indien gewenst, meerdere chemische initiatoren toegevoegd. Geschikte initiatoren zijn bijvoorbeeld peroxides. Vervolgens wordt het mengsel bij verhoogde temperatuur gedurende een aantal uren gepolymeriseerd, waarna het restgehalte aan oplosmiddel en niet omgezette monomeren wordt verwijderd op bekende wijze.
De molmassa van het terpolymeer kan op een de vakman bekende wijze worden ingesteld, bijvoorbeeld door instellen van de reaktietemperatuur of door keuze van de aard en hoeveelheid van de chemische initiator.
<Desc/Clms Page number 9>
De verhouding tussen het styreen monomeer en het acrylonitril monomeer in het terpolymeer volgens de uitvinding is bij voorkeur gelegen tussen 80 : 20 en 50 : 50. Om de mengbaarheid van het terpolymeer met het entcopolymeer (A) te verbeteren wordt bij voorkeur de relatieve hoeveelheid styreen monomeer in het terpolymeer nagenoeg gelijk genomen aan de relatieve hoeveelheid styreen monomeer in het entcopolymeer (A).
De relatieve hoeveelheid terpolymeer in de samenstelling volgens de uitvinding is gelegen tussen 1 en 50 gew.-%, bij voorkeur tussen 1 en 15 gew.-%, met meer voorkeur tussen 3 en 10 gew.-%. Met de meeste voorkeur is de relatieve hoeveelheid terpolymeer in de samenstelling volgens de uitvinding gelegen tussen 5 en 7 gew.-%.
De polymeersamenstelling volgens de uitvinding kan op bekende wijze thermoplastisch worden aangemaakt en vervolgens verwerkt tot vormdeel. Voor de aanmaak geschikte apparatuur is bijvoorbeeld een enkelof dubbelschroefsextruder. Voor de verwerking tot vormdeel kan gebruik worden gemaakt van een spuitgietmachine. Ook is het mogelijk de samenstelling te persen tot eindprodukt. Door de uitstekende verwerkbaarheid van de samenstelling volgens de uitvinding is deze uitermate geschikt voor het vervaardigen van allerlei voorwerpen. Wegens het uitstekend vloeigedrag van de polymeersamenstelling volgens de uitvinding is deze met name geschikt voor het spuitgieten van grote vormdelen, waarbij over het algemeen lange vloeiwegen optreden.
Voorbeelden van grote vormdelen zijn bumpers, spatborden, front facia's, dashboard's, binnendeurpanelen en middenconsoles van automobielen.
Aan de polymeersamenstelling volgens de uitvinding kunnen desgewenst additieven worden toegevoegd. Voorbeelden van gebruikelijke additieven zijn stabilisatoren, antioxydantia, glijmiddelen,
<Desc/Clms Page number 10>
vulmiddelen, kleurstoffen, pigmenten, vlamvertragers, geleidende vezels en versterkende vezels, zoals glasvezel of koolstofvezel. De additieven kunnen desgewenst voor of tijdens de verwerkingsstap worden toegevoegd.
De uitvinding wordt verder verduidelijkt aan de hand van de onderstaande voorbeelden zonder daartoe te worden beperkt.
VOORBEELDEN EN VERGELIJKENDE EXPERIMENTEN Gebruikte componenten
ABS - verkregen door enten van styreen en acrylonitril op polybutadieenrubber door middel van emulsiepolymerisatie. De gewichtsverhouding styreen/acrylonitril bedraagt 70 : 30. Het rubbergehalte
EMI10.1
is 40 gew.-%. Deze ABS is verkrijgbaar bij de firma DSM te Nederland onder de handelsnaam Ronfalin*"TZ220.
PA - een polyamide 6 verkrijgbaar bij de firma DSM te Nederland onder de handelsnaam AkulonTM K123.
COM - een terpolymeer van styreen, acrylonitril, en MZA. Het terpolymeer wordt verkregen door styreen en acrylonitril in een verhouding van 2, 2 : 1, en een variabele hoeveelheid MZA op te lossen in methylethylketon (MEK). Dit mengsel wordt vervolgens bij verhoogde temperatuur gepolymeriseerd waarna het oplosmiddel wordt verdampt. De molmassa van het terpolymeer werd bepaald door middel van de hieronder beschreven GPC-methode. Het molpercentage MZA in het terpolymeer werd berekend uit de polymerizatieconversie en de hoeveelheid aan de oplossing toegevoegd MZA.
De aangemaakte terpolymeren zijn beschreven in de volgende tabel.
<Desc/Clms Page number 11>
EMI11.1
<tb>
<tb> Terpolymeer <SEP> COM <SEP> Mol% <SEP> MZA <SEP> Molmassa <SEP> (g/mol)
<tb> COM-1 <SEP> 0, <SEP> 9 <SEP> 204000
<tb> COM-2 <SEP> 0, <SEP> 7 <SEP> 116000
<tb> COM-3 <SEP> 1, <SEP> 1 <SEP> 100000
<tb> COM-4 <SEP> 0, <SEP> 5 <SEP> 100000 <SEP>
<tb> COM-5 <SEP> 0, <SEP> 8 <SEP> 50000
<tb>
Van de hierboven vermelde componenten werden polymeersamenstellingen vervaardigd op volgende wijze.
Aan een Schwabenthan*"enkelschroefsextruder werden de componenten (ABS, PA en COM) toegevoegd bij een toerental van 60 rpm. De insteltemperatuur over de lengte van de extruder bedroeg
EMI11.2
50/150/190/230/245/245/245 C. De smelttemperatuur was ongeveer 270 C. Enkel het polyamide werd voorgedroogd.
Het verkregen granulaat werd gedurende 16 uur voorgedroogd onder vacuum bij 80 C. Vervolgens werden van het granulaat proefstaven gespuitgiet op een standaard Arburg spuitgietmachine, waarbij de temperatuur van de smelt ongeveer 2600C bedroeg. De matrijstemperatuur bedroeg 70 C.
De aangemaakte polymeren hadden de volgende samenstelling.
<Desc/Clms Page number 12>
EMI12.1
<tb>
<tb> Voor- <SEP> ABS <SEP> PA <SEP> COM-1 <SEP> COM-2 <SEP> COM-3 <SEP> COM-4 <SEP> COM-5
<tb> beeld
<tb> 1 <SEP> 54,8 <SEP> 39,2 <SEP> 6,0 <SEP> - <SEP> - <SEP> - <SEP> A <SEP> 56, <SEP> 8 <SEP> 39, <SEP> 2-4, <SEP> 0 <SEP>
<tb> B <SEP> 54, <SEP> 8 <SEP> 39, <SEP> 2--6, <SEP> 0 <SEP>
<tb> C <SEP> 54, <SEP> 8 <SEP> 39, <SEP> 2---6, <SEP> 0 <SEP>
<tb> D <SEP> 54,8 <SEP> 39,2 <SEP> - <SEP> - <SEP> - <SEP> - <SEP> 6,0
<tb> E <SEP> 54, <SEP> 8 <SEP> 39, <SEP> 2-6, <SEP> 0 <SEP>
<tb> F <SEP> 52, <SEP> 8 <SEP> 39, <SEP> 2-8, <SEP> 0 <SEP>
<tb>
Gebruikte test-en karakterisatiemethodes
De molmassa werd bepaald door middel van gel permeatie chromatografie (GPC).
Er werd gebruik gemaakt van een Hewlett Packard HP1090 chromatograaf, gekoppeld aan een differentiaal viscosimeter (ViscotekTM model 200).
EMI12.2
De experimentele condities waren de volgende Oplosmiddel/eluens : waaraan 5 :gew.-% azijnzuur is toegevoegd.
Uitgangsconcentratie polymeer : 0, 2 gew.-%.
Oplostijd/temperatuur : 2 uur bij kamertemperatuur.
Kolommenset : 5 kolommen in serie met ultra StyragelTM (firma Waters) met nominale exclusielimiet van resp. 50,100, 1000,10000 en
10 nm.
Detectoren : Refractometer,
Ultravioletdiode array en differentiaal viscosimeter.
<Desc/Clms Page number 13>
Calibratie : Polystyreen standaarden (van de firma Polymer Laboratories) met molmassa's van 0, 58 t/m.
2880 kg/mol.
De werkwijze was verder zoals beschreven in ASTM Methode D 3536-91.
De Izod kerfslagvastheid werd gemeten volgens ASTM D-256 bij temperaturen van -20oC, -10oC en 23 C.
De proefstaafdikte bedroeg 6, 4 mm.
Buigmodulus en-sterkte werden gemeten volgens ASTM D-790 bij 23 C.
De geinstrumenteerde valenergiemeting (VEM of "falling dart impact test") werd uitgevoerd bij 23'C eu -20'c op vierkante, ingeklemde testplaatjes met een dikte van 3. 2 mm. Een vallichaam (dart) met bolle punt en een diameter van 10 mm werd gebruikt. De valsnelheid bedroeg 4, 4 m/s. Bepaald werden het breukgedrag (met of zonder splintervorming) en de totaal opgenomen energie bij -20'c en 23. C.
Als maat voor de vloei werd de Melt Flow Index (MFI) gemeten overeenkomstig ASTM D 1238.
De temperatuurbestendigheid van de monsters werd gemeten door middel van Vicat B50 methode volgens ASTM D 1525.
De verkregen testresultaten zijn opgenomen in tabel 1.
De totale gedissipeerde energie in de VEM test bij 230C bedroeg voor Voorbeeld 1 en Vergelijkende Experimenten A t/m F resp. 44,3 J/42,8 J/44,2 J/45,0 J/44,2 J/44,6 J en 44, 6 J. De buigmodulus bij 230C bedroeg resp. 1865 MPa/1760 MPa/1750 MPa/1700 MPa/1750 MPa/1800 MPa en
EMI13.1
1850 MPa.
De Vicat bedroeg resp. 106, C/107, en 107,
<Desc/Clms Page number 14>
2 C/106, 0 C/106, 7Tabel 1 : test resultaten
EMI14.1
<tb>
<tb> Exp. <SEP> Izod <SEP> 230C <SEP> Izod <SEP> - <SEP> 100C <SEP> Izod <SEP> - <SEP> 200C <SEP> MFI
<tb> Nr. <SEP> (kJ/m2) <SEP> (kJ/m2) <SEP> (kJ/m2) <SEP> (dg/10 <SEP> min)
<tb> 1 <SEP> 79, <SEP> 2 <SEP> 61, <SEP> 5 <SEP> 50, <SEP> 4 <SEP> 4, <SEP> 7 <SEP>
<tb> A <SEP> 82, <SEP> 6-19, <SEP> 5 <SEP> 5, <SEP> 2 <SEP>
<tb> B <SEP> 80, <SEP> 7-28, <SEP> 5 <SEP> 5, <SEP> 1 <SEP>
<tb> C <SEP> 82, <SEP> 2-18, <SEP> 3 <SEP> 6, <SEP> 5 <SEP>
<tb> D <SEP> 84, <SEP> 5 <SEP> 30, <SEP> 1 <SEP> 22, <SEP> 8 <SEP> 7, <SEP> 2 <SEP>
<tb> E <SEP> 82,1 <SEP> 63,0 <SEP> 26,1 <SEP> 5,7
<tb> F <SEP> 79, <SEP> 9-29, <SEP> 6 <SEP> 5, <SEP> 9 <SEP>
<tb>