<Desc/Clms Page number 1>
De uitvinding heeft betrekking op een werkwijze voor het zowel boven als onder water in beschermmatten en c.q. ook daaronder aanbrengen van een vulling van ingeperst, opgezogen of gebaggerd bodemmateriaal, waarbij de,beschermmatten van een bij voorkeur van kunststofdraden vervaardigd weefsel zijn gemaakt en elke beschermmat uit een enkel, eventueel van zijspruiten voorzien kousdeel bestaat, dat al dan niet met de middenstrook van een weefselbaan is verbonden, of een aantal kousdelen, die de één na de ander door een tussenbaan van een weefsel met elkander zijn verbonden.
Bij de tot nu toe gebruikelijke methode om geweven zakken met een opgezogen of gebaggerd bodemmateriaal te vullen, laat men het materiaal eenvoudig in de zak stromen. Deze wordt daartoe meestal onder aan het mondstuk van een trechter opgehangen. Bij het vullen van de hiervoor beschreven beschermmatten echter kan men deze methode niet toepassen vooral als de matten iets groter van afmetingen worden. Bovendien is deze methode heel moeilijk te bewerkstelligen onder water.
De uitvinding beoogt een werkwijze aan te geven, waardoor onder alle omstandigheden het vullen zeer goed uitvoerbaar wordt. Dit wordt bereikt, doordat volgens de uitvinding één of meer te vullen kousdelen alsmede eventueel één of meer ruimten onder een telkens twee kousdelen verbindende tussenbaan aan de voor- zijde worden afgesloten, waarna in de aanwezige kousdelen en eventueel de genoemde ruimten spuitpersleidingen worden gebracht ;
het opgezogen of gebaggerde bodemmateriaal onder persdruk door deze spuitpersleidingen wordt aangevoerd met het gevolg, dat de vaste bestanddelen uit dit materiaal zich geleidelijk in de aanwezige kousdelen en zo nodig in de ruimten daartussen ophopen, waartegenover het water en de lucht, die in dit materiaal worden meegevoerd door de persdruk door het weefsel heen worden afgevoerd, terwijl naar mate de vullingen toenemen de gesloten einden van de aanwezige kousdelen en eventueel de ruimten daartussen ten opzichte van de mondstukken der spuitpersleidingen worden weggedrukt en/of van buiten af verder van deze mondstukken worden verwijderd.
Een bijzonder voordelige, vooral onder water goed toepasbare variant van deze werkwijze bestaat hierin, dat volgens de uitvinding elk aanwezig kousdeel door een harmonicagewijze opvouwing van achter af op een eigen mondstuk wordt opgeschoten, daarna het begin van elk kousdeel over een rondom het eigen mondstuk nabij de uitlaat daarvan aangebrachte soepele terugslagdichting wordt heengetrok- ken en voor deze uitlaat langs wordt gesloten, terwijl indien tegelijkertijd de ruimte onder de tussenbaan, die deze kousdelen verbindt moet worden gevuld, de met de kousdelen gevouwen tussenbaan op een soepele terugslagdichting van een eigen mondstuk wordt gelegd, dat tussen de beide mondstukken van de kousdelen is geplaatst, waarna een voorbij de kousdelen stekend verlengstuk van deze tussenbaan voor de uitlaat van het eigen mondstuk langs tot onder dat mondstuk wordt door- gehaald,
waarna alle mondstukken op spuitpersleidingen worden aangesloten en met het inpersen van de vullingen wordt begonnen, terwijl naar mate deze vullingen toenemen, elk kousdeel en eventueel de tussenbaan van het eigen mondstuk wordt afgestroopt, waarbij de mondstukken zich naar achteren toe verplaatsen dan wel naar achteren toe verplaatst worden, indien althans de beginstukken van de kous- delen en eventueel de tussenbaan op een bepaald uitgangspunt gefixeerd liggen.
Overigens is het ook mogelijk deze werkwijze iets gevarieerd toe te passen, door- dat de kousdelen zo-ver voorbij de uitlaten van de eigen mondstukken worden door- getrokken, dat de uiteinden van de kousdelen vóór langs het middenmondstuk met elkander verenigd kunnen worden en de tussenbaan op deze kousdelen wordt vastge- zet.
De inrichtingen voor het toepassen van de werkwijze volgens de uit- vinding en haar varianten, worden eveneens tot de uitvinding gerekend,
Aan de hand van de tekening, waarin enige uitvoeringsvormen van de inrichting volgens de uitvinding zijn weergegeven, volgt een beschrijving. Naast de details zullen hieruit nog enkele kenmerken van de uitvinding blijken.
<Desc/Clms Page number 2>
In de tekening toont : fig. leen middenlangsdoorsnede van een te vullen kousdeel met een vulinrichting volgens de uitvinding, fig. 2 op grotere schaal een variant van het mondstuk van de inrich- ting van fig. 1, fig. 3 een middenlangsdoorsnede van een andere vulinriohting voor het vullen van een enkel kousdeel, fig. 4 een schematisch aanzicht van twee zandperszuigers, waarbij de vulling van een kousdeel respectievelijk boven en onder water plaats heeft, fig. 5 en 6 respectievelijk een middenlangsdoorsnede en een boven- aanzicht van een drie vuldelen omvattend mondstuk volgens de uitvinding, fig. 7 en 8 op grotere schaal doorsneden volgens respectievelijk de lijnen VII-VII en VIII-VIII in fig. 5, fig. 9 een doorsnede volgens de lijn IX-IX in fig. 8, fig.
10 een dwarsdoorsnede van een beschermmat, bestaande uit een tussenbaan en twee daaraan bevestigde kousdelen en fig. 11 een schematisch aanzicht van het leggen van een beschermmat, waarbij de tussenbaan plat op de bodem wordt gespreid.
De inrichting voor het onder persdruk aanbrengen van een uit opge- zogen of gebaggerd materiaal bestaande vulling 1 in een van een weefsel vervaar- digd en aan één kant gesloten kousdeel 2, bestaat uit een spuitpersleiding 3. die praktisch over de gehele lengte in het gestrekt liggende kousdeel 2 is ge- stoken (zie fig. l). Bij het vullen met het onder peisdruk in de richting van pijl A aangevoerde en volgens pijltjes B uitstromende bodemmateriaal, blijven de vaste bestanddelen in de gesloten punt van het kousdeel 2 achter. Het meege- voerde water en de meegevoerde lucht worden in alle richtingen door het weefsel heen volgens de pijltjes C afgevoerd. De spuitpersleiding 3 wordt geleidelijk teruggetrokken in de richting van pijl D naar mate de vulling 1 groter wordt.
Men kan het effect van deze werkwijze nog bevorderen, doordat het kousdeel 2 tijdens het vullen over een het inwendige dwarsprofiel geheel afsluitend dichtings- orgaan wordt geleid. Is het dwarsprofiel cirkelvormig, dan kan het dichtingsor- gaan bestaan uit een soepele slabbe 4 van een veerkrachtig materiaal bijv. rubber.
Deze slabbe 4 ligt met twee manchetten 5 geklemd om de spuitpersleiding 3 en kan via een ventiel 6 worden opgeblazen (zie fig. 2).
Het kousdeel 2 kan ook op een mondstuk worden opgeschoten. Bij de hiervoor gebruikte inrichting (zie fig. 3) is op het mondstuk 7 een rond daarom- heen gelegde soepele, bijv. van rubber gemaakte terugslagdichting 8 aangebracht, waarover het te vullen kousdeel 2 heengetrokken wordt. Het kousdeel 2 wordt namelijk van achter af op het mondstuk 7 opgeschoten door een harmonicagewijze vouwing tegen de terugslagdichting 8 aan. De ligging van het in zijn geheel opgeschoten kousdeel 2 kan met een opsluitplaat 9 worden gefixeerd.
Alvorens met de vulling te beginnen, wordt het begin 10 van het kousdeel 2 gesloten en eventueel op een uitgangspunt gefixeerd. Wordt nu opgezo- gen zand, dat zich bij uitstek voor dit doel leent onder persdruk in het kousdeel 2 gespoten, dan spreidt het zand zich volgens de pijltjes B en vult het begin van het kousdeel 2 met een zandvulling 1. Het weefsel, waarvan het kousdeel 2 is gemaakt, laat het zand of meer in het algemeen het gebruikte bodemmateriaal niet door, terwijl onder invloed van de druk het meegevoerde water en de meegevoerde lucht volgens de pijltjes C wel door het weefsel heen kunnen ontwijken. De vul- ling 1 zet zich dus, terwijl in het kousdeel 2 een zekere persdruk ontstaat.
Naar mate de vulling 1 toeneemt, wordt het mondstuk 7 ten opzichte van het ge- fixeerde begin 10 naar achteren verplaatst. Zelfs kan onder bepaalde omstandig- heden die achterwaartse beweging uitsluitend vanzelf plaats hebben onder invloed
<Desc/Clms Page number 3>
van de optredende krachten,, Het kousdeel 2 wordt derhalve geleidelijk van het mondstuk 7 afgestroopt en tegelijkertijd steeds meer gevuld.
Deze vulmethode kan zowel boven als onder en ook in dieper water zonder bezwaren plaats hebben. Wordt daarvoor een zandperszuiger 11 in bedrijf gebracht (zie figo 4), dan kan het mondstuk 7 aan dek van het vaartuig recht- streeks op een persinstallatie 12 worden aangesloten (links getekend). Het ge- vulde begin 10 van het kousdeel 2 moet dan tijdens de eerste fase van de vulling geleidelijk naar de bodem 13 worden gevierd, daarna zo nodig op de bodem worden vastgezet, waarna door het zich laten verplaatsen van het vaartuig het kousdeel 2 van het mondstuk 7 wordt afgestroopto Bij dieper water en/of grotere stroom- snelheden zal men al gauw van een glijbord of glijkoker 14 gebruik- moeten maken, waarlangs of waardoor het gevulde kousdeel naar beneden glijdt.
He.glijbord of de glijkoker 14 kan in een laadboom 15 zijn opgehangen en/of rollend tegen de bodem worden gesteund,
De zandperszuiger 11 kan echter vooral in dieper water zeer voordelig werken door het mondstuk 7 met het daarop opgeschoten en over de uitlaat heenge- haalde afgesloten kousdeel 2 op de bodem 13 te brengen (rechts getekend). Het begin 10 wordt wederom gefixeerd. Het mondstuk 7 wordt nu door een spuitperslei- ding 16 met de persinstallatie 12 verbonden, waarbij deze leiding kan zijn op- gehangen in de laadboom 15. Met het vaartuig wordt ook het mondstuk 7 over de bodem 13 naar achteren verplaatst. Deze vulwerkwijze is vooral van voordeel, wanneer met meer mondstukken tegelijk moet worden gewerkt.
Moet bijv. een beschermmat worden gevuld, bestaande uit twen rond- geweven en van een zijstrook 17 voorziene kousdelen 18, die in langsrichting de zijdelingse begrenzingen vormen van een langgerekte tussenban 19 (zie fig.
10), terwijl tegelijkertijd de onder die tussenbaan 19 gelegen ruimte van een vulling moet worden voorzien, dan kan een inrichting worden gebruikt met drie afzonderlijke mondstukken,. De inrichting omvat dan een in het midden gelegen mondstuk 20, dat in het algemeen een grotere doorsnede heeft dan de beide ter weerszijden van dit middenmondstuk 20 gelegen zijmondstukken 21 (zie fig. 5 en 6). Het middenmonstuk 20 steekt een eind verder naar voren dan de zijmondstukken 21 en verbreedt zich in het voorste deel tot een platte visbekvormige uitlaat 22, die door tussenschotten 23 verdeeld kan zijn in een aantal spuitkanalen 24 (zie ook figo 7).
De beschermmat wordt nu op de gecombineerde mondstukken opgeschoten in dier voege, dat de kousdelen 18 om de zijmondstukken 21 worden opgeschoten, waardoor ook de tussenbaan 19 vanzelf wordt samengevouwen. Deze tussenbaan 19 is voorzien van een voorbij de uiteinden van de kousdelen 18 stekend verlengstuk 25. Dit verlengstuk 25 wordt om de uitlaat 22 heengelegd en dan onderlangs een behoorlijk eind teruggehaald, waardoor als het ware voor deze uitlaat 22 een afgesloten zak ontstaat. Het teruggehaalde verlengstuk 25 kan aan de onderéilde van slabben 26 zijn voorzien9 die het onderspoelen helpen tegengaan. Elk kousdeel 18 wordt over een terugslagdichting heengehaald, die hier uit een dichtingsplaat 27 en een soepele dichting 28 bestaat (zie fig. 9).
Voor de afsluiting aan de achterzijde van de ruimte onder de tussenbaan 19 wordt eveneens een dichtende afsluiting in het leven geroepen. Daartoe is op het middenmondstuk 20 een verti- cale draagplaat 29 aangebracht, die aan de bovenkant en de beide zijranden van een soepele dichting 30 is voorzien. Elk kousdeel 18 passeert derhalve tussen een dichting 28 en de dichting 30, wanneer tijdens het vullen de kousdelen 18 en de tussenbaan 19 van de mondstukken worden afgestroopt, doordat het gehele samenstel van mondstukken geleidelijk achteruit wordt bewogen.
De mondstukken 20 en 21 zijn voorzien van geleidebeugels 31 respec- tievelijk 32, die het doorglijden van de tussenbaan 19 respectievelijk de kous- delen 18 vergemakkelijken. Voorts is scharnierend in een drager 33 op het midden- mondstuk een kleminrichting 34 bevestigd. Deze kleminrichting 34 is zodanig uit- gebalanceerd, dat met de grijper 35 daarvan precies zoveel druk op de aflopende
<Desc/Clms Page number 4>
tussenbaan 19 wordt uitgeoefend, dat deze zich niet te snel kan verplaatsen, maar werkelijk eerst onder invloed van een zekere persdruk van het zich zettende bo- demmateriaal van het mondstuk 20 wordt afgestroopt. Om deze druk tijdelijk te kunnen vergroten, is aan de kleminrichting 34 een trekketting 36 bevestigd.
De tussenbaan 19 en de kousdelen 18 zijn voorzien van ogen 37 om het begin van deze delen eventueel te kunnen vastzetten De verticale draagplaat 29 gaat aan de onderzijde over in een horizontale plaat 38, die aan de achterkant een terug- lopende soepele bodemslabbe 39 draagt.
Zowel het middenmondstuk 20 als de zijmondstukken 21 zijn aan de achter- zijde bevestigd op een van rollen 40 voorzien onderstel 41, waarmede het gehele samenstel van mondstukken ook onder water over de bodem kan worden verplaatst.
Het middenmondstuk 20 is via een flens 42 vast aangesloten op een persspuitlei- ding 43.Elk zijmondstuk 21 is via een daartoe geëigend aansluitstuk 44 zodanig verbonden met een spuitpersleiding 45, dat de zijmondstukken 21 ten opzichte van het middenmondstuk 20 in zijdelingse richting verstelbaar zijn. Dit laatste is namelijk van belang, indien de inrichting wordt gebruikt voor het vullen van alleen de kousdelen, terwijl de tussenbaan tussen die kousdelen plat op de bodem wordt gespreid (zie fig. 11). De kousdelen 18 zijn in deze figuur gelegd om niet- ronde, op de zijmondstukken 21 aangebrachte terugslagdichtingen.
De tussenbaan 19 ligt plat gestrekt op de bodem, doordat de zijmondstukken 21 ten opzichte van het middenmondstuk 20 meer naar buiten toe zijn ingesteld. De soepele bodemslabbe 39 drukt de tussenbaan 19 extra stevig tegen de bodem aan.
Opgemerkt wordt, dat de detailuitvoering van deze inrichting in vele opzichten kan worden gevarieerd zonder buiten het kader van de uitvinding te tre- den. De inrichting kan verder worden uitgebreid met meer dan twee mondstukken voor kousdelen, waarbij tussen elke twee mondstukken zich telkens een middenmond- stuk voor het vullen van de ruimte onder een tussenbaan bevindt. Voorts kan men in plaats van een verlengstuk aan de tussenbaan te gebruiken, de ruimte aan de voorzijde afsluiten met verder voorbij de uitlaten van de zijmondstukken reikende kousdelen. Deze uiteinden worden dan vóórlangs de uitlaat van het middenmondstuk naar elkander toe gebogen en met elkander verenigd. De tussenbaan zit dan overal op de kousdelen vast. Zelfs kan men de beide uiteinden van de kousdelen in elkan- der laten uitmonden.
EISEN.
1. Werkwijze voor het zowel boven als onder water in beschermmatten en c.q. ook daaronder aanbrengen van een vulling van ingeperst opgezogen of gebag- gerd bodemmateriaal, waarbij de beschermmatten van een bij voorkeur van kunststcf- draden vervaardigd weefsel zijn gemaakt en elke beschermmat uit een enkel, even- tueel van zijspruiten voorzien kousdeel bestaat, dat al dan niet met de idden- strook van een weefselbaan is verbonden, of uit een aantal kousdelen, die de één na de ander door een tussenbaan van een weefsel met elkander zijn verbonden, met het kenmerk, dat één of meer te vullen kousdelen alsmede eventueel één of meer ruimten onder een telkens twee kousdelen verbindende tussenbaan, aan de voorzijde worden afgesloten, waarna in de aanwezige kousdelen en eventueel de genoemde ruimten spuitpersleidingen worden gebracht ;
vervolgens het opgezogen of gebagger- de bodemmateriaal onder persdruk door deze spuitpersleidingen wordt aangevoerd met het gevolg, dat de vaste bestanddelen uit dit materiaal zich geleidelijk ir. de aanwezige kousdelen en zo nodig in de ruimten daartussen ophopen, waartegen- over het water en de lucht, die in dit materiaal worden meegevoerd door de rers- druk door het weefsel heen worden afgevoerd, terwijl naar mate de vullingen toe- nemen, de gesloten einden van de aanwezige kousdelen en eventueel de ruimten daartussen ten opzichte van de mondstukken der spuitpersleidingen worden wegge- drukt en/of van buiten af verder van deze mondstukken worden verwijderd. **WAARSCHUWING** Einde van DESC veld kan begin van CLMS veld bevatten **.